Pirella zaad.

Rood intensief


Pirella zaad gewoon goed.                                    Wout van Gils.

 Perilla zeker  bij de Europese kwekers  een veel voorkomend  zaadje  op hun menu ,ze geven het wat exstra ,en of  ze mengen er  wat onder  hun eiv. Niet alleen kwekers van wildzang (Europese cultuurvogel), maar ook kwekers van kanaries, tropen en zelfs parkietachtige zijn de laatste jaren het perillazaad gaan toepassen bij de verzorging van hun vogels.Zoals zo vaak, is ook hier de plotselinge belangstelling voor deze zaadsoort niet direct te verklaren. Om ons  vogelliefhebber een beter inzicht te geven in de toepassing van het perillazaad hierover iets  meer  in dit artikel.Perilla is een plantengeslacht dat behoort tot de familie van de lipbloemigen, De meeste soorten komen voor in Oost-Azie. Zo wordt de Perilla nankinensis als sierplant gekweekt, terwijl de Perilla ocymoides (in de Hymalaia) en de Perilla arguta (in China en Japan) voornamelijk worden gekweekt omwille van de perilla-olie. Deze olie vindt in het Oosten toepassing bij de smaakstof- bereiding, Het bevat namelijk een component, welke circa 2000 maal de zoetkracht van suiker heeft. Ook bevat de perilla-olie een bestanddeel, waaraan een anti- septische werking wordt toegeschreven. 

In de vogelliefhebberij zijn een tweetal soorten perilla verkrijgbaar, namelijk witte (grijze) – en bruine perilla. In onderstaande tabel is een analyse van het perillazaad weergegeven.

Gemiddelde waarde     Perilla

vocht                     6,0%

ruw eiwit               24,3%

ruw vet                 43,3%

suikers en zetmeel    2,2%

ruwe celstof           15,1%

Bekijken we de an alyse dan kunnen we stellen, dat het perilla tot de vetrijke zaadsoorten gerekend kan worden, zoals neger-, hennep- en raapzaad en gepelde haver . Het hoge vetgehalte zal de voornaamste reden zijn, waardoor perilla, evenals andere vetrijke zaadsoorten, door diverse vogelsoorten graag wordt opgenomen.Vooral bij wildzangkwekers is het perilla momenteel zeer populair. Wordt het daarbij als een “snoepzaad” verstrekt naast een goede zaadmengeling voor wildzang, dan kan het een welkome afwisseling in de dagrantsoen zijn, met name in de kweek- en ruitijd (productieperioden). Het is  ook om die  reden dat  ook veel kanarie kwekers  ,dit  zaadje  zijn gaan toevoegen aan hun voeding .We mogen niet vergeten, dat in een goed wildzangmengsel ook al behoorlijk wat vetrijke zaden aanwezig zijn. Daarom is het verstandig om de vogels, in kweekkooien gehuisvest., in gecontroleerde hoeveelheid per dag te voeren (rantsoeneren). Hierdoor wordt een eenzijdige voedselopname voorkomen. Daarnaast kan het perillazaad bijvoorbeeld als een “smaakmaker” door het opfokvoer worden gemengd en zo de opname bevorderen. Hiermee is met de perillaverstrekking een nuttige toepassing bij de verzorging van de vogels gegeven.

 Besluit :

Het is dan ook een zaadje  wat zeker  gegeven kan worden aan onze  kanarievogels ,maar  zoals eerder in dit artikel vermeld  doe  het  zeker  gerantsoeneerd,dit  om een vervetting te  voorkomen . Mits met aandacht en gerantsoeneerd  gevoerd  is dit  een goede exstra toevoeging  voor onze kanarievogels.

 

Kiemzaad maken .opletten!!!

kiemzaad


Het maken van Kiemzaad .

Indien men gekiemd zaad verstrekt, is het belangrijk dat dit op een hygiënische manier gemaakt wordt. Kiemzaad maken is niet moeilijk. Toch kan dit een bron van infectie zijn als dit niet zorgvuldig gebeurt, zeker wanneer kiemzaad gemengd met eivoer wordt verstrekt. Het is in de eerste plaats belangrijk om goed kiemzaad te kopen. Het moet vers en schoon zijn en snel kiemen. Ook hier zijn er vele manieren waarop verschillende kwekers te werk gaan. Ik zet het zaad in ruim water, waaraan appelazijn (20 ml/liter) is toegevoegd gedurende acht uurweg. Dit is om het zaad voldoende vocht te laten opnemen om te ontkiemen. Door toevoeging van het appelazijn wordt de pH verlaagd en kunnen bacteriën zich niet ontwikkelen. Hierna wordt het zaad in een grote keukenzeef gedaan en zorgvuldig onder de kraan uitgespoeld. Gedurende het kiemen blijft het zaad in de zeef, waarin het een aantal malen per dag onder koud stromend water goed wordt uitgespoeld. Het kiemen gebeurt bij kamertemperatuur (20-22 °C). Het zaad mag beslist niet in de zon staan. Al gauw verschijnen er witte puntjes. Het zaad is dan al eigenlijk klaar voor gebruik. Laat het nooit ver ontkiemen, dan ontstaat groenvoer en de voedingswaarde gaat snel achteruit. Als het kiemproces voltooid is, wordt het zaad voor de laatste maal grondig uitgespoeld. Nadat het overtollige water er is uitschud, wordt het geheel uitgespreid op een aantal lagen keukenrol. Zachtjes wordt nu de bovenkant gedept, totdat het aanhangende water is verdwenen. Desnoods kan het zaad nog een keer op een nieuwe laag keukenrol worden overgebracht om verder te drogen. Het kiemzaad kan nu in de koelkast enkele dagen worden bewaard. Maar nogmaals de keim moet ook echt een  kiem zijn .Te lange  kiemen geeft een kans  op nitrit  of nitraat vergiftiging.!!!!!! Het kan niet  genoeg gezegd en geschreven worden.,

Kiemzaad kan ook worden ingevroren zonder de kwaliteit achteruit gaat. Het is wel noodzakelijk het zaad na drogen op keukenrol snel in te vriezen. Het zaad wordt hiertoe uitgespreid op keukenpapier in een brede bak (bv een braadslee). De laag mag niet te dik zijn anders vriest alles aan elkaar. Vries nooit in op keukenrol, dan vriezen er allemaal papierpluisjes vast aan het zaad. Het geheel wordt nu in de vriezer gezet en regelmatig met een vork losgehouden. Na te zijn ingevroren kan het zaad van het papier worden afgenomen. Het zijn dan nog vrij grove stukken. Porties van 250 gram worden overgebracht in een diepvries doos. Als enkele malen krachtig met de doos wordt geschud, zullen de zaadjes los komen. Men kan het kiemzaad dan op deze manier in de diepvries bewaren of al mengen met het (reeds ingvroren) eivoer.

De Urucum van waar ????

rode h1

Van waar de urucum ????:

 

Brazilië brengt een nieuwe mutatie in, men noemt hem “de Urucum“. Urucum staat voor “roodsnavel”. De Urucum is een Braziliaanse plant met rood/rozeachtig gekleurde bollen die inspiratiebron zijn geweest om de nieuwe factor deze naam te geven.

De factor wijzigt niet alleen de kleur van snavel, pootjes en nagels naar oranje, maar werkt ook op de kleur van de bevedering. Een rood intensief urucum lijkt dan op roodivoor intensief met oranje snavel/pootjes. De Urucum is nu “aangemeld” en zal dan minimaal drie jaar volgens de geldende regels geshowd moeten worden aleer ze erkend kan worden.
Roodsnavels hebben we enkele jaren geleden ook al gezien maar dat is toen eigenlijk min of meer doodgebloed. Misschien dat door de gewijzigde bevederingskleur de Urucum wel zal aanslaan. .Info blog Rob Kristel

 

Geheel per toeval heb ik in 2005 en 2006 enkele roodsnavels gekweekt uit één en hetzelfde koppel rode vetstofvogels maar … ben er toen niet mee doorgegaan.
In 2005 alsook in 2006 trof ik toevallig tijdens de kweek in mijn roodvetstofbestand jonge vogels met rode snavel aan telkens bij hetzelfde ouderkoppel.
Ongeveer gelijktijdig werden ook roodsnavels geboren in de roodkweek bij collega’s Wilfried Deyaert en Jozef Van der Meeren. (enkele afbeeldingen van een pas uitgevlogen exemplaar en ook een ietwat ouder jong uit mijn bestand hierbij).
Volgens Johan Van der Maelen zouden de exemplaren met rode snavels in Brazilië zelfs afstammen van Belgische importvogels…. (!) Beknopt mijn bevindingen t.a.v. deze vogels:
* snavel, poten en hoorndelen nagenoeg rood, waarbij de intensiteit van de kleur iets terugloopt met ouder worden;* een zijdezachte bevedering;* een afwijkend rode lipochroomkleur in vergelijking met de klassieke rode vetstofvogels: minder diep, minder glans, eerder iets matter, doch sterk egaal.In de vlucht vielen de urucum-exemplaren onmiddellijk op tussen de overige rode lipochroomvogels.* een afwijkend gedrag in de vlucht.
De vogels vielen ook erg op door hun minder alerte reacties zelfs neigend naar onbeholpenheid ja soms zelfs de indruk gevend van een ‘gestoord evenwicht’. De ‘roodsnavel’-factor moet bij beide oudervogels aanwezig zijn om roodsnavels in de nateelt te kunnen bekomen.Geen van voormelde kwekers is destijds met de kweek van de roodsnavelkanarie doorgegaan. Wilfried Deyaert was de mening toegedaan dat de meerwaarde van deze vogels voor de kanarieliefhebberij uiteindelijk toch te gering zou zijn.
Hieruit blijkt de ‘Urucum’ vermoedelijk toch niet enkel een Braziliaans ‘Unicum’
.‘ Informatie van
blog Frans Begijn.

Reeds lang geleden maakte ik een verslag over deze mutatie. Volgens mijn onderzoek zijn deze ontstaan rond de periode 1986-1987 in de grensstreek België-Nederland.
Wout Van Gils bezat toen reeds deze vogels; nadien zijn ze nog regelmatig opgedoken. Er staan ook foto’s op men eigen blog, WWW.TCColorAOBelgium.skyblog.com , en ook schreef ik er reeds een artikel over dat verschenen is in de Vogelwereld A.O.B. groet Johan van der Maelen.

Cursus deel 1: Het Voorblad.

Beste Vogelvrienden :


Deze cursus kleurkanaries,die u net geopend heeft ,is een wat verouderde cursus over  kleurkanaries maar zeker nog  leerzaam voor  de beginnende liefhebber.Daar ik vrij veel E-mail verkrijg  van beginnende  kwekers ,leek  mij het toch  nuttig  deze cursus  te plaatsen op  mijn site .Zeker  de  jonge  liefhebber kan er voldoende informatie uit  halen om met  kleurkanaries te beginnen,en  in een volgend stadium een  meer resente informatie aan te schaffen  .Die  je  ook zeker  op deze  site  of  bij u  in de  vereniging  en of  federatie zult  vinden. Deze cursus is met  een aantal collega keurders ,in mijn KBOF tijd  gemaakt.

KBOF : KONINKLIJKE BELGISCHE ORNITHOLOGISCHE FEDERATIE :   TECHNISCHE COMMISSIE  KLEUR KANARIES .cursus Algemeen. Deel 1.

Van Gils Wout . J.Ballingsstraat 19 3930 Hamont -Achel Belgie. Tel 011446802

 Albino

 

 

Lessen.

 

KLEURKANARIES.

Cursus deel 2 : Het voorwoord.

VOORWOORD.                                       Deel 2.

Deze map werd samengesteld met als doel een eenvormig lessenpakket te bekomen voor alle kandidaat-kleur kanarie keurmeesters . en voor die liefhebbers die geïnteresseerd zijn in houden en kweken van kanarie vogels in het algemeen. Bij het opstellen werd betracht om alle factoren die bij de kleurkanaries van toepassing zijn, zo kort, eenvoudig, volledig en aan die tijd aangepast weer te geven.

Deze cursus is wat verouderd ,maar zeker nog leerzaam voor de beginnende en minder ervaren liefhebber .Hou hier wel rekening mee. En het blijft  altijd  raadzaam bij uw  federatie de  standaard kleurkanarie,s aan te  kopen  .Om meer gegevens  te weten over de  door  u te  kweken vogels te verkrijgen.

Literaire hulp werd gevonden in volgende werken : 

“Kleur- en postuurkanaries” door G . Goeyvaerts en G. Lelievre.Uitgave K,.B.O.F.
“Handleiding voor de kleur kanariekweker” door H.J. Veerkamp
.
Tijdschrift “De Witte Spreeuwen”, K.B.O.F.
 

Tijdschrift van de vereniging voor Nieuwe Kleurkanaries, Geel. VVNK. 

Tijdschrift “Onze Vogels”, Nederland. 

        Tijdschrift “De Vogelwereld” AOB 

         Kanarie artikels van W.van.Gils .( Kanariehomepage ) 

 

Met dank om hun medewerking, collega keurmeesters Kbof : 

     

Van Gils Wout (Lessen bewerkt in 1998/99)

Belien jacky

Janssens Frans

Vandevoorde Walter

Van Overvelt Jan

Kenens Jean,                                                           

Voor de technische commissie,

.

Belien J. / Gils van W

Cursus Deel 3 : Inhoud opgaven.

geelmozaiek koppel


INHOUDSOPGAVE .

 

  1. 1. Erfelijkheid.
  2. 2. Intensief en schimmelfactor.
  3. 3. De klassieke blauwfactor.
  4. 4. Pigmentvorming.
  5. 5. De gemelaniseerden (klassieke kleuren).
  6. 6. De vetstofkleurigen.
    1. 1. De geelfactor.
    2. 2. De roodfactor.
    3. 3. De mozaïekfactor.
    4. 4. De dominant witfactor.
    5. 5. De recessief witfactor.
    6. 6. De ivoorfactor.
    7. 7. Vetkleurigen met rode ogen.
    8. 7. De nieuwe kleuren.
      1. 1. De pastelfactor.
      2. 2. De grijsvleugelfactor.
      3. 3. De opaalfactor.
      4. 4. De phaeo- of inofactor.
      5. 5. De satinetfactor.
      6. 6. De topaasfactor.
      7. 7. De eumo.
      8. 8. De onyx.
      9. 9. Geschiedenis van de kleurkanarie.

10. Het keuren van kanaries.

11. Keurbriefje voor de kleurkanarie.

12. Benaming onderdelen van de kleurkanarie.

13. Fouten in vorm ,bevedering enz.

14. Lijnenteelt ofwel de stamkweek.

15 Wat is nu een stam.

16. De C.O.M en com tabel.

17. De oude en nieuwe kleurkanarie benaming.

18 . Kanaries houden (korte richtlijnen)

19 . Vogelshow vergelijk daar uw vogels eens.

Cursus Deel 4 : De erfelijkheid .

veren donsveren

ERFELIJKHEID :                          Deel 4 :

 Doelstelling : 

Iedereen die met kleurkanaries te maken krijgt, of het nu om het kweken, tentoonstellen of keuren gaat, kan niet om dit eerste hoofdstuk heen. Hierin kan men zich oneindig ver verdiepen. Men kan verder ingaan op de celstructuur, de juiste ligging van de genen op de chromosomen, enz. .. Ieder die dit wenst kan hierin interessante doch moeilijk te verteren informatie krijgen. Toch moet men, als wij de vererving bij de kleurkanaries willen volgen, de basisprincipes van de erfelijkheidsleer onder de knie krijgen.Heel veel leven op aarde ontstaat doordat een mannelijke zaadcel versmelt in een vrouwelijke eicel. Deze laatste ontwikkelt zich verder door celdeling. In deze cel zitten chromosomen. Op deze chromosomen zitten dan weer genen.   Deze genen zijn nu juist voor ons het belangrijkst, omdat zij de dragers zijn van alle erfelijke factoren. Het zijn bijgevolg deze genen die de band vormen tussen de jongen en hun ouders. De eigenschappen (bij het genotype, niet bij het fenotype) van de nakomelingen worden verder bepaald door voeding, huisvesting, klimaat, e.d.

De vogel die wij zien met alle uiterlijke kenmerken, noemen wij het FENOTYPE. Als voorbeeld nemen we een groene kanarieman verervend voor pastel. Het fenotype is hier groen, omdat van buiten uit niet te zien is dat hij verervend of anders gezegd, split is voor pastel.

Naast het fenotype, zeg maar de uitwendige verschijningsvorm, spreekt men over het GENOTYPE. Het genotype is zoals de naam het al laat vermoeden, het type zoals de genen dit bepalen. Nemen we terug hetzelfde voorbeeld als daarnet, dan zien we dat onze groene man / pastel als fenotype groep is zonder meer, maar als genotype in staat is de pastelfactor verder door te geven aan zijn nakomelingen.

U ziet, Dit is allemaal te voornaam om er als keurmeester geen aandacht aan te besteden.Een kleurkanarie keurmeester moet geen natuurkundige of bioloog zijn, dat hoeft ook niet, maar hij moet toch een zekere basiskennis over erfelijkheid bezitten. Dit moet om zich op keuringen, lezingen of leeravonden ook op dit gebied te kunnen verantwoorden.Daarom, en vooraleer met de eigenlijke cursus te starten, volgt dan ook eerst een kleine beschouwing,hoofdzakelijk over de erfelijkheid bij kleurkanaries.

Algemeenheden, zoals de wetten van Mendel of de verschillende celdelingen en noem maar op, worden geacht gezien te zijn in de algemene cursus over vererving die elk kandidaat vooraf moet gevolgd hebben. We komen er dus verder niet specifiek op terug !We weten reeds uit de cursus van genetica of erfelijkheidsleer, dat de meester levende wezens zijn samengesteld uit miljoenen lichaamscellen, dus ook onze vogels.

Regelmatig sterven er cellen af, maar terzelfder tijd komen er nieuwe bij. Het voornaamste wat wij moeten onthouden over de inhoud van de cellen is dat er zich in hun celkern een bepaald aantal chromosomen bevinden met daarop zittend de genen. Die de dragers zijn van al onze erfelijke eigenschappen. Op ieder chromosoom bevinden zich duizenden genen.Het aantal, de samenstelling en de inhoud van die chromosomen is afhankelijk en veranderlijk bij elk levend wezen.Een mens bezit er normaal 46, een grasparkiet 26, en een kanarie 18.

Ze komen voor in HOMOLOGE PAREN, die in overeenstemming met elkaar zijn opgebouwd. Een chromosoom bestaat uit twee identieke chromatiden en bezit de vorm van een ineengevlochten spiraal. Een kanarie bezit dus 9 paren (dus 36 chromatiden)

Een paar chromosomen zijn GESCHACHTS CHROMOSOMEN. E acht anderen noemt men AUTOSOMEN. Op de geslachtschromosomen. De acht anderen noemt men AUTOSOMEN. Op de geslachtschromosomen liggen alle eigenschappen of factoren, die volgens het geslacht van de vogel, man of pop, vererven. Deze factoren zijn vastgekoppeld aan het geslachtschromosoom X.

Een man bezit twee geslachtschromosomen : XX.

Een pop bezit 1 geslachtschromosoom X en 1 is ledig, nl. Y.

Deze factoren of eigenschappen vererven geslachtsgebonden.

Alleen bij volgels en vlinders heeft de man XX en de pop XY,

Bij alle andere levende wezens is het net andersom : mannelijk is XY, vrouwelijk is XX. 

In formulevorm :

 

Man =   X/ alle geslachtsgebonden verervende factoren

             X/ alle geslachtsgebonden verervende factoren 

Voorbeeld 1 : Een agaat pastelman =   X/ agaatpastel

                                                            X/ agaatpastel 

Voorbeeld 2 : Een agaat pastelman split isabel = X/ agaatpastel

                                                                         X/ isabelpastel 

 

pop =  X/ alle geslachtsgebonden verervende factoren

            Y/  ledig 

Voorbeeld : een agaat pastelpop = X/ agaatpastel

                                                      Y/ 

Uit bovenstaand blijkt dat een pop in tegenstelling tot een man NOOIT verervend kan zijn voor zulke factoren !!! 

Een pop is altijd fokzuiver of HOMOZYGOOT voor geslachtsgebonden factoren. M.a.w. al de geslachtsgebonden eigenschappen die ze bezit toont ze ook in haar uiterlijk. Ook mannen kunnen fokzuiver zijn voor deze factoren, maar die moeten beide chromosomen van het paar een gelijk bezit vertonen, zoals de agaat in voorbeeld 1.

Bezit een man evenwel op zijn tweede chromosoom een andere factor, zoals in voorbeeld 2 (isabel), dan is die man niet fokzuiver (= HETEROZYGOOT) voor die bepaalde factor of eigenschap. Hij zal dus de agaatfactor als sterkste uiterlijk tonen, terwijl hij de isabel factor als zwakste van de twee latent of onzichtbaar, maar verervend, in zich zal dragen (= split). Deze man kan dus zowel gameten vormen voor agaatpastel als voor isabel pastel !Gameten zijn, ter verduidelijking, ei- of zaadcellen met een half aantal chromosomen, dus juist voor de bevruchting. Een cel na de bevruchting noemen we zygoot.

Men kan stellen dat agaat DOMINANT (= overheersend) is t.o.v. isabel of anders gezegd : isabel is RECESSIEF (= terugtredend) t.o.v. agaat.

Naast dat ene paar geslachtschromosomen bevat een kanariecel, zoals reeds aangehaald, nog acht autosome-chromosomenparen.

Kleur en tekening worden bij de kleurkanaries geregeld door slechts een vijftiental verschillende factoren. Enkele ervan bevinden zich, zoals we zojuist hebben gezien, op de geslachtschromosomen en vererven dus geslachtsgebonden. Factoren die op een zelfde chromosoom liggen noemen we GEKOPPELDE FACTOREN, en hoe dichter ze bijeen liggen, hoe sterker ze gekoppeld zijn (fig. 4).

De overige factoren bevinden zich verspreid over de verschillende autonome chromosomen, ze zijn dus meestal niet met elkaar gekoppeld en vererven onafhankelijk van elkaar. We noemen ze ONAFHANKELIJK VERERVENDE FACTOREN. Ze komen voor bij man en pop, zonder onderscheid.

Onafhankelijk verervende factoren kunnen wel invloed uitoefenen op elkaar. Ze zijn in staat elkaars werking te maskeren of te verhinderen en ook kunnen ze jun verschillende werkingen in een vogel verenigen 

Voorbeeld :

Een gele kanarie die ook de dominant-wit factor krijgt, wordt uiterlijk dominant wit. Het geel blijft evenwel gemaskeerd aanwezig. 

Waar we gekoppelde factoren aanduiden op een volle deelstreep, doen we dit hier bij onafhankelijke verervende met een onderbroken deelstreep per factor.

Merk evenwel op dat bij autosome chromosomenparen ook in uitzonderlijke gevallen gekoppelde factoren kunnen voorkomen. Ze worden hier dan ook op een zelfde deelstreep geschreven.O.a. roodfactor en geelfactor, die altijd gekoppeld blijven, omdat hun genen ook praktisch naast elkaar liggen o.a. een zelfde autosoom chromosoom. 

Voorbeeld 1 : Roodagaat-pastel opaal ino man =  

                        X/ agaat-pastel opaal ino geelrood

                        X/ agaat-pastel opaal ino geelrood 

Voorbeeld 2 : Roodagaat-pastel opaal ino pop =

                        X/ agaat-pastel opaal ino geelrood

                        Y/                    opaal ino geelrood

Cursus Deel 5 : De crossingover.

Crossing-over van factoren : Deel 5. 

Dit is het breken en terug, maar verkeerdelijk aaneengroeien van chromosoomstukken ! 

We moeten grote bewondering hebben voor de natuur, maar toch loopt daar ook soms iets fout. Zo ook bij het uiteengaan van homologe chromosomenparen in zaad- en eicel juist voor de bevruchting, waar het aantal chromosomen eerst tot de helft moet worden gereduceerd om uiteindelijk na de bevruchting in de kiemcel of eerste lichaamscel terug tot het oorspronkelijk juiste aantal chromosomen te kunnen komen.

fig 1 Deel 5 crossing

            Figuur 2                                                                    Figuur 3 

Verloopt die splitsing normaal, zoals bij figuur 2, dan blijft achteraf factor A verder gekoppeld aan factor B en A’ aan B’.Meestal gebeurt evenwel dat stukken van een chromosomenpaar elkaar overdekken of zelfs ineengestrengeld zijn, zodat bij het splitsen of uiteentrekken breuken kunnen ontstaan. Door een speling van de natuur groeien dan veelal de verkeerde stukken aan elkaar en plots zien we dat er zich alzo een gewijzigde factorenbezit heeft kunnen voordoen.

fig 2 Deel 5Bij figuur 3 zijn A B en A’ B’ niet meer gekoppeld. Ze liggen dus niet meer op hetzelfde chromosoom, maar wel de factoren A’ B en A B’ zijn samengekomen.

Dit verschijnsel noemen we crossing-over of overkruisen van factoren. Het voorbeeld, dat is besproken, is een enkelvoudige crossing-over. Bij meer breuken kunnen er zich meervoudige uitwisselingen van factoren voordoen en speelt de plaats die de factor (of het gen) op de chromosomen inneemt een belangrijke rol om tot crossing-over te kunnen komen. Sterk gekoppelde factoren, die dus zeer dicht tegen elkaar aanliggen op het zelfde chromosoom, zullen veel minder aan crossing-over onderhevig zijn dan zwak gekoppelde. Omdat de afstand tussen sterk gekoppelden te weinig ruimte laat voor een eventuele breuk (fig. 4).

 Crossing-over kan zowel voorkomen bij geslachtschromosomen als bij autosomen, dus zowel bij geslachtsgebonden verervende als bij onafhankelijk verervende factoren.Het spreekt voor zichzelf dat, voor wat betreft kleur en tekening, alleen de eerst genoemden zullen van nut zijn. De anderen liggen te veel verspreid op verschillende autosome chromosomen om tot crossing-over te kunnen komen. Bij poppen kan zich tussen geslachtschromosomen geen crossing-over voordoen, omdat ze er slechts 1 bezitten. 

Allelomorfe factoren : 

Afgekort : “allelen”.Crossing fig 5Dit zijn factoren die elkaars allele vormen als ze liggen op eenzelfde overeenkomstige plaats, op een zelfde focus van beide chromosomen van een homoloog paar.

Z+ en z+, rb+ en rb zijn voorbeelden van allelomorfe factoren.
Rb is de mutant van rb+, de wild- of oervorm of ook nog de wildallele van rb.

Een mutant is een product van een mutatie, een plotse natuurlijke verandering van de wildvorm 

Multiple allelomorfe factoren : 

Zijn naar alle waarschijnlijkheid zeer belangrijk bij het ontstaan en de vererving van onze nieuwste kleurslagen o.a. bij de satinet en de topaas, en in principe ook bij de intensief- en blauwfactor.Het woord zegt het zelf, het zijn allele factoren die door verschillende mutaties meerdere toestandsveranderingen (twee of meer) kunnen ondergaan. 

Voorbeeld : Nemen we aan dat factor x+, in wildvorm verantwoordelijk voor zwarte vleugels, eerst muteert in x1 = grijze vleugels en vervolgens in x2 = bleke vleugels. x+ is hier dus een fictief voorbeeld van een multiple allelomorfe factor.

 crossing Fig 6

Figuur 6a 

De juiste oorzaak over ontstaan van zowel de satinet als de topaasfactor is weliswaar nog niet met volledige zekerheid achterhaald, maar toch laat alles vermoeden dat in beide gevallen een multiple allelomorfe factor of toch zeker een verwante vorm ervan aan de basis zou liggen. Bij een normale multiple allelomorfe, zoals hierboven beschreven, komen alle mutanten rechtstreeks uit dezelfde wildvorm factor, wat bij satinet en topaas niet volledig het geval schijnt te zijn. Hier zou dezelfde fictieve wildvorm x+ eerst muteren naar x1, dewelke op zijn beurt zou verder muteren naar x2.Dus ook hier vindt de factor x2 in feite nog altijd zijn oorsprong in de wildvorm x+, zij het dan weliswaar onrechtstreeks.

Cursus Deel 6 :Intensief of Schimmel.

  1. Rood intensiefRood schimmel
  2. 2. DE INTENSIEF- EN SCHIMMELFACTOR. Deel 6. 

De ene noch de andere is op zichzelf een kleur, ze zijn wel kleur beïnvloedende factoren die we, omdat ze zo voornaam zijn, als eerste zullen bespreken.

Ze komen voor bij alle vogelsoorten en zowel bij de vetstofkleurige als bij de gemelaniseerde vogels.De intensief factor of de schimmelfactor zal o.a. mede bepalen of een gele kanarie goudgeel of strogeel, en een groene, groen of goudgroen wordt.De intensief factor heeft twee hoofdeffecten op het kanarie-uiterlijk. Hij werkt kleurverdiepend en heeft een remmende werking op de bevedering groei. Als neveneffect mogen we stellen dat hij een phaeobruin verdringend karakter bezit.(Ten gevolge van de remmende werking op de bevederings groei, zijn de veren korter en zodoende is er geen plaats meer voor pheamelanine.)

 Deel 6 Fig 1

1e effect : 

Kleur verdiepen, zowel op de melanisatie (tekening) als op de vetstofkleur (grondkleur).Bij intensieve volgens is de carotinaoide-lipochroom of vetstofkleur doorgedrongen tot in de toppen van de baarden, bij niet-intensieven zijn deze kleurloos.De kleurintensiteit is mede afhankelijk van de bevederings lengte : hoe korter de bevedering, hoe sterker de kleurdiepte.Zo zijn de bevedering van rugdek en kop korter en dieper doorgekleurd dan de bevedering van flanken en nek, die normaal iets langer uitvallen.We kunnen het zo zien dat een zelfde hoeveelheid kleurstof verdeeld over een klein veertje, dit meer zal kleuren dan diezelfde hoeveelheid verdeeld over een grotere veer. 

2e Effect : 

De intensief factor bezit een remmende werking op de bevederings groei.

Dit verschijnsel is reeds te constateren bij nestjongen, waar intensieve jongen beduiden minder donsvorming vertonen dan hun niet-intensieve broers of zusters.

De bevedering van intensieve vogels is dan ook korter en dunner en hun verschijningsvorm kleiner en fijner.Dat de intensief factor een phaeobruin verdringend karakter bezit, blijkt uit het feit dat intensieve volgens doorgaans minder omringen bruin (rond de bestreping) vertonen dan schimmelvogels.Opmerking : De aanwezigheid van een dubbele intensief factor in de kiemcel heeft een lethale (= kiemdodende) werking. Deze lethaliteit moeten we evenwel in de praktijk met een korreltje zout nemen, omdat we 100 % intensieve vogels toch niet aanhouden voor de kweek omdat ze te klein zijn en een te schrale bevedering bezitten. Als regel geldt dat korte bevedering gelijk is aan intensief. Maar er bestaan ook lang bevederde intensieve vogels, waarbij de catoninoide kleur volledig is doorgedrongen tot in de toppen van de baarden. (Wat de graadmeter is van intensiviteit !) 

Gradaties : 

Sterk intensief :  Heldere diepe kleur, kleine gestalte (t.o.v. een even grote schimmelvogel), schrale bevedering met meestal open plaatsen o.a. oogstreep.

Normaal intensief : Heldere diepe kleur, mooie strakke, gladde en goed gesloten bevedering zonder enige vorm vanschimmel .

Matig intensief :  Hier beginnen er zich reeds schimmelsporen te manifesteren op de rug, nek, keel en in de flanken. 

Zwak intensief : Schimmelvogels gaande van licht tot zwaar schimmel. 

Bij schimmelvogels is, zoals reeds aangehaald, de catoninoide kleurstof niet doorgedrongen tot in de baardtoppen. Deze zijn kleurloos, waardoor er over e vogel een witte waas komt te hangen, schimmel genoemd. Deze moet zo egaal mogelijk verdeeld zijn over het ganse lichaam, maar meestal zien wij op bepaalde plaatsen, vooral in de nekstreek, sterkere schimmelconcentraties optreden dan elders. De borst en de kop daarentegen vertonen meestal minder schimmel.

Schimmelvogels zijn langer en dikker bevederd en tonen daarom groter en forser dan intensieve vogels.

Verervingsvorm en formules : 

De intensief facotr (I) vererft intermediair dominant op zijn wildvorm, de schimmelfactor (I+). 

I+ = schimmel                       I  = intensief                               I = lethaal (niet levensvatbaar)

I+                                           I+                                                 I

 

Theoretisch kan de intensief-, schimmelfactor voorkomen in alle gradaties tussen 0 en 99 %.

Cursus deel 7 : De Blauwfactor.

  1. DE KLASSIEKE BLAUWFACTOR.           Deel 7. 

Deze factor, ook wel citroenfactor of “optische factor” geheten of kortweg “blauwstructuur”, veroorzaakt met name een “structuurverandering” : de baarden van de veer, met name de bewolkte zone, zou hierbij een grote rol spelen !

 Deel 7 blauwfactor

 Figuur 8b


De dikte en de inhoud, dus de structuur van deze bewolkte zone zou door de klassieke blauwfactor zo veranderen, dat hoofdzakelijk de blauwe lichtstralen uit het lichtspectrum erin opgevangen en gediffuseerd (verspreid) worden. Zoals U nog wel weet uit de fysika is het licht dat we kleurloos zien, samengesteld uit alle kleuren die er zijn en die we via een prisma zichtbaar kunnen maken.
We kunnen het zo stellen dat die bewolkte zone door haar dikte in nannometer (10­- meter) is afgestemd op de golflengte van blauw licht ook in nannometer. De vauoles of optische holten zorgen voor diffusie van deze blauwe lichtstralen zodat uiteindelijk in de bovenste bewolkte zone een blauwe waas ontstaat. In de naar-ons-oog-toe-teruggekaatste lichtbundel zien we nu de blauwe kleur als het ware versterkt.

Vergelijking met de opaalfactor : 

Door de niet-gemelaniseerde kern bij vogels met een klassieke bevedering (waaronder ook deze met klassieke blauwfactor) is het spiegeleffect hier veel kleiner dan bij de opalen waar ten eerste de kern sterk is gemelaniseerd, zodat de speigelwerking in combinatie met de bewolkte zone en de vacuoles veel krachtiger zal worden teruggekaatst naar ons oog toe. En ten tweede bevat de cortex bij opalen zeer weinig donkere kleurstof zodat die blauwe schijn er nog duidelijker zal doorheen komen. Hiermede kunnen we stellend at de klassieke blauwfactor slecht een heel zwakke blauwstructuur bezit t.o.v. de opalen. , theoretisch ongeveer 10 x minder. De opaalfactor wordt de niet-klassieke blauwfactor genoemd ! 

Bij vetstofkleurige vogels zal de inwerking van de blauwfactor een veel minder zichtbaar effect opwekken dan bij gemelaniseerden, omdat hun kleurbepalende baarden ervan donkere melanisatie bezitten, zodat het terugkaatsend vermogen veel kleiner zal zijn. Het is hier uitsluitend de aanwezige vetstofkleur in de cortex der baarden die de zwakke groenblauwe waas zal beïnvloeden. 

1e effect : 

De blauwfactor veroorzaakt een blauw-groenachtige blinkende waas in de bevedering van elke gele kanarie, sterk bij gemelaniseerden en zwakker bij niet-gemelaniseerden. Een gele kanarie wordt dus citroengeel, een groen wordt slecht echt groen als hij in het bezit is van een sterke blauwfactor !

Bij schimmelvogels heeft de citroenfactor op de kleurloze witte baardtoppen, die overdekkend werken, minder vat. Alleen op intensievere plaatsen kan hij zichtbaar zijn. 

2e effect : 

De klassieke blauwfactor verdringt de bruine phaeomelanine en zet ze om in eumelanne, m.a.w. het omliggende bruin verdwijnt en de zwarte of bruine tekening verdonkert.

– Bij isabel en bruin wordt ze harder bruin (grijzer)

– Bij agaat- en zwartreeks wordt ze zwarter.  

Opmerking :

De omzetting van phaeomelanine naar eumelanine geschiedt tijdens het ruiproces, waarschijnlijk langs hormonale weg. Jonge blauwe, groen en bronzen kanaries bezit en voor de jeugdrui veel bruin. Er na is dit bruin geheel of gedeeltelijk verdwenen en omgezet in tekening. Het bruinbezit in de grote veren verdwijnt slechts na de eerste grote rui !De klassieke blauwfactor is ook geen mutatie, zoals b.v. de eerste reductiefactor of de satinetfactor of de pastelfactor dit wel zijn. Hij kan hoogstens alleen de keur van de tekening en haar omgeving beïnvloeden. Maar de kleurslag van de vogel zelf wordt er niet door veranderd ! 

Effecten van blauwfactor op de klassieke melanie reeksen.

 

  1. 1. De zwartreeks : Om deze vogels zo donker mogelijk te maken moet de blauwstructuur     aanwezig zijn.

 

Bij de zwart wit :   B+             zwart wit schimmel B+       zwart wit intensief B

                            B+                                             B                                     

 

Bij de zwart geel   B+             zwart geel schimmel B+   zwart geel intensief B

                                     B+                                                                   B                                  B

 

 geen blauwfactor                   enkelvoudige factor                 dubbele factor

 

  1. 2. De agaatreeks :

 

  1. 3. De isabelreeks : In tegenstelling tot wat velen denken, is ook hier doorgaans een klein  blauwfactor gewenst, ook weer net genoemd om het overgebleven bruin weg te werken en de gereduceerde tekening iets te accenturen !
  2. 4. De bruinreeks :   Hier heeft het weinig zin om de blauwfactor in te voeren. Hij vormt een vloek voor bruin. Een mooie warm-bruine kleur wordt onder invloed van de optische factor harder en grijzer ! 

Op gemelaniseerden met witte ondergrond uit de citroenfactor zich als een grijsblauw blinkende schijn.Op witte kleurkanaries heeft die factor weinig vat. Hij maakt het wit hoogstens iets harder van tint.Rode kanaries worden doorgaans paarser. 

Verervingsvorm en formules. 

Zou onafhankelijk en intermediair dominant vererven en kan zowel bij man als bij pop in alle gradaties tussen 0 en 99 % voorkomen.

B   = door klassiek blauwfactor veranderd totaal melanine bezit.

B+ = totaal melanine bezit zonder de klassiek blauwfactor. 

B+ = geen werking, de vogel vertoont veel bruin.

B+

 

B+ = enkelvoudige werking, de vogel vertoont minder bruin, de tekening wordt donkerder en de

B   =     bevedering gaat meer blinken. Er is dus reeds een duidelijke omzetting van bruin naar zwart 

B   = dubbele factorwerking, mooiste groenen en blauwen, waaruit het meeste phaeobruin is

verdwenen. De vogels zijn op het donkerst ! 

Eindbeschouwing. 

De klassieke blauwfactor is en blijft een moeilijk te begrijpen duistere eigenschap, waarover in onze liefhebberij reeds veel is te doen geweest … en nog zal te doen zijn !Zo werd er o.a. onlangs nog in het Nederlandse maandblad “Onze Vogels” een nieuwe modernere theorie gepubliceerd. Men verwerpt er onze stelling als dat de blauwe schijn, de blauwfactor eigen, zijn oorsprong zou vinden in een lichtweerkaatsing op de met lucht gevulde holtes (vacuoles) in de bewolkte zones der contourveer baarden.Volgens hen zouden vogels met een sterke blauwstructuur zelfs helemaal geen bewolkte zones, dus ook geen vacuoles, bezitten !De blauwfactor eigenschappen zou eerder zijn oorsprong vinden in het feit dat de baardtoppen der contourveren bij deze vogels een gekeratiniseerde, plastiekachtige bekleding zouden bezitten die op een donkere achtergrond en in combinatie met het invallende licht, een groenblauwe schijn opwekken.Welke stelling nu uiteindelijk wetenschappelijk als de meest juiste mag aanzien worden, maakt voor ons liefhebbers weinig uit. In beide gevallen blijft het resultaat hetzelfde en dat is het voornaamste ! 

De juiste Verervings vorm van de klassieke blauwfactor blijkt ook twijfelachtig.Wat we hierover hebben gezien is zowat de versie zoals ze in de meeste werken voorkomt o.a. ook in het boek van wijlen Dhr. Veerkamp. Men stelt er o.a. dat de klassieke blauwfactor B, met zijn onafhankelijke Verervings vorm, de mutant zou zijn van de bruine phaeomelaninen B+, die dan dus ook onafhankelijk zou moeten vererven. Daar waar altijd is gesteld en ook meermaals praktisch is bewezen dat beide melanine-soorten (eu en phaeo) geschlachtsgebonden vererven. Van een controverse gesproken !Ons lijkt het veel eenvoudiger om gewoon B+ voor te stellen als het totaal melanine bezit (eu en Phaeo van de vogel naar wildvorm (dus zonder blauwstructuur) en B als het door de klassieke blauwfactor veranderd totaal melanine bezit. (Phaeomelanine bezit vermindert, eumelanine bezit vermeerdert) B+ en B vererven onafhankelijk intermediair. Intermediair omdat het praktisch is bewezen dat de jongen komende uit een paring van een partner met blauwfactor met een partner zonder blauwfactor, allen een +/- intermediaire blauwstructuur-tussenvorm zullen verkrijgen

Cursus Deel 8 : Pigmentvorming.

 PIGMENTVORMING .                                                      Deel 8. 

 A.  Melanine. 

Om volledig te zijn en om beter de veranderingen in het melanine bezit bij kleurkanaries te kunnen begrijpen, zijn we verplicht iets dieper in te gaan op zowel de vorming van die kleurstoffen in de lichaamscellen als naar hun uiteindelijke bestemming in de verven.  Het zijn, zoals meestal met al die lichaamsprocessen het geval is, voornamelijk aminozuren en enzymen (beide zijn eiwitsoorten), die aan de basis liggen van zowel de vorming van eu- als van phaeomelanine.  Het aminozuur TYROSINE zou de oorsprong vormen voor beide soorten.  De namen van al de andere scheikundige stoffen die mogelijk ook een rol kunnen spelen in dit proces zijn voor ons minder voornaam.  De voornaamste geven we in het schema weer als louter documentatie. 

Figuur 9

Deel 8 Fig 1

Zoals U ziet zijn Tyrosine en het enzym Tyrosynase bepalend voor het ontstaan van beide melaninesoorten.  Voor de ontwikkeling van phaeomelanine is er slechts de bijwerking van een ander aminozuur (Cysteine) nodig.Bij de vorming van eumelanine zijn de zaken ingewikkelder.  Hier spelen meerdere scheikundige stoffen met hun onderlinge reacties een rol .  De reacties zullen t.z.t. ook kleurbepalend werken.Bij beide melanines wordt de werking en inwerking op elkaar van deze verschillende scheikundige stoffen geregeld door het genetisch bezit van de vogel aan eigenschappen in zijn daarvoor verantwoordelijke genen.M.a.w. en ter verduidelijking een voorbeeld  :

Een kanarie embryo kreeg van zowel de vader als van de moeder een sterk, donker bezit aan zwarte eumelanine met zich mee.  Deze eigenschap werd bij dat jong vastgelegd op zijn daartoe bestemde genen, zetelend op beide geslachtschromosomen (eumelanine vererft namelijk geslachtsgebonden).  Welnu, die bepaalde genen gaan er nu voor zorgen dat alle nodige enzymen en aminozuren optimaal gaan werken om bij de verdere ontwikkeling van dat jong een zo sterk en donker mogelijk bezit aan zwarte eumelanine te verzekeren.

Dit aangaande de aanmaak van melanines.  Nu iets meer over de vorming, de ontwikkeling en de verdeling van de melanine korrels zelf.  Melaninekorrels worden na een minder belangrijk per proces uiteindelijk gevormd in melaninecellen, MELNOCYTEN genoemd, die zich bevinden in de huid.  Zijn de meeste van lichaamscellen rond tot ovaal, dan zijn de pigmentcellen dit niet !  Ze bezitten dradige uitsteeksels, DENDRIETEN, waarmee de  in de cel gevormde melanine in fijne druppeltjes naar de veercellen wordt afgezet en verdeel.  Normaal begint eerst de levering van phaeomelanine om daarna, als deze in de randen der veren is verdeeld, over te schakelen op de verdeling van eumelanine.

E overgang geschiedt niet plotseling.  Vandaar de lichtere overgang tussen beide melaninesoorten in !De melaninekorrels in de melanocyten zijn oorspronkelijk kleurloos, maar komen onder invloed van de enzymewerking tot “oxydatie”, d.w.z. tot kleur in de huid. 

B.  Vetstof.  

Bepaalde in voedsel opgenomen carotinoiden of pro-vetstof kleurstoffen, kunnen  onder invloed van enzymen worden omgezet in vetstofkleuren.

Zo wordt de gele grondkleur bij onze kanaries mede gevormd door omzetting van het voedsel LUTEINE bij kanarie, XANTHOPHYL, zijnde het enige voorkomende carotinoide bij de gele kanarie.  Voor de rode kanarie : zie 6.2. De Roodfactor.

Carotinoiden of vetstof kleuren zijn alleen oplosbaar in vetten en oliën en dus niet in water.  Ze bevinden zich in dier en plant.  Carotinoide kleurafzetting in de bevedering vindt plaats vanaf het begin van de veerontwikkeling wanneer de veer kleine en fijne vetstof kleurkorreltjes samen met de melaninekorrels vanuit de melanocyten over de veer worden verspreid en verdeeld.Tot op heden werd algemeen aangenomen dat de vetstofkanaries zouden zijn ontstaan in afwezigheid van het enzyme Tyrosynase, waardoor elke vorm van melanine vorming onmogelijk zou zijn.  Vandaar ook de benaming enzymefactor.

Heden ten dagen is men van deze gedachte afgestapt, omdat men stilaan begon te beseffen dat dit niet mogelijk was.  Immers, bij afwezigheid van het enzyme Tyrosynase, moest ook de oogkleur melanineloos zijn, maar niet roodbruin tot zwart zoals dat bij gewone vetstof kleurige kanaries het geval is.Het ontbreken van Tyrosynase zou ons dus eerder leiden naar echte albino’s, maar die zijn er op dit ogenblik nog niet bij kleurkanaries.

Volgens recente Nederlandse opzoekingen, is het ontstaan van vetstof kleurige kanaries eerder te wijten aan het ontbreken van melanine cellen in hun huid.  Dit kan plaatselijk zijn (=bont) of algemeen (=volledig vetstof kleurig).  In beide gevallen wordt de ontwikkeling van beide melanines niet gestopt,  alleen de verspreiding naar de veren toe wordt onderbroken.  Bij bonte kanariejongen is dit duidelijk merkbaar aan de donkere huidvlekken die ze vrijwel vanaf hun geboorte vertonen op plaatsen waar er zich nog melanine cellen in hun huid bevinden en waar dus achteraf ook donkere gemelaniseerde bevederingsgroei zal optreden.  De ogen houden hun normale donkere kleur, omdat de oogmelanisatie evenals de melanisatie van de hoorndelen uit andere melaninecellen zouden gevormd worden.Dat door deze moderne interpretatie de zienswijze over de enzymefactor E+ zou vervallen, maakt voor ons weinig uit, omdat het eventueel ontbreken melanine cellen in de huid van vetstof kleurige, ook wel met het een of ander falende enzyme zal te maken hebben.  Alleen de interpretatie verandert dan, al de rest, vererving incluis, blijft hetzelfde.

 

 

 

 

 

Cursus Deel 9 : De gemelaniseerde.

 DE GEMELANISEERDEN .                                              Deel 9. 

De voorvader van onze hedendaagse kanarie was de wilde kanarie, een grauwgroen schimmelvogeltje, dat naast zijn goede zangeigenschappen ook alle kleuren in zich droeg die we tegenwoordig kennen.  Behalve natuurlijk het rood, dat door kruising met de kapoetsensijs in de kanarie is gebracht.De kleurkanaries kunnen we onderverdelen in TWEE HOOFDGROEPEN  :

1.         De gemelaniseerden of getekenden.

2.         De vetstofkleurigen of lipochromen.

De benDming “gepigmenteerden”, zoals in vele werken gebruikt voor “gemelaniseerden”, lijkt een onjuiste woordkeuze, omdat zowel melanine als vetstof pigmentkleuren zijn !  M.a.w.  :  vetstofkleurigen zijn ook gepigmenteerden ! De groenen (waaronder ook de wilde kanarie) behoren samen met de blauwen en de bronzen tot de zwartreeks, die op hun beurt met de bruinen, de agaten en de isabellen de klassiek-gemelaniseerden uitmaken:Vogels uit de zwartreeks bezitten naast hun grondkleur, waar we bij vetstofkleurigen dieper op in zullen gaan,  een maximum aan melanines en worden daarom ook wildvorm of oervorm genoemd. Zoals we achteraf zullen zien, zal deze wildvorm als REFERENTIE dienen om alle komende kleurveranderingen te kunne vergelijken en aangeven !Zoals we reeds weten, bezit de wilde kanarie als vertegenwoordiger van de zwartreeks naast een gele vetstofkleur, ook een maximum aan melanie in zijn bevedering.  Deze melanie komt erin voor onder twee verschillende soorten, n.l.  : Zwarte tot bruine eumelanine  :  kortweg zwartmelanine genoemd.  Microscopisch gezien, samengesteld uit staafvormige melaninekorrels van ongeveer 0,001 mm groot en zich voornamelijk bevindend in de staart- en vleugelpennen en in de donsbaarden van de contourveertjes.  De toppen van de baarden bevatten vanaf de as tot ongeveer het midden eumelanine.  Bestudeer daarom de details van de veren in desbetreffende hoofdstuk.Bruin tot lichtbruine phaeomelanine  :  ook bruinmelanine genoemd, is bolvormig en ligt in de toppen van de baarden van vlag en vaan in vleugel- en staartpennen, alsook in de baardtoppen van de contourveertjes (zie tekening).    Samengevat  :  De eumelanine maakt de tekening uit en de phaeomelanine ligt er verspreid rond !

Deel 9 fig 1 

                                                             Figuur 10 

In formulevorm  : 

De zwartreeks =  z+rb+    (bevindt zich op de x-chromosoom)
Het + teken wijst er ons op dat er zich nog geen verandering heeft voorgedaan, in de kleursamenstelling, m.a.w. de wildvorm is nog aanwezig.
z+   = Zwart eumelanine-bezit naar wildvorm
rb+=  Bruin phaeomelanine naar wildvorm

De agaatreeks  =  z+rb     (bevindt zich op de x-chromosoom)
Door het optreden van een mutatie bekwamen we uit twee groenen plots een agaat.  Het bruine phaeomelanine is hier verminderd of gereduceerd tot heel lichtbruine phaeomelanine.  Dit wordt ook de eerste reductiefactor genoemd.
Rb  =  reductie bruin.
Let wel  :  met reductie bruin wordt uitsluitend de reductie van het bruin phaeomelanine bedoeld.  Dit om later alle mogelijke misverstanden te vermijden met het andere bruin,  het bruin eumaline dat we zullen bekomen door een tweede mutatie, namelijk  :

De bruinreeks  =  z rb+   (gelegen op het x-chromosoom)
Het verdwenen + teken bij z geeft hier weer aan dat er een wijziging is gebeur t.o.v. de wildvorm.  De zwarte eumelanine (z+) is bruin eumelanine (z) geworden.
Was er bij de agaten en bij de bruinen sprake van mutaties, bij onze volgende kleurslag gaat het meer om de schranderheid van de Heer Helder, een Nederlander, die, zich steunend op de erfelijkheidsleer; de twee eerder geziene mutaties wist te verenigen in de …

De isabelreeks  =  z rb    (weer gelegen op de x-chromosoom)
Hier komen we tot kanaries die dus de mutaties van agaat en bruin zichtbaar in zich verenigen.Deze isabellen zijn dus niet ontstaan uit een mutatie, maar uit een weloverwogen paring van een bruine man x een agaat pop.  Daaruit kwamen groene passe-partout mannen en bruine poppen.  Uit deze groene PP-mannen kwamen een jaar later, na crossing-over; o.a.: isabel dochters.  Ook de omgekeerde paring is mogelijk  ! 

            X/z+rb (1)                  x                      X/z  rb+  (3)

            X/z+rb (2)                                          Y

            = agaatman                                         = bruine pop 

1° mogelijkheid  :  1 – 3  = X/z+rb =  groene zonen, split voor agaat, bruin en isabel !
                                         X/z rb+
            Dit is een passe-partout man en kan volgende gemeten vormen en afgeven  :
             rechtstreeks  :  z+rb  =  agaat
                                               z rb+ =  bruin

– na crossing-over van z+ en z, of rb+ en rb

                                               z rb   =  isabel

                                               z+rb+ = groen 

2° mogelijkheid  :  1 – 4  =  X/z+rb  =  agaat dochters             Y/ 

3° mogelijkheid  :  2 – 3  =  X/z+rb  =  idem als mogelijkheid 1        X/z rb 

4° mogelijkheid  :  2 – 4  =  X/z+rb =  idem als mogelijkheid 2.                                Y/

Opmerking   :

Ook zwart gele mannen, komende uit isabel x groen of omgekeerd, bezitten deze P.P.-eigenschap.  Zij kunnen dus ook de 4 gameten zwart, agaat, bruin en isabel vormen en weergeven in hun nakomelingen. Sterkte tabel  : 

zwartreeks   =  het sterkst, dus dominant

bruinreeks    =  evenwaardig aan agaat

agaatreeks  =  evenwaardig aan bruin

isabelreeks  =  het zwakst, dus recessief.           

Agaat kan dus NOOIT verervend zijn voor bruin en omgekeerd ! 

Deze kleurslagen worden de KLASSIEKE  KLEUREN genoemd. 

Later, door inwerking van andere factoren o.a.: pastel, opaal, ino,  bekwamen we de NIEUWE KLEUREN, maar die behandelen we afzonderlijk.

Voor info over de veren zie  volgende  delen .  

 

Cursus Deel 9 a : Vleugelpen..

Vleugelpen zwartgeel. Deel 9a

Deel 9 Fig 2

 

 

 

 

 

 

 

Cursus deel 9 b : De Staartpen.

Staartpen  Zwartgeel.   ongeveer 70 m/m lang. Deel 9 b

 

Deel 9 fig 3

Cursus Deel 9 c : Donsveertje.

Donsveertje Kanarie. Deel 9c

Deel 9 Fig 4

Cursus Deel 11: Vetstof en mozaiek a.

 Recessief wit

Recessief wit (Engels wit                                Deel 11 a. 

De recessief-wit of engels-wit-factor geeft volledig witte vogels, veroorzaakt door de volledige carotinoide belettende factor cb.De ogen zijn hier terug zwart tot roodbruin.  De hoorndelen leikleurig, zelfs iets naar het lila toe;  Het vel is licht paars-lilakleurig.  Het bloed bij deze kanaries zou ook iets donkerder zijn dan normaal.  De recessief witte kan zelf geen vitamine A aanmaken, zodat dit regelmatig moet bijgevoegd worden om ze in goede conditie te houden.Vererving en formule :De recessief-wit-factor vererft onafhankelijk en recessief en moet dus dubbel aanwezig wijn om zich te kunnen uiten.

            cb+  =  Vetstof

            cb+

            cb    =  Recessief wit of Engels wit

            cb

            cb+  =  Vetstof, recessief wit verervend (split recessief)

            cb

 De ivoorfactor

De ivoorfactor is ook ontstaan uit een structuurwijziging in de vederbouw, zodat de ligging en uitzicht van de vetstofkleuren gewijzigd worden.  De ivoorfactor is dus geen kleur op zichzelf, maar eerder een kleurindruk die men bekomt door de verzinking en de daarmee gepaard gaande intensiteit vermindering van de carotinoidekleur.Hij kan praktisch met alles gecombineerd worden.  Het merkwaardige ervan is, dat hij geen gradaties kent.  Hij werkt of hij werkt niet.  Alleen door verschil in tint van de vetstofkleur zelf, kan zijn kleuruiting veranderen.

Effecten  :

1.   De baarden bezitten een dikkere kleurloze hoornlaag (cortex).

2.   De haakjes van de baarden zijn hier kleurloos wit.  Bij niet-ivoren bezitten ze vetkleurstof.

Door dit dubbel effect krijgen we een lichtere kleurentint te zien ! Het lijkt erop alsof er zich een twee traps verzinking van de carotinoiden heeft voorgedaan.Schimmelvogels met weinig vetstofbezit zijn minder geschikt om te combineren met de ivoorfactor.  Het kleurloze wordt dan veel te sterk.Vererving en formule  :

De ivoorfactor vererft geslachtsgebonden en recessief.

sc  =  Structuur carotinoide

            X/sc+  =  Niet-ivoorman                                 X/sc  =  Ivoorman

            X/sc+                                                         X/sc

            X/sc+  =  Split ivoorman                                 X/sc G  =  Goudgeel ivoorman

            X/sc                                                           X/sc G

            X/sc  r+G+  =  Roze ivoorman                          X/sc  G+  =  (geel) ivoorman

            X/sc  r+G                                                     X/sc  G

            X/sc  r+G+  =  Roze ivoorpop

            Y/     r+G

Vetstofkleurigen met rode ogen. 

Echte “ino”-kanaries, zoals we de inofactor kennen bij bijvoorbeeld onze wildzangvogels en de grasparkieten, bestaan (nog) niet.De inofactor bij deze laatste vererft geslachtsgebonden, terwijl vetstofkleurigen met rode ogen bij onze kleurkanaries onafhankelijk vererven.

Vogels zoals agaatsatinet en isabel- en agaat no, vertonen nog weinig of geen melanisatie in hun uiterlijk.  Alleen hun donsbevedering vertoont nog melanine.  Ze lijken met hun rode ogen dus reeds goed op echte ino’s.  Selectieve paringen met deze vogels alsook met vetstof kleurigen, over jaren verspreid, leverden ons uiteindelijk vetstof kleurigen met rode ogen op zoals we ze heden kennen.De eerste vogels vertoonden nog regelmatig bontvorming, maar tegenwoordig is dit veel minder het geval.  Zelfs de donsbevedering is melanine loos geworden.M.a.w. we kunnen vetstofvogels met rode ogen bekomen door het in kweken van de satinet- of ino-(phaeo) factor in vetkleurige vogels.

–            Satinetfactor  :  Geslachtsgebonden en recessieve vererving.

–            Inofactor        :  Onafhankelijke en recessieve vererving.

–           Gele vogels met rode ogen noemen we lutino.

–           Rode vogels met rode ogen noemen we rubino.

–           Witte vogels met rode ogen noemen we AlbinoWitte vogels met rode ogen oemen   Deze kunnen recessief of dominant wit zijn, al komt laatst vermelde factor praktisch niet voor.Deze kleurslagen vererven onafhankelijk, met uitzondering van de agaat satinetten, die onderling geslachtsgebonden vererven (zie satinet-factor)Hun standaardeisen zijn dezelfde als deze van de gewone vetstofkanaries.

Cursus Deel 12 : De nieuwe kleuren.

Satinet rood mozaiek 1Agaat opaal wit rec

De NIEUWE KLEUREN                       Deel 12.

De pastelfactor                     (2° reductiefactor)

Alle zwarte en bruine eumelanine wordt er door gereduceerd (verminderd).  De werking van deze factor laat zich evenwel het sterkst gevoelen op de bruin eumelanine,welke soms volledig verdwijnt.Door de pastelfactor werking zijn de melanine-korrels sterk in volume toegenomen, ongeveer het dubbele, tot deze bij niet pastellen.Deze volumetoename zou te wijten zijn aan een langer of grotere stimulering dan normaal van de melanine-cellen, waardoor overproductie van eumelanine ontstaat met een vergroten (uitzetten) van de korrels tot gevolg.Meerdere van de melanine-cellen zullen daardoor barsten en afsterven.In feite hebben we hier dus niet te maken met een reductie van eumalanine maar met een overproductie ervan, met toch een uiteindelijke reductie tot gevolg in de bevedering.Bij kleurkanaries met een sterk bezit aan zwarte eumelanine, dus in de zwartreeks, is dit verschijnsel soms zo erg, dat er uiteindelijk zeer weinig zwarte eumelanine in de veren zal terechtkomen.Op die plaatsen, waar normaal dit melanine bezit het grootst is (nl. in de grote veren), zal daardoor een sterke opbleking optreden … zwartpastellen en grijsvleugels !

Effecten :

Op de Zwartreeks  :  De tekening wordt zwart-grijzig, maar onderbroken en minder afgelijnd .De grote pennen zijn nogal eens opgebleekt.

Op de Agaatreeks  :  vervaging, vergrijzing en mindere aflijning; plus meer onderbreking van de tekening.

Op de Bruinreeks  :  De tekening is hier grotendeels verdwenen, vager en minder afgelijnd.  Ook het phaeobruin is iets teruggelopen in kleur.

Op de Isabelreeks  :  tekening is volledig verdwenen, bij intensieve exemplaren en voornamelijk bij mannen blijven veelal nog restanten te zien.

Opmerking   : De pastelfactor kan in vele gradaties voorkomen.Hij werkt dus niet altijd even sterk en verschilt van vogel tot vogel.

Vererving en formule  : 

De pastelfactor vererft geslachtsgebonden en recessief.

                        rz       =  reductie zwart 

                        X/ rz+ =  klassiek / pastel

                        X/ rz 

                        X/ rz  =  pastelman

                        X/ rz 

                        X/  rz  =  pastelpop

Cursus Deel 13 : De grijsvleugel.

Zwart geel grijsvleugel

De grijsvleugelfactor.                                     Deel 13. 

De grijsvleugel factor vinden wij meestal terug bij vogels uit de zwartpastelreeks.  Ook bij agaatpastel zien we nog al eens opgebleekte slagpennen, wat duidelijk te zien is bij geopende vleugels.De grote bijzonderheid bij grijsvleugels vormt de tekening.  De vleugel- en staartpennen moeten parelgrijs zijn met een zo donker mogelijke omzoming van de toppen.  De rug is parelgrijs zonder bestreping, maar met een soort hamerslagpatroon. Men kan het ook omschrijven als een grijs geschubd rugdek met schelpjes in de vorm van pauwogen.  De flanktekening lijkt minder uitgesproken en is gestreepter.  De hoorndelen zijn loodgrijs, zo donker mogelijk.  Het bezit aan bruin phaeomelanine vormt hier een groot probleem.  De eumelaninen zijn sterk gereduceerd, waardoor het bruinphaeomelanine nog beter uitkomt, wat men moet trachten te vermijden door een aangepaste blauwfactorwerking.Het mooiste grijsvleugelpatroon vinden we bij de mannen.

Deel 13 Fig 1 

De invoering van de mozaïekfactor en /of de ivoorfactor, doet bij de grijsvleugels de melanisatie nog beter tot zijn recht komen, maar dan op voorwaarde dat het bruin weg is, wat vooral bij ivoren nogal eens problemen kan opleveren.Vogels die het midden houden tussen zwartpastel en grijsvleugels, t.t.z. zwartpastellen met grijze grote pennen maar met een nog klassiek tekeningpatroon, dus gestreept, noemt men GRIJSVLEUGELTYPES en zijn geen TT-vogels: Verervingsvorm en formules  : 

Dit vormt nog steeds een groot vraagteken.  Zuiver geslachtsgebonden of zuiver onafhankelijk kan het zeker niet zijn.  Er zijn reeds vele veronderstellingen geuit, die nooit bewezen zijn.  We gaan ons hier zelf niet aan een prognose wagen.Tot op heden is het genoeg te weten dat  :Uit grijsvleugel x grijsvleugel komen o.a. ook grijsvleugeltypes.nDe beste grijsvleugels komen uit homozygoot grijsvleugel x homozygoot grijsvleugel.Partners verervend voor agaat; bruin of isabel doen de grijsvleugeleigenschappen gedeeltelijk verdwijnen en geven ons meer grijsvleugeltypes, dus opgebleekte zwartpastellen.Een ding is zeker :de grijsvleugelfactor is zeer sterk gebonden aan de pastelfactor.Tot nu toe heeft men schijnbaar nog geen volledige fokzuivere of homozygote grijsvleugels weten te kweken.

– Alleen in de zwartreeks komen er tot nu toe vogels voor die het gevraagde typische grijsvleugel rug patroon bezitten.

– Willen we echter echte grijsvleugels kweken, dit alleen in de zwartserie, is het paren van pastel x pastel aan te raden.  Met split pastelvogels kweekt men teveel grijsvleugel types.  Dit komt mijn inziens doordat er tot op heden nog geen echter grijsvleugel poppen zijn; dus zijn alleen grijsvleugel type poppen.

– De beste resultaten bekomt men door met homozygote vogels te kweken uit de zwartreeks, anders komen er teveel ongewenste vogels in de nakomelingen.  Dit jaar kweekte ik 160 jongen uit mijn 24 koppels grijsvleugels, maar zelfs met mijn homozygote vogels is het zeer de vraag of ik dit jaar een goed stam bijeen zal krijgen.  Het aantal goede grijsvleugel jongen is dus miniem.

Voor de jeugdrui hebben de jonge poppen wel een mooie grijsvleugel rugtekening.Maar dit verdwijnt met de jeugdrui en wordt teug streperig.  Alleen de opgebleekte pennen blijven.Er is een groot verschil tussen intensieve en schimmelvogels.  De schimmels zijn beter gemarmerd op de rug, doch de staart- en vleugelpennen zijn niet geheel opgebleekt.  Bij intensieve vogels zien we geheel opgebleekte staart- en vleugelpennen omzoomd met een zwarte rand, doch het rugdek is dan niet zo mooi en soms zelfs iets streperig.

Conclusie  :

Alles zal bij de grijsvleugel afhangen van de werking van de aanwezige pastelfactor.  Hoe sterker die zal werken, hoe meer melanine-cellen er zullen afsterven en hoe groter dat het melanine-verlies  zal zijn in de bevedering en dus ook hoe duidelijker het grijsvleugel effect zal optreden.Naar alle waarschijnlijkheid zal men hier nooit over een vaste Verervings vorm kunnen spreken; omdat de grijsvleugel factor in wezen geen factor is, maar een gevolg.

Cursus Deel 14 : De opaalfactor.

Agaat opaal wit rec


De opaalfactor .                                    Deel 14. 

In vergelijking met de baarddoorsnede van een klassieke veer zien we hier bij de opalen een totaal omgekeerde melanine ligging. Opalen dragen hun “jasje” binnenstebuiten. De binnenkant is veel donkerder dan de buitenzijde (=bovenkant). De oorzaak is ook hier terug te vinden in een veranderde veerstructuur.  Deel 14 fig 1.

Baarddoorsnede :Het invallende licht wordt weerkaatst op de bewolkte zone via de vacuoles, juist zoals bij de klassieke blauwfactor, waar ook de dikte van de bewolkte zone via de vacuoles, wat hier gepaard gaat met een blauwe schijn, die veel sterker is dan bij de klassieke blauwfactor door :

  1. 1. Het groter spiegel-terugkaatsing-effect door die zwaar gemelaniseerde donkere kern als reflector, net zoals de zwarte achterkant bij een spiegel.
  2. 2. Door de zwak gemelaniseerde bovenzijde (cortex) zien we het blauweffect duidelijker dan bij de klassieke blauwstructuur, waar de bovenzijde sterker gemelaniseerd is en dus minder doorzichtig. 

Eumelanine gecombineerd met :

            Geel + blauwe lichtstralen geeft groene tint

            Rood + blauwe lichtstralen geeft violette tint

            Wit + blauwe lichtstralen geeft blauw-grijze tint 

Effecten : 

  1. a) Die typische blauwe schijn over het geheel van de vogel.

b) De opaalfactor is een bruinbeletter. Een isabelopaal is een uiterlijk melanineloze vogel.

  1. c) Opalen vertonen een verzonken vervaagde blauw-grijze tekening. 

Neveneffect : 

De bevedering bij voornamelijk zwartopalen vormde vroeger steeds een zwak punt. Gekruiste vleugels en open staarten waren legio. De laatste tijd is hierin evenwel verbetering gekomen. De agaatopalen, die voorheen met hetzelfde euvel hadden af te rekenen; zijn daar nu gelukkig van verlost, o.a. door een selectieve kweekwijze. 

Verervingsvorm en formule :so = structuur opaal

De opaalfactor vererft onafhankelijk en recessief. 

            so+ = Klassiek

            so+ 

            so+ = Klassiek/opaal

            so 

            so  = Opaal

            so

Cursus Deel 15 : De Phaeo factor.

Phaeo bruin rood intensief


De phaeo of inofactor  :                             Deel 15 

De ino- of phaeofactor werkt hoofdzakelijk op ALLE eumelaninen, t.t.z. alle bruine en zwarte eumelanine wordt uit het uiterlijk van deze vogels verdrongen. Alleen het bruin phaeomelaninen blijft over.Deze vogels bezitten rode ogen.Bij de klassieke kleurkanaries hebben de bruinen en de vogels uit de zwartreeks nog een maximaal bezit aan bruine phaeomelanine.Agaten en isabellen werden voor het grootste gedeelte van deze phaeomelanine ontdaan door de eerste reductiefactor.Bij deze laatsten krijgen we; onder invloed van de inofactor vetstofkleurige kanaries, of toch meestal bijna.Afhankelijk van hun grondkleur worden het dan albino’s’ rubino’s’of lutino’s’.Bij de zwartreeks en de bruinen, waar het volledig bezit aan bruine phaeomelanine zich hoofdzakelijk bevindt in de omranding en de tappen van de veren verkrijgen we onder invloed van de inofactor het bekende “phaeo schubpatroon”.  Vandaar hun algemene naam “phaeo’s.

Deel 15 Fig 1

In figuur .De phaeomelanine ligging  In de contour veer. 

Dat schubpatroon vervangt dus bij deze vogels de klassieke rugbestreping.  De flanktekening bestaat hier uit brede rossig-bruine strepen.  De grote veren van vleugels en staart moeten zoveel mogelijk omzoomd zijn.  Jonge vogels laten deze omzoming beter zien dan overjarigen Ook de contourveertjes zijn nog duidelijker omzoomd.Deze factor is gekoppeld aan het geslachts dimorfisme van de pop en komt dan ook veel beter tot uiting bij poppen dan bij mannen!  Phaeo’s zijn ook het mooist bij de ruinen, omdat bij kanaries uit de zwartreeks het schubpatroon meestal te gevlekt of te gestreept overkomt.De omlijsting van de grote pennen daarentegen zal hier vollediger zijn.Bruin ino’s bezitten een bruine donskleur, bij zwart ino’s is dat zwart.Bij de keuring moet bij de ino’s uit de zwartreeks vooral gelet worden op de staart  melanisatie.  Hier treft men regelmatig vogels aan met een foutieve phaeomelanine-ligging, namelijk langs de schacht in plaats van langs de randen. Dit zou wel eens iets kunnen te maken hebben met het ontstaan van een nieuwe mutatie, die we later zullen zien als de Topaas of Centraal melanine.Als TT-eis wordt over het algemeen een zo sterk mogelijk bruinbezit geëist.Toch waar we moeten voor uitkijken, omdat sterk bruin zeker op een witte ondergrond meestal als niet-harmonieus, niet vloeiend overkomt.  Een iets zachtere melanisatie lijkt mij hier op zijn plaats, de tekening primeert !

Verervingsvorm en formules  :

De ino- of phaeofactor vererft onafhankelijk en recessief. 

            Ino +  =  Klassiek/ino

            ino 

            ino   =  Ino of phaeo

            ino 

Als opmerking moet gesteld worden dat de isabel en agaatino’s de basis vormen van de volledig vetstofkleurige roodogen, zoals we ze heden ten dag kennen, via kruising en selectie met klassieke vetstofkanaries.

Cursus Deel 16 : De Satinet.

Satinet geel ivoor intensief


De Satinetfactor                                                           Deel 16. 

De satinet is een mooie mutatie waarvoor nog niet alles is gezegd en geschreven. Heden ten dagen staat het nog niet met zekerheid vast of de satinet factor met de vier klassieke kleuren zwart, agaat, bruin en isabel te combineren is.Volgens de grootste satinetkwekers, mensen met vele jaren ondervinding op dit gebied, komt deze factor slechts voor bij isabellen en agaten en is hij in de agaat- en bruinreeks mogelijk nooit te kweken !uitgebreide opzoekingen en proeven o.a. door de Heer Vermeulen uit Geel, verspreid over jaren, hebben dit praktisch bewezen.Bij de verervings mogelijkheden zullen we daar uitgebreid op terug komen. 

Factorwerking : 

Alle bruine phaeomelanine en alle, tot bijna alle, zwarte eumelanine worden door de satinetfactor uit het uiterlijk van de vogel verdreven. Alleen op de bruine eumelanine heeft de satinetfactor schijnbaar geen vat.Satinetten bezitten rode ogen.Als bijwerking moeten we vermeden dat de satinetfactor werking meestal reeds zichtbaar is bij een latente verervende aanwezigheid ! 

Effecten : 

Agaat satinetten vertonen over het algemeen veel minder overblijvende melanisatie dan isabel satinetten en zijn dus meestal veel sterker opgebleekt.Zoals reeds aangehaald, verhinderd de factor het optreden van zwarte eumelanine en bruine phaeomelanine, zodat theoretisch de agaat satinetten een volledig vetstofkleurig uiterlijk zouden moeten vertonen. Niets is echter minder waar, want veel agaat satinetten laten wel degelijk nog bestreping zien, welke evenwel in duidelijkheid, volledigheid en tint, van vogel tot vogel sterk kan verschillen.Sommige lijken volledig vetstofkleurig, terwijl andere uiterlijk moeilijk te onderscheiden zijn van bleke isabel satinetten. De donskleur; over het algemeen licht beige bij isabel satinet en donkerder (grijzer) bij de agaatsatinet, kan dan uitkomst brengen.Het feit dat sommige agaat satinetten nog tekening tonen komt waarschijnlijk omdat er zich tussen de zwarte eumelanine van de klassieke agaat ook bruine eumelanine korrels bevinden, die na inwerking van de satinetfactor, overblijven en zichtbaar worden !Een tweede mogelijkheid zou kunnen zijn dat de satinet factorwerking tegen zwarte eumelanine niet steeds even radicaal verloopt, zodat er soms nog bij sommige agaat satinetten tekening overblijft. De microscoop kan hier uitkomst brengen.De mooiste satinetten, d.w.z. de meeste isabellen maar ook enkele agaten,bezitten een ietwat klaardere klassieke isabel tekening. De veren zijn daarbij kleurloos omzoomd omdat op die plaatsen alle phaeomelanine is verdwenen. Hij klassieke isabellen en agaten is de phaeomelanine op die plaatsen nog gereduceerd aanwezig.Vogels met een volledige melanisatie worden kortweg “satinet” genoemd. 

Vererving en formules : 

            rm = Reductie melanine, vererft geslachtsgebonden en recessief. 

            X/rm+ = Klassiek/satinet

            X/rm 

            X/rm   = Satinet

            X/rm 

We treffen twee zienswijzen aan voor wat de manier van vererven betreft. 

Mogelijkheid 1

De satinetfactor rm zou sterk gekoppeld zijn met de eerste reductiefactor rb (agaat) en dus ook rm+ aan rb+. Zodanig sterk zelfs, dat er zich tussen beiden tot nu toe nog geen crossing-over heeft kunnen voor doen. 

Voorbeeld : een bruine man split isabelsatinet.

            X/z rb+ rm+

            X/z rb   rm 

            kan theoretisch volgende gameten afgeven:sk1:

– rechtstreeks                z rb+ rm+ = bruin

                                               z rb   rm   = isabelsatinet

– door crossing-over       z rb   rm+ = isabel

                                               z rb+ rm  = bruinsatinet

Mogelijkheid 2 :

Lijkt veel geloofwaardiger, als zou de satinetfactor een multiple-allelomorfe zijn van de eerste reductiefactor rb (agaat), m.a.w. de eerste reductiefactor rb, zelf reeds gemuteerd van zijn wildvorm rb+, is op zijn beurt nog eens gemuteerd naar satinet rm.       rb+ = Ongemuteerde bruine phaeomelanine in wildvorm

            rb   = Gemuteerde bruine phaeomelanine, 1°ste reductiefactor

            rm   = Satinetfactor met : rb+ dominant op rb en rb dominant op rm. 

Ontwikkeling vanaf wildvorm tot satinet : 

We zien hier duidelijk dat de satinetfactor rm, NOOIT noch volledig; noch verervend kan samengaan met een volledig bruine phaeomelanine bezit rb+.

Alleen klassieke agaat en isabellen, dus vogels met een reeds gereduceerd phaeomelanine bezit (rb) kunnen met de satinetfactor gecombineerd worden.

Onder invloed van een enkelvoudige factorwerking worden ze satinetverervend.

Bij dubbele aanwezigheid bekomt de satinetfactor een dominant karakter t.o.v. de klassieke isabel en agaat en krijgen we agaat- of isabel satinetten. Daaruit volgt o.a. ook dat klassiek zwarte of bruine kanaries nooit verervend kunnen zijn voor de satinetfactor. Een klassieke groene kan wel verervend zijn voor agaat- en isabel satinetten. Een klassieke bruine alleen voor isabel satinetten ! 

Bewijs : Twee voorbeelden : 

  1. 1. Nemen we dezelfde man als onder mogelijkheid 1. 

            X/ z rb+   = Bruine man, split isabel satinet

            X/ z rm        kan volgend gameten afgeven :

rechtstreeks :  z rb+ = bruin

                                                  z rm   = isabel satinet

                 Door crossing-over :  z rm   = isabel satinet z rb+ = bruin 

  1. 2. Met een groene man, split isabel satinet. 

            X/z+ rb+ = Groene man split isabel satinet (PP-man)

            X/z rm         kan volgende gameten afgeven :

                                 rechtstreeks :     z+ rb+ = Groen

                                                             z rm   =   Isabel satinet

                          Door crossing-over :  z+ bm  = Agaat satinet

                                                                z rb+     = Bruin

 

U ziet ook hier in beide voorbeelden dat we geen bruine satinetpoppen noch klassieke isabel poppen komen. 

Cursus Deel 17 : De Topaas factor

 De topaas factor  :                                             Deel 17.

Hij zou in Frankrijk ontstaan en ontwikkeld zijn uit Zwartrood phaeo.  Zijn benaming slaat, zoals de opaal, op een edelsteensoort.De topaas is zeker een aanwinst gaan betekenen in onze kleurkanarie-liefhebberij.We hebben “volle” topazen, kortweg topaas genoemd als eigenlijke mutant.  We hebben ook de intermediaire topaas als “terugkruising” tussen topaas x phaeo.  Men kan evenwel nu reeds stellen dat de intermediaire vorm nooit kan (of mag) erkend worden.  Het zijn en blijven voor kleur en tekening tussenliggende kruisingsproducten.

Enkele jaren terug kregen we bijna hetzelfde bij de satinetfactor, toen men sommige klassieke kleurslagen, met het oog op een kleurverbetering; satinetverervend wilde maken.  Deze vogels werden toen ook terecht afgewezen.

We zullen het dan ook verder hoofdzakelijk hebben over de echter topaas.  Slechts op het einde, om volledig te zijn en om het verschil te verduidelijken, zullen in het kort de intermediaire vormen beschreven worden. 

Factorwerking  : 

Door inwerking van de topaasfactor hebben deze kanaries een gedeelte van hun vermogen tot melanine vorming verloren. De bruine eumelanine-tekening is sterk in kleur verminder, de rug- en flank bestreping is praktisch geheel verdwenen bij isabellen en bruinen.e zwarte eumelanine-melanisatie bij agaten en zwarten is gereduceerd, van bruin-grijzig tot matig zwart, variërend van vogel tot vogel, zelfs tot bruin bij poppen.De bruine phaeomelanine is sterk opgebleekt in de randen van de grote pennen en dekveren.  De overblijvende zwarte en bruine eumelanine in de bevedering manifesteert zich bij de topaas geconcentreerd rond de schacht van de veer.De buitenzijden, dus de randen of omzoming zijn sterk vervaagd en op gebleekt.Dit is karakteristiek en zeer goed zichtbaar, voornamelijk in de grote pennen van vleugel en staart en  in hun dekveertjes.  De Fransen spreken dan ook terecht van “melanin central .Persoonlijk vind ik deze uitdrukking minder geslaagd : de omzoming is bij satinetten ook wel aan de lichte kant, maar de melanisatie in het geheel en de tekening in het bijzonder zijn bij satinetten veel minder uitgesproken aanwezig dan bij de topazen.

De topaasfactor is te combineren met de vier klassieke reeksen met elke erkende grondkleur.

·      Ze bezitten klassieke donkere ogen, die de eerst ca zeven dagen vanaf de geboorte evenwel duidelijk rood zijn !

Een andere merkwaardigheid bij dopazen vormt de kleur van de hoorndelen; die praktisch bij alle kleurslagen egaal vleeskleurig zijn met bleke nagels.  Opgelet dus voor bontvorming; het verschil met witte nagels is meestal nihil.  Bij aankoop is een grondige controle van de donskleur dus aangewezen.  De donskleur moet identisch zijn als bij de klassieke kleuren.Kleur en tekening  :

In het algemeen ziet het er naar uit dat de beste topazen ongetwijfeld zullen te vinden zijn tussen de intensieve exemplaren in het bezit van de nodige blauwstructuur om het overtollige phaeobruin te verdringen.

De mooiste vogels zijn te verzachten bij de agaten en de zwarten.  Isabellen en bruinen lijken wegens hun gebrek aan tekening en hun misleidende gelijkenis met andere erkende kleurslagen, minder geschikt voor TT.

Isabel topaas  :Laat nog weinig tot geen melanisatie zien en is te vergelijken met isabel opaal, dus een weinig interessante kleur, die ook wel nooit zal aangenomen worden. 

Bruin topaas  :

Mooie bruine vogel zonder tekening en gelijkend op bruinpastel, maar dan mogelijk iets bruiner.  Het bruin bij een bruintopaas komt evenwel gevlekter en voornamelijk op de rug meer gelijnd tot uiting.  De opbleking van de veerranden zijn nog goed zichtbaar.  Al moet hier gezegd dat er meestal nog een smal en dun laagje bruin is in te zien.Deze beschrijving geldt voornamelijk voor poppen.  Mannen zijn hier ook in het algemeen niet bruin genoeg.
Zoals reeds eerde aangehaald en met enig voorbehoud, ook een minder geschikte TT-kleur.

 Agaat topaas  :.

Zullen waarschijnlijk de mooiste topazen opleveren met een gereduceerde zwarte tot grijze tekening en hun sterk uitkomende bleke veerranden.

Bij de meeste exemplaren die ik heb gezien, lijkt het mij moeilijk om zowel de tekening als de overige melanisatie in eenzelfde kleur te verkrijgen.  In het algemeen was de tint van de grote pennen iets donkerder dan de tekening.  De bestreping bij de poppen lijkt in het algemeen bruiner van kleur.De tekening zelf lijkt goed op deze van een klassieke agaat, alleen flanktekening en voornamelijk de baardstrepen, leken minder opvallend dan de rest.  Hij lijkt nog het beste op agaatpastel en komt zeer goed tot zijn recht met een lichte grondkleur zoals wit, ivoor en mozaïek.De melanisatie liefst zo donker mogelijk. np2.

 Zwart topaas  :

Bijna identisch als de agaattopaas, maar met een diepere zwarte, iets zwaardere, dus weer uitgebreide melanisatie.  Let wel op, het verschil tussen agaat- en zwarttopaas likt niet zo groot.Schimmelvogels zijn, net zoals bij de klassieken, door hun groter bruinbezit minder belangrijk als TT-vogels.In de zwartreeks, en in mindere mate bij de agaatreeks; zal het bezit van de blauwfactor en de intensief factor een grote rol spelen, omdat ze beiden het bruinbezit sterk kunnen reduceren.  De melanisatie ook zo donker mogelijk.

 De grondkleur : 

Zoals reeds aangehaald zijn topazen te combineren met alle erkende grondkleuren.  Of de topaasfactor- werking in wezen iets verandert aan de grondkleur is  nu nog niet met zekerheid te stellen, ( we geloven het niet) al lijkt het toch dat het geel en het rood “anders” van tint waren dan bij gewone gele en rode kanaries.  Het is moeilijk te omschrijven; het geel leek iets meer hooggeel en het rood iets roziger.

De vererving  :

            mc van “melanin central”, vererft onafhankelijk. 

            mc  =  man of pop topaas                   mc+  =  man of pop verervend voor topaas

            mc                                                    mc 

De topaasfactor (mc) is naar alle waarschijnlijkheid samen met de inofactor (ino) een multiple allelomorfe van de ongemuteerde ino-wildvorm (ino+).Met ino+ dominant op ino en mc, en ino (onvolledig) dominant op mc.

inomutatie ino  ¯       2° mutatie mc

De meeste factoren (genen) muteren enkelvoudig terwijl we hier bij de topaas te maken hebben (net als bij de satinet) met een factor die in staat is gewest te muteren in twee nieuwe gedaanten.  Een bewijs van de juistheid van deze stelling vormt ook hier de wetenschappelijke verklaring over multiple allelomorfen, die zegt dat er bij combinaties van deze factoren steeds een intermediaire tussenvorm wal ontstaan.Proefondervindelijk is dit ook goed zichtbaar, want uit kruisingen van topaas x ino komen 100 % intermediaire jongen ! 

            Topaas x wildvorm                            = 100 % wildvorm/topaas

            Topaas x topaas                               = 100 % topaas

            Topaas x wildvorm/topaas                 =  50 % topaas en 50 % wildvorm/topaas

            Wildvorm:topaas x wildvorm/topaas   =  25 % topaas

                                                                   =  25 % wildvorm

                                                                   =  50 % wildvorm/topaas. 

De laatste koppeling lijkt minder interessant, omdat men het eerste jaar van de niet-topazen niet kan zeggen of ze al of niet verervend zijn. 

Intermediaire vormen  :

Hebben over het algemeen ook donkere-klassiek ogen, bleke hoorndelen en bezitten geen tekening (bestreping) meer.  Alleen het bezit van bruine phaeomelanine is vermeerderd.  Normaal, als men weet dat de ino factor de eumelanine verdringt en de phaeomelanine bevordert. 

Isabel topaas intermediair  :Blijft waardeloos. (niet Erkend) 

Bruin topaas intermediair  :

Verkrijg een iets diepere, maar vooral egalere bruine kleur, waarbij de omzoming ook bruin (schimmelvogels) vertonen aan hun buitenste randen.De tekening zelf is volledig verdwenen.  Het zijn mooie vogels !  Het is tevens de enige kleurslag waarbij de intermediaire bruintopaas mooier lijkt dan de zuivere bruintopaas.Agaat topaas intermediair:Wordt ook waardeloos, want de tekening is verdwenen.  Alleen een kleinere hoeveelheid melanisatie blijft in de pennen over. 

Zwart topaas intermediair  :

Ongeveer hetzelfde als bij de agaattopaas, intermediair met daarbij nog een aanzienlijke vermeerdering van bruin. M.a.w. :  ze bezitten zowel tekening, maar dit is geen zwart meer maar bruin, het zwart is nog verder gereduceerd dan bij de “volle” topaas.Grafiek laat zien dat de intermediaire topazen (fenotype) een groot verschil zien in hun onderling bezit in melaninebezit.  De ene laat meer topaaskenmerken zien dan de andere.

Cursus Deel 18 : De Eumo.

Bruin geel eumo intensief

De Eumo.                                            Deel 18. 

Deze is omstreeks 1982 ontstaan bij van haaff lange tijd werd deze de van haaff mutant genoemd .In 1991 beslisten verschillende comiteits om deze mutant Eumo te gaan noemen (Pheao Melanine beletter)Deze eumo hebben we in zwart bruin en agaatreeks ,De isabel is niet bestand.Deze eumo is te zien in wit geel of rode grondkleur al dan niet met de ivoor factor ,uiteraard met de intensief of schimmel facor en de mozaik factor.De emofactor veroorzaakt rode ogen en belet het optreden van de bruin fhaeomelanine, tegerlijkertijd wordt de eumelanine lichtjens gereduceerd ,zowel in de zwart ,agaat ,bruin en isabelserie.De kleur kan zwartgrijs tot lichtbeige zijn ,heel veel zal afhangen van de schimmel of intensieffactor en ook zal de blauwfactor een grote rol spelen Deze factor vererft onafhankelijk en recessief ten opzichte van de wildvorm. De werking lijkt erg op de satinetfactor ,nochtans hebben hier zowel de zwart als de agaateumo bestreping op rug en flanken en de kleur van de vleugel en staart pennen is zwartgrijs voor de zwartserie en grijsbeige voor de agaatserie.De bruinserie hebben donkerbeige vleugel en staartpennen . De isabel eumo is lichtbeige maar niet aangenomen. Eumo,s uit de zwart en bruinserie hebben duidelijke bestreping ,iets fijner voor de intensieve ,op een heldere grondkleur. De rode ogen zijn soms zichtbaar en soms weer niet ,heel veel hangt af hoeveel melanine de vogel nog bezit.Door een wijziging in de vederstructuur krijgt de aanwezige carotinoide een andere ligging het zij geelivoor bij de geel factorige en roodivoor bij de rood factorige vogels.Deze kleuren kunnen voorkomen ,in de zwart ,agaat en bruin bij de zwart serie vertonen deze soms een heel lichte melanine.Een kort nauw aansluitende bevedering voor de intensieve en iets langere 3b dichter voor de schimmelvogels maar dit zal wel duidelijk zijn.Kort samen gevat kan men stellen Dat de eumofactor in de pigmentserie het volgende veroorzaakt.Belet het optreden van de Pheaomelanine en een reductie van de bruine of zwarte eumelanine : Hierdoor ontstaat ook een lichtere oogkleur en worden de hoorndelen en de pootjes vleeskleurig zelfs in de zwart serie

Cursus Deel 19 : De Onyx.

Agaat onyx wit

De Onyx :                                                   Deel 19 

Voorlopige raadgevingen over de onyx. (Heden  is er een volledige  nieuwe standaard voor  opgemaakt,wil je met deze  vogels veder is het raadzaam deze aan te  kopen.)

ALGEMEENHEDEN : 

Om reden van de onyxfactor ie er geen zichtbare phaeomelanine meer bij de onyx .De kwaliteit van de eumelanine is dubbel .Deze massa eumelanine wordt niet alleen terug gevonden in de slag en staart pennen maar ook tussen de bestreping .De onyxfactor is een recesseieve factor die zich op het zelfde allele bevindt als de opaal .Door de afwezigheid van de phaeomelanine lijkt de zwarte kleur van de slag en staartpennen minder donker .Maar door de massa eumelanine worden de slag en staartpennen ,als ook de tussenliggende bestreping meer zwart maar blijven minder diep van kleur dan bij de klassieke bruin en zwart reeks .Het zwart is het meest zichtbaar op de kop ,in de nek en op de rug .Bij de andere bevederings plaatsen is de pluim langer waardoor de vetstofkleur beter uitkomt. 

VETSTOF : 

De vetstof kleur is door de afwezigheid van de phaeomelanine van een andere tint dan deze die wij zien bij de klassieke vogels .Maar deze afwezigheid van de phaeomelanine is vervangen door een vermenging van een overvloedige zwarte kleur ,speciaal daar waar de structuur van de pluim het toelaat.

DE TEKENING : 

De karakteristieken van de onyx mutatie komen het best tot uiting bij vogels die het maxium aan eumelanine bezitten , zo donker mogelijk verdeeld over het volle lichaam .Opdat deze mutatie zich op zijn best zou tonen hebben we vogels nodig met een veel bredere en zwaardere tekening en die zo donker mogelijk zijn op de onderbuik .Tussen de kop nek en rugtekening zal de kleur zo donker mogelijk moeten zijn ,Teneinde een kompacte kleur te bekomen. Zoals bij al onze kleurkanaries zal de kleur van de slag en staartpennen en de globale tekening zo egaal mogelijk zijn en dit vanaf de snavelbasis tot aan het staart uiteinde. 

KLEUR VAN DE BEK EN DE POTEN : 

Zo diep mogelijk donker en egaal .Om reden van het ontbreken van de pheaomelanine worden de hoorndelen lichter .Maar door de afwezigheid van de hoeveelheid eumelanine worden ze zelfs nog donkerder. 

BESLUIT : 

  • De kombinatie van nieuwe kleuren mutaties in onze gepigmenteerde kleuren wordt niet aanvaard.De kweek heeft ons aangetoond dat de onyx en de opaal zich op het zelfde allele bevinden .De vogel die de twee mutaties toont wordt niet aanvaard als tentoonstellings vogel.Persoonlijk denk ik dat de echte onyx de diep donkere kanarie is met een asgrijze sluier. Deze asgrijze sluier doet aan de opaal denken, en deze opaal heft zeker en vast zijn invloed bij de verschijning van de onyx.De dag dat de onyx aanvaard kan worden als tentoonstellingsvogel zullen we dit nieuwe sieraad moeten erkennen. Maar laten we onze tijd nog nemen deze nieuwe mutatie is nog niet voldoende ingewerkt .Bovendien moeten er ons ook nog meer voorbeelden getoond worden voor de beslissingen genomen worden en richtlijnen gegeven kunnen worden wat betreft de TT – karakteristieken.

 

Uit AOB tijdschrift : Door Wilfried DEYAERT.

 

 

KEURADVIEZEN ONYX KLEURKANARIES.

Voorstel keurmeestersvereniging A.N.B.v.V. februari 1997.

Voorlopige Keurtechnische aanwijzingen; 

Melanine:

Door de Onyx-factor in de kleurkanarie is er geen phaeomelanine meer in de bevedering aanwezig.De hoeveelheid eumelanime is meer dan verdubbeld. Deze vergrote hoeveelheid eumelanine ligt in de bestreping maar ook daarbuiten. De Onyx-factor is een recessieve factor die op hetzelfde alleie als de opaalfactor ligt. In het algemeen is de aanmaak van kleuren bij de kleurkanarie met een grote hoeveelheid eumelanine wat onregelmatig. Dit verschijnsel kennen we reeds bij de grijs-vleugels en de opalen in de zwarte groep.Bij de Onyxen, vooral in de agaatreeks ontstaat er bijvoorbeeld in de staartpennen, als het ware, een zebra-effect.Door het wegvallen van de bruine phaeomelanine wordt de uiting van het zwart in de pennen en bestreping eerst duidelijk lichter. Denk hierbij aan de duidelijk lichtere kleur van de eumo kleurkanarie waarbij de kwaliteit van het zwart niet is aangetast, maar de inkleuring van de phaeomelanine-eellen niet plaats vindt. Door het grotere bezit aan eumelanine-cellen wordt de kleur van de bestreping en pennen weer duidelijk donkerder maar komt als minder zwart over dan bij de klassieke kleuren in de zwart(bruine) groep. Door de sterke toename van het aantal eumelanine-eellen wordt eveneens de kleur tussen de bestreping donkerder, zwarter derhalve. Het zwart tussen de bestreping is op kop, hals, rug en misschien flanken meer waarneembaar dan op de andere plaatsen, waar mede door de lengte van

de bevedering, de lipochroomkleur meer tot uiting blijft komen.

lipochroom

Kenmerkend voor vogels in de zwart(bruine) groep is dat de lipochroomkleur een vermenging van wit, geel of rood met de bruine phaeomelanine is welke in combinatie met de blauwfactor en de intensieffactor een volledige vermenging van deze bestanddelen geeft tot de heldere, diep(grijs)blauwe, diep (gras)groene of diep (brons)rode kleur. Door een juiste vermenging van het bruine phaeomelanine, vooral aan de onderzijde van de vogel, kan deze diepe bijtint goed in de broekbevedering doorlopen zonder dat er een verwatering van de “bijkleur” plaatsvindt.De kleur van de bijtint is door de afwezigheid van het bruine phaeomelanine, en daardoor niet mogelijke vermenging met de lipochoom kleur, anders dan de bijtint van de klassieke vogels in de betreffende groepen. Het wit is in de zwarte groep bijvoorbeeld minder blauw (maar door vermenging van het extra zwarte eunelanine nog steeds grijsblauw te noemen), het geel is minder groen en het rood minder bronsrood.De afwezigheid van vermenging van het bruine phaeomelanine met de lipochroom kleur wordt overigens vervangen door een vermenging met de extra zwarte eumelanine. Vermenging met dit zwarte eumelanine vindt wel plaats maar vooral in die gebieden waar de structuur van de bevedering dat toe laat. Mede hierdoor zal de “bijkleur” duidelijk minder gelijkmatig in de broekbevedering doorlopen. Ook zal er hoogstwaarschijnlijk een iets lichtere plaats onder de snavel (keel) aanwezig blijven.Mogelijk dat met de loop der jaren middels toename van het cumelanine bezit, enlof toename van het aantal strepen deze wat lichter overkomende plaatsen wat kunnen worden “ingekleurd”. De verwachting is van niet, daar bijvoorbeeld bij mozaïek kleurkanaries in de zwarte, bruine of agaat groep, met een maximaal strepenbezit maar geringe hoeveelheid phaeomelanine, deze lichtere lipochroomkleur op deze plaatsen aanwezig blijft. Het spreekt voor zich dat bij het keuren van deze vogels, op deze punten, in de eerste jaren enigszins soepel dienen te worden beoordeeld.

Tekening:

De mutatiekenmerk en van de onyx-kleurkanarie komen het best tot uiting indien de vogel in het bezit is van een maximale hoeveelheid eumelanine. Zo donker mogelijk

zoveel mogelijk en zo goed mogelijk over de gehele vogel verdeeld. Een fijne minimale bestreping, als bij de standaardkleuren, werkt deze eigenschappen sterk tegen. De mutatie kenmerken komen derhalve het best tot uiting indien de bestreping in haar gehele presentatie

Cursus Deel 20 : Geschiedenis Kanarie.

 Geschiedenis van de  kanarie :                         Deel 20.

Geschiedenis kanarie

 

Het is de laatste jaren dat de kleurkanarie een verdere ontwikkeling aan het krijgen is ,denk maar eens aan Eumo ,en de Onyx enz die we er weer bij gekregen hebben en de onyx die zijn opwachting niet lang meer zal uitstellen . Het is aan ons kwekers om deze ontwikkeling te volgen ,en die kleuren en factoren alleen te koppelen en te gaan kweken die onze standaard zal vragen.

Blijf hier allert op hou zeker de klassieke soorten bij elkaar en de nieuwe kleuren ook ,men heeft de klassieke kleuren zeker nodig om onze nieuwe kleuren te kweken ,maar men heeft de nieuwe kleuren niet direct nodig om de klassieke kleuren te kweken .Veel kwekers vergeten dit wel eens

Cursus Deel 21 : De Keurfice.

KEURFICE VOOR KLEURKANARIES :     Deel 21.

 

                 Zie hiervoor onderstaand voorbeeld ,elk land en of federatie heeft zijn eigen embleem de keurfice  Staan.De Com gebruikt altijd haar embleem voor deze shows, De laatste jaren is onder druk van de C.O.M Aan alle federatie,s gevraagd de nieuwe keurfice van de COM te gaan overnemen en te gebruiken,,op enkele federaties na zijn deze allen overgenomen ,zoals ook de nieuwe benaming van de kanarie vogel zie hier voor de rubriek in deze uiteenzetting.Het is mijn inziens in het belang van alle liefhebbers dat alle federaties de richt lijnen van de COM gaan overnemen niet alleen de keurfice maar ook de standaard van de vogels dit zal de eenvormigheid ten goede komen,en ook de eenvormigheid onder de keurmeesters van de diverse landen zal hier toe bijdragen.Zodat alle vogels op de zelfde waarde beoordeeld gaan worden.Het zal zeker bijdragen in de eenvormig heid voor het kweken en TT stellen van onze vogels. Op de dag van vandaag zijn de  keurficie,s voor alle  bonden wel wat aangepast ,maar  dat zal de  beginnende  tt steller reeds wel ondervonden hebben.

Keurfice.

Cursus Deel 22 : De Kanarievogel.

Kanarie vogel onderdelen

Ook zijn er nog een aantal neven eigenschappen van de vogel deze zijn erg belangrijk voor het uitzicht van de vogel ,kortom erg belangrijk hier rekening mee te houden tijdens aankoop van vogels maar nog meer voor het koppelen van de vogels bij aanvang van de kweek.Een aantal van deze eisen zijn weer vastgelegd in een standaard van de vogel ,het is dan ook erg noodzakelijk dat iedere kanarie kweker ook in bezit is van zo een kanarie standaard.

Elke federatie heeft hiervan een eigen uitgave ,maar ook de C.O.M heeft een uitgave. Het is een must voor iedere kanarie kweker een standaard in bezit te hebben ,en ook zeker de standaard van zijn of haar vogels goed te kennen ,voor een succes volle kweek ,met goede vogels zal dit noodzakelijk zijn

Cursus Deel 23 : Neven eigenschappen.

EISEN GESTELD AAN DE NEVEN EIGENSCHAPPEN.       Deel 23 .

De grootte.

De optimale grootte van een doorsnee kleurkanarie is de laatste jaren geëvolueerd van 13,5 cm tot 14 cm, met grenzen van 13,5 cm naar 14,5 cm.  Zeker niet groter, want dan wordt de raszuiverheid stilaan twijfelachtig.  Intensieve vogels zijn doorgaans iets kleiner dan schimmelvogels.  De grootte hangt nauw samen met de vorm. 

De vorm. 

De typische kanarievorm moet ten alle tijden behouden blijven.  Zichtbare in kruising van andere rassen moet bestraft worden.Om een goed geheel  te bekomen moeten alle lichaamsdelen zo volmaakt mogelijk zijn en in verhouding tot elkaar staan.  Er mogen nooit wanverhoudingen voorkomen.

De kop. 

Vrij fors, tamelijk breed en licht ovaal van vorm.  Een tamelijk korte bek met vrij brede basis.  Het oog goed in het verlengde van de snavel.

Voorkomende fouten  :

Wanverhouding tussen kop en lichaam.

Te kleine of te dikke kop.

Afgeplat, benepen, misvormde kop.

Te plat achterhoofd.

Te lange bek, te zware bek.

Misvormde bek.

Wenkbrauwen. 

De nek. 

Tamelijk kort en goed gevuld.

Voorkomende fouten  :

Te lange of te korte hals.

Uitgeholde nek.

Nek ingevallen of te lang. 

De borst. 

Moet rond en breed  zijn, goed geveld zonder zwaar te worden en mooi afgerond overgaan naar de buik.

Voorkomende fouten  :

Te scherpe en/of te vette borst.

Onregelmatige borst- en buiklijn.

Doorgezakte borst. 

De rug. 

Vol en breed, in de breedte gezien mooi afgerond en een rechte lijn vormend met de staart.

Voorkomende fouten  :

Ingevallen rug.

Misvormde rug

Holle of bolle rug. 

De staart.

Goed gesloten, volledig en iets gevorkt eindigend.  De lengte in goede verhouding met de rest vanhet lichaam.

Voorkomende fouten  :

Te lange of te korte staart.

Wanverhouding tussen lichaam en staart.

Spreidstaart, waaiervormige staart. 

De poten en loopbenen

Niet te lang, licht gebogen, de billen iets zichtbaar en geen te lange nagels.

Voorkomende fouten  :

Wanverhouding tussen lichaam en poten.

Te kleine of te korte poten.

De bevedering. 

Moet volledig glad en goed gesloten zijn.  De staart bezit 12 pennen en de vleugels 18 de bevedering bij intensieve vogels is korter en over het algemeen minder goed gesloten dan bij normale  schimmelexemplaren.  Intensieve vogels vertonen veelal lichte oogstreepjes, omdat de bevedering juist achter de ogen zeer kort is.De staart dient goed gesloten en eindigen in een (licht) V-vorm.

Bevedering te los, te lang, te schraal,, onvolledig, niet gesloten.

Onnatuurlijke scheiding in bevedering.

Kale(open) plekken in bevedering.

Ruisporen, ruistoppels, onvolgroeide pennen.

Gebroken pennen.

Ontbrekende dekveren.

Nestdons.

Onvoldoende glans.

Bijgeknipte veren.

Oogstrepen te diep. 

De houding. 

Fier, levendig, rechtop, rug en staart in een lijn en een hoek van 45° tot 60° vormend met de horizontale.

De vogel mag beweeglijk zijn zonder echt te onrustig, bang of wild te worden.

De vleugels zijn goed gesloten en de toppen mogen elkaar juist raken bij het staartbegin, niet kruisen;

De loopbenen iets gebogen en de poten moeten de zitstok goed omklemmen.

 

Voorkomende fouten  : 

Te zenuwachtig, wild, vlinderen.

Overdreven onrustig.

Zenuwtrekken.

Gehurkt, vooroverhellend, achterover hellend.

Onvoldoende gestrekt.

Niet opgerichte kop.

Gemis aan fierheid.

Afhangende staart.

Hangende of / en kruisende vleugels.

De conditie. 

Voornamelijk de gezondheid en de reinheid van de vogel zijn hierin vervat.  Het gezegde :  “Aan de vogel kent men de liefhebber” is hier zeer toepasselijk.  De vogel moet zuiver zijn, vrij van ziektes; aandoeningen of kwalen, vrij van kwetsuren of hun gevolgen.

Voorkomende fouten  :

Bevuilde bevedering, vuile poten.

Onfris uitzicht.

Gekwetste vogel.

Gezwel aan poten, bek, ogen, …

Dik zitten door ziekte, ongedierte aanwezig;

Schubvormig aan bek of loopbenen.

Te lange teennagels.

Te lange, ongelijke bek.

Beschadigde washuid, bek, …

Stijve teen (en).

Ontbrekende tenen of teennagels.

Cursus Deel 25 :Voorkomende fouten.

 Voorkomende  Fouten                            Deel 25.

Voorkomende fouten

Deze fouten komen regelmatig voor, ook kent men nog fouten in houding o.a. gedrukt – liggende houding – achter overhellend – terughoudend – zenuwachtig – vlinderend – op bodem – vuil – enz.

 ANDERE VEEL VOORKOMENDE FOUTEN ZIJN DE “TEKENINGFOUTEN Als een vogel een tekeningpatroon bezit zal het volgens patroon moeten voorkomen: nl. kort, fijn smal en onderbroken symmetrisch t.o.v. elkaar, doorlopend tot in de flanken, ook onderbroken en symmetrisch t.o.v. elkaar. Alleen de kleur en uitzicht kunnen door bepaalde factoren in te kweken wijzigen, maar dat is riet de bedoeling van dit artikel om te bespreken. 

DE VOORKOMENDE TEKENINGFOUTEN ZIJN O.A.      

Tekening niet onderbroken – te streperig – geen / weinig flanktekening – te harde tekening

(enkele soorten vogels) – tekening ongelijk – flanktekening ongelijk / weinig ongelijk Men dient wel rekening te houden met de factor intensief of schimmel die ook het uitzicht van de tekening iets wijzigt.

A. Bij intensief factor wordt tekening wat fijner in uitzicht.

B. Bij schimmelfactor wordt / kan tekening iets breder van uitzicht.

En zoals ik al eerder schreef, de kleur en uitzicht van het tekeningpatroon word weer bepaald door het in kweken van de een of andere factor(en). 

DE VOORKOMENDE BEVEDERINGS FOUTEN.

In figuur I zijn al enkele van deze fouten aangehaald. In het algemeen moet de bevedering

zijdeachtig zijn en goed aangesloten met een mooie glans erop. Er mogen nergens geen kale of ruwe plekken voorkomen. Bij de intensieve vogels zal de kleur goed doorgekleurd zijn, tot in de toppen der bevedering, zeker bij de over jarige vogels. De eerstejaars vogels zullen iets minder doorgekleurd zijn. De schimmelvogel vraagt een goede en verdeelde schimmelverdeling over het hele lichaam, met ook een goed gesloten bevedering.

  • Intensieve vogel heeft korte bevedering.
  • Schimmel vogel heeft lange bevedering. 

DE MEEST VOORKOMENDE FOUTEN IN DE BEVEDERING ZIJN:

Ruwe bevedering – Ruistoppels – los / ruw flanken – borstkrul – nekkrul – gebroken pennen – mist vleugel- en / of staartpennen – geen glans / dof – opening op borst – lange bevedering –

oogstreep – losse duimpennen – gerafelde bevedering. Bij vee1 van deze fouten zal bij een beetje aandacht van de kweker de fout tot het verleden horen. 

DE CONDITIEFOUTEN.

Deze zijn door de meeste vrij snel te herkennen en in de meeste gevallen nog weg te werken.

In andere gevallen zal zo een vogel nog goed zijn voor de “Kweek” maar voor de T.T. is hij niet geschikt. Enkele conditiefouten zijn:

– Te lange bovenbek en teennagels.

– Misvormde bek / tenen.

– Erg vuil – ruw – vuile poten en staart.- Mist teen of teennagels

– Schubvorming op de hoorndelen

– Vogel is ziek, zit dik, diaree. – Tranende ogen/ blind enz.

Cursus Deel 26 : De stamkweek.

DE LIJNENTEELT OFWEL DE STAMKWEEK.      Deel 26.     

Deze kweek is voor mij maar voor heel veel liefhebbers de enigste en beste methode om te komen tot succes in de kweek van kanarievogels en vele andere.Alle verborgen factoren zowel de goede minder goede en of slechte komen op deze manier het snelst tot uiting .Bontheid ,vorm fouten, gedrag stoornissen , pigment en of kleur beïnvloedende factoren ,bevedering enz enz komen zo erg snel tot uiting .Het is aan de liefhebber kweker deze goede eigenschappen vast te leggen , en later weer te gebruiken om al deze goede eigenschappen vast te leggen in de te kweken vogelsoort en of kleurslag. Het zal duidelijk zijn dat hierbij een goed kweekboek met daarin goed gemaakte op en aanmerkingen van de vogels worden vast gelegd.Meestal wordt er gezegd dat grote kwekers foefjes hebben en of toepassen ,.Dat sommige kwekers foefjes gebruiken zal ik niet erkennen maar mijn inziens liggen deze op een ander vlak en niet op verervingsvlak .De kwekers en daar komt het, die doordacht te werk gaan ,goed overwegen welke vogels zij zullen gaan kweken ,met kennis van de erfelijke factoren van de vogels .met daarbij hun kennis en feeling zullen de korte weg naar succes hebben .Hoe doen ze dat nu ,nou heel eenvoudig door de lijnen teelt ofwel de stamkweek. 

Wat is nu een stam : 

  1. 1.Dit is een aantal vogels afkomstig uit een populatie vogels die qua afstamming in meer of mindere mate verwantschap met elkaar hebben . Dus een streng geselecteerde groep vogels, die weinig verschil laten zien in hun erfelijke overdrachten.
  2. 2.Het Zg verdringingskruisen heeft er toe geleid , dat de meeste ongewenste eigenschappen zijn verdwenen ,en alleen de gewenste eigenschappen (in Bv kleur en vorm) zijn overgebleven.
  3. 3.Dus een stam is een collectie vogels met de zelfde uiterlijke kenmerken zowel in pigment en vetstofkleuren ,bijkleur en erfelijke eigenschappen zelfs in vorm en houding .ze kunnen dus zowel schimmel als intensief zijn .
  4. 4.De stam moet een waar kleurbeeld vormen ,ook in gedrag , houding en vorm ,het zal duidelijk zijn dat de rust in de vogel ook erg belangrijk is (ook dit is een erfelijke aangelegenheid)
  5. 5.Dus bij het opzetten van een stam ,moet men op alles letten ,vanaf dat de vogel uit het ei komt .Alles goed gaan vast leggen in het bewuste kweekboek .Zeker de goede eigenschappen ,maar ook de slechte eigenschappen moet worden vast gelegd ,om deze later te kunnen uitsluiten. .VOORKOMEN IS BETER DAN GENEZEN. 

Systeem van de stamkweek (lijnenteelt) 

Dus we kopen altijd vogels aan bij een erkende kweker in de te kiezen kleurslag ,kortom men koopt vogels waarvan men zeker weet dat hier al een goede selectie in is uitgevoerd .U kunt dit zeker testen door de TT resultaten van deze kweker een tijdje te volgen ,of te raadplegen ,dit is een redelijke graatmeter.Koop hier de vogels ,en controleer de gegevens van deze vogels via het kweekboek van de kweker (verkoper) als er Bv nog verervende factoren aanwezig zijn ja of nee .En ook hoever de verwantschap al is van de aan te kopen vogels.We moeten er van uitgaan , dat alleen een constant verervende stam kan worden opgebouwd ,door zoveel mogelijk de gewenste eigenschappen te noteren ,over al de kweekjaren .En de ongewenste eigenschappen ook te noteren maar deze wel direct uit schakelen. 

MET ANDERE WOORDEN : (start alleen met) 

       Onverwante kwaliteit vogels zowel man /pop

       Zorg voor zuiver verervende vogels.

        Let ook op een goede bevedering structuur.

–      Zorg voor een goede houding en gedrag. 

De kweker ; 

Onverschillig van welke kleur of vogel we ook gecharmeerd zijn ,of dat gepigmenteerd of vetstofkleur is .Een kleurkennis van de vogelkweker is een eerste vereiste. Het maakt niet uit of we dominant of recessief wit Geel intensief roodschimmel of mozaïek kleuren met wit of rood of geel of met ivoor enz kweken.We zullen moeten weten hoe zo,n kleurslag er uit moet zien om aan de top te komen .Zoveel feeling zal een kweker moeten bezitten. Zonder deze kennis valt er weinig te bereiken. Het is daarom dat de standaard kleurkanarie bij geen enkele kweker van kanaries mag ontbreken. Als we deze regels kennen en gebruiken kan men beginnen met het opzetten van de lijnenteelt.WELK SYSTEEM NU TOE TE PASSEN.  

De meest verwante en niet direct aan te bevelen voor een beginner is de koppeling is Broer * Zus

Dit is ook de kortste weg om in de nakweek, de goede of slechte eigenschappen snel uit te selecteren .En de gegevens vast te leggen. Het zal duidelijk zijn dat dit alleen kan bij kerngezonde en sterke goed uitgeselecteerde vogels .Neem hier goed nota van !!!!! 

De veel gebruikte methode is :

1 – De patrokliene methode  (is vader gelijkend)

2 – De matrokliene methode (is moeder gelijkend) 

Deze werkt als volgt :   De Patrokliene methode:  

1 Jaar : Een MAN (stamvader) koppelen aan 2 a 3 betrouwbare poppen .

2 Jaar : De mooiste en beste dochters terug koppelen aan de stamvader.

3 Jaar : De mooiste poppen uit het tweede jaar koppelen aan de stamvaders.

4 Jaar : De Nakweek van het 3 Jaar onderling koppelen. 

Opmerking : Tot het 4 jaar is wel maximum wat u kunt verantwoord uit de kleurkanarie kan halen.

De Matrokliene methode:  

Deze Methode kunnen we starten met vogels uit het 2Jaar van de patrokliene methode ,dus we krijgen hierdoor 2 lijnen

Oa :   A – Lijn 1 Vader gelijkend     = Patrokliene methode.

         B – Lijn 2 Moeder gelijkend   = Matrokliene methode

 2 Jaar : Stam moeder pop koppelen aan een goede en betrouwbare man uit het 1 jaar van de patrokliene methode.

3 Jaar : De mooiste man uit het 2 jaar terugkoppelen aan de moeder van het 2 jaar.

4 Jaar : De mooiste man van het 3 jaar terug koppelen aan de stam moeder of aan de mooiste     poppen uit het 2 jaar.

OPMERKING : 

We bezitten nu twee lijnen (gelijk aan de patrokliene methode ,de goede mooie grote sterke jongen uit het 3 en of 4 jaar onderling gepaard worden .En we beginnen weer opnieuw met het vormen van twee lijnen .uiteraard kan men ook nog eens nieuw bloed inbrengen ,en nog een lijn extra opzetten ,de methode blijft het zelfde ,maar blijf wel alles goed vast leggen . Succes is verzekerd bij het opzetten van je stam. Besluit :

Op deze manier zal zo op een korte tijd gegarandeerd als men vrij blijft van ziekten, en of tegenslag,een erg goede stam (lijn) kunnen opzetten, dit misschien al in het 3 jaar .

Zoals eerder vermeld kun je na het 4 jaar weer opnieuw beginnen om langs deze weg twee lijnen te gaan kweken Bij nieuw bloed de eigenschappen van je eigenstam inschakelen . Goed uitgevoerd zit u dan op het niveau van startvogels ,deze nakomelingen kunt u weer onverwant in kweken bij de stammen opbouw .Heft u deze niet ,dan de nakomelingen gebruiken tegen andere onverwante kwaliteit vogels . Zelf verkies ik wel eens bloedverversing na iedere opbouw. Let wel op de dominerende factoren. Ik wens je succes met de beschreven lijnenteelt ,en nogmaals beheer je kweekboek bij deze lijnen teelt

Cursus Deel 27 : Wat is een stam.

Wat is een stam.                          Deel 27. 

1. Wat is een stam kleurkanaries ?  

Het zijn vier zo egaal mogelijke vogels van eenzelfde ras, kleurslag, sex, jaartal, geringd met ringen van dezelfde federatie en, wetenschappelijk gezien, stammend uit gemeenschappelijke voorouders.  

  1. 2. Het keuren van stammen. 

De vier vogels worden vooraf gekeurd op de normale wijze. Achteraf, als alle vogels van de stammenreeks zijn gekeurd, worden de ereprijzen (als er zijn !) vergeleken met de kampioen van de overeenkomstige; individuele eigen kweekreeks en worden de punten dan eventueel aangepast tot 91 of 92 punten. en of bij uitzondering 93 punten Het spreekt voor zichzelf dat slechts een enkele vogel uit een zelfde stammenreeks 92 punten kan behalen. Het aantal kanaries met 90 of 91 punten is daarentegen niet aan beperkingen onderworpen. We moeten opmerken dat de vogel van 92 punten niet noodzakelijk tot de kampioenstam moet behoren Tot slot worden dan de punten van de vier vogels samengesteld.

Dit puntentotaal geeft uitsluitend de individuele kwaliteitswaarde van de stam weer. De stameenheid, de harmonie of de graad van gelijkheid van de vier vogels t.o.v. elkaar, wordt er na beoordeeld.Daartoe beschikt de keurmeester per stam over een bijkomend puntenaantal van maximum 6 stam harmoniepunten, die hij naar willekeur kan uitreiken.De beste stammen bekomen de grootste toegift en de stam die op deze wijze het grootst puntentotaal bekomt, wordt stammenkampioen !

Stammen die vooraf geen 352 punten behalen, komen niet in aanmerking voor harmoniepunten ! Het spreekt tenslotte voor zichzelf dat bij de toekenning van de harmoniepunten, ook hier, in eerste instantie, de eenheid voor de kwaliteit van de hoofdeigenschappen.

Cursus Deel 28 : Oude nieuwe naamgeving.

nieuwe naam                            Oude naam     Deel 28.

I. DE VETSTOFKLEURIGEN.

 

A. DE GEELFACTOR.

       Geel intensief/                                                              Goudgeel

       Geel schimmel                                                              Strogeel

 

B. DE ROODFACTOR.

       Rood intensief                                                               Rood intensief

       Rood schimmel                                                              Rood schimmel

 

C. DE MOZAIEKFACTOR

     a) Met geel

       Geel mozaïek                                                                Geel mozaïek

     b) Met rood.

       Rood mozaïek                                                                Rood mozaïek

 

D. DE DOMINANT‑WITFACTOR.

       Dominant wit                                                                  Dominant wit

 

E. DE RECESSIEF‑WITFACTOR.

       Recessief wit                                                                   Recessief wit

 

F. DE IVOORFACTOR.

       Geelivoor intensief                                                           Goudgeel ivoor

       Geelivoor schimmel                                                          Geelivoor

       Geelivoor mozaïek                                                            Geelivoor mozaïek

       Roodivoor intensief                                                           Roodivoor intensief

       Roodivoor schimmel                                                          Roodivoor

       Roodivoor mozaïek                                                           Roodivoor mozaïek. 

G. VETKLEURIGEN MET RODE OGEN.

       Lutino intensief                                                                 Lutino intensief

       Lutino schimmel                                                                Lutino

       Lutino‑ivoor intensief                                                        Ivoor lutino intensief

       Lutino‑ivoor schimmel                                                       Ivoor lutino

      Lutino mozaïek                                                                   Lutino mozaïek

       Lutino-ivoor mozaïek                                                         Ivoor lutino mozaïek

       Albino dominant                                                                Albino (dominant)

       Albino recessief                                                                 Albino (recessief)

       Rubino intensief                                                                Rubino intensief

       Rubino schimmel                                                              Rubino

       Rubino‑ivoor intensief                                                       Ivoor rubino intensief

       Rubino‑ivoor schimmel                                                     Ivoor rubino

       Rubino mozaïek                                                               Rubino mozaïek

       Rubino‑ivoor mozaïek                                                       Ivoor rubino mozaïek. 

II. DE KLASSIEKE KLEUREN. 

A. DE ZWARTREEKS.

       Zwart geel intensief                                                           Goudgroen

       Zwart geel schimmel                                                         Groen

       Zwart geelivoor intensief                                                    Goudgroen ivoor

       Zwart geelivoor schimmel                                                  Groenivoor

       Zwart geel mozaïek                                                           Groen mozaïek

       Zwart geelivoor mozaïek                                                    Groenivoor mozaïek

       Zwart wit dominant                                                            Leiblauw staalblauw (dominant)

      Zwartwit recessief                                                               Leiblauw staalblauw (recessief)

       Zwart rood intensief                                                           Brons intensief

       Zwart rood schimmel                                                          Brons

       Zwart roodivoor intensief                                                    Bronsivoor intensief

       Zwart roodivoor schimmel                                                  Bronsivoor

       Zwart rood mozaïek                                                           Brons mozaïek

       Zwart roodivoor mozaïek                                                    Bronsivoor mozaïek 

B. DE AGAATREEKS. 

       Agaat geel intensief                                                            Goudagaat

       Agaat geel schimmel                                                           Agaat

       Agaat geelivoor intensief                                                     Goudagaat ivoor

       Agaat geelivoor schimmel                                                   Agaativoor of geelivoor agaat

       Agaat geel mozaïek                                                            Agaat mozaïek

       Agaat geelivoor mozaïek                                                     Agaativoor mozaïek

       Agaat wit dominant                                                             Zilveragaat (dominant)

       Agaat wit recessief                                                              Zilveragaat (recessief)

       Agaat rood intensief                                                            Roodagaat intensief

       Agaat rood schimmel                                                           Roodagaat

       Agaat roodivoor intensief                                                     Roosivoor agaat intensief

       Agaat roodivoor schimmel                                                    Roosivoor agaat

       Agaat rood mozaïek                                                             Roodagaat mozaïek

       Agaat roodivoor mozaïek                                                      Roosivoor agaat mozaïek 

C. DE BRUINREEKS.

       Bruin geel intensief                                                               Goudbruin

       Bruin geel schimmel                                                              Bruin

       Bruin geelivoor intensief                                                        Bruinivoor intensief

       Bruin geelivoor schimmel                                                      Bruinivoor

       Bruin geel mozaïek                                                               Bruin mozaïek

       Bruin geelivoor mozaïek                                                        Bruinivoor mozaïek

       Bruin wit dominant                                                                Zilverbruin (dominant)

       Bruin wit recessief                                                                 Zilverbruin (recessief)

       Bruin rood intensief                                                               Roodbruin intensief

       Bruin rood schimmel                                                              Roodbruin

       Bruin roodivoor intensief                                                        Roosivoor bruin intensief

       Bruin roodivoor schimmel                                                       Roosivoor bruin

       Bruin rood mozaïek                                                                Roodbruin mozaïek

       Bruin roodivoor mozaïek                                                         Roosivoor bruin mozaïek

D. DE ISABELREEKS.

       Isabel geel intensief                                                               Goudisabel

       Isabel geel schimmel                                                              Isabel

       Isabel geelivoor intensief                                                        Goudisabel ivoor intensief

       Isabel geelivoor schimmel                                                       Geelivoor isabel

       Isabel geel mozaïek                                                                Isabel mozaïek

       Isabel geelivoor mozaïek                                                        Geelivoor isabel mozaïek

       Isabel wit dominant                                                                Zilverisabel (dominant)

       Isabel wit recessief                                                                 Zilverisabel (recessief)

       Isabel rood intensief                                                               Roodisabel intensief

       Isabel rood schimmel                                                              Roodisabel

       Isabel roodivoor intensief                                                        Roosivoor isabel intensief

       Isabel roodivoor schimmel                                                       Roosivoor isabel

       Isabel rood mozaïek                                                               Roodisabel mozaïek

       Isabel roodivoor mozaïek                                                        Roosivoor isabel mozaïek

 

III. DE NIET‑KLASSIEKE KLEUREN.

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

A. PASTEL. 

  1. 1.De zwartreeks.

       Zwart pastel geel intensief                                                          

      Goudgroen pastel

       Zwart pastel geel schimmel                                                       Groenpastel

       Zwart pastel geelivoor intensief                                                  Goudgroen ivoor pastel

       Zwart pastel geelivoor schimmel                                                Groenivoor pastel

       Zwart pastel geel mozaïek                                                         Groenpastel mozaïek

       Zwart pastel geelivoor mozaïek                                                  Groenivoor pastel mozaïek

       Zwart pastel wit dominant                                                          Blauwpastel (dominant)

       Zwart pastel wit recessief                                                           Blauwpastel (recessief)

       Zwart pastel rood intensief                                                         Bronspastel intensief

      Zwart pastel rood schimmel                                                         Bronspastel

       Zwart pastel roodivoor intensief                                                  Bronsivoor pastel intensief

       Zwart pastel roodivoor schimmel                                                 Bronsivoor pastel

       Zwart pastel rood mozaïek                                                          Bronspastel mozaïek

       Zwart pastel roodivoor mozaïek                                                   Bronsivoor pastel mozaïek. 

2. De agaatreeks. 

       Agaat pastel geel intensief                                                           Goudagaat pastel

       Agaat pastel geel schimmel                                                          Agaatpastel

       Agaat pastel geelivoor intensief                                                    Goudagaat ivoor pastel

       Agaat pastel geelivoor schimmel                                                   Geelivoor agaat pastel

       Agaat pastel geel mozaïek                                                            Agaatpastel mozaïek

      Agaat pastel geelivoor mozaïek                                                     Geelivoor agaatpastel 

     Agaat pastel wit dominant                                                              Zilveragaat pastel (dominant)

       Agaat pastel wit recessief                                                             Zilveragaat pastel (recessief)

       Agaat pastel rood intensief                                                            Roodagaat pastel intensief

       Agaat pastel rood schimmel                                                           Roodagaat pastel

       Agaat pastel roodivoor intensief                                                     Roosivoor agaatpastel intensief

       Agaat pastel roodivoor schimmel                                                   Roosivoor agaatpastel

       Agaat pastel rood mozaïek                                                            Roodagaat pastel mozaïek

       Agaat pastel roodivoor mozaïek                                                     Roosivoor agaatpastel mozaïek

3. De bruinreeks. 

       Bruin pastel geel intensief                                                              Goudbruin pastel

       Bruin pastel geel schimmel                                                             Bruinpastel

       Bruin pastel geelivoor intensief                                                       Bruinivoor pastel intensief

       Bruin pastel geelivoor schimmel                                                     Bruinivoor pastel schimmel

       Bruin pastel geel mozaïek                                                              Bruinpastel mozaïek

       Bruin pastel geelivoor mozaïek                                                       Bruinivoor pastel mozaïek

       Bruin pastel wit dominant                                                               Zilverbruin pastel (dominant)

       Bruin pastel wit recessief                                                               Zilverbruin pastel (recessief)

       Bruin pastel rood intensief                                                              Roodbruin pastel intensief

       Bruin pastel rood schimmel                                                            Roodbruin pastel

       Bruin pastel roodivoor intensief                                                       Roosivoor bruinpastel intensief

       Bruin pastel roodivoor schimmel                                                     Roosivoor bruinpastel

       Bruin pastel rood mozaïek                                                              Roodbruin pastel mozaïek

       Bruin pastel roodivoor mozaïek                                                       Roosivoor bruinpastel mozaïek. 

4. De isabelreeks. 

       Isabel pastel geel intensief                                                             Goudisabel pastel

       Isabel pastel geel schimmel                                                            Isabelpastel

       Isabel pastel geelivoor intensief                                                      Goudisabel ivoor pastel

       Isabel pastel geelivoor schimmel                                                     Geelivoor isabelpastel

       Isabel pastel geel mozaïek                                                              Isabelpastel mozaïek

       Isabel pastel geelivoor mozaïek                                                      Geelivoor isabelpastel mozaïek

       Isabel pastel wit dominant                                                              Zilverisabel (dominant)

       Isabel pastel wit recessief                                                               Zilverisabel (recessief)

       Isabel pastel rood intensief                                                             Roodisabel pastel intensief

       Isabel pastel rood schimmel                                                            Roodisabel pastel

       Isabel pastel roodivoor intensief                                                      Roosivoor isabelpastel intensief

       Isabel pastel roodivoor schimmel                                                     Roosivoor isabelpastel

       Isabel pastel rood mozaïek                                                              Roodisabel pastel mozaïek

       Isabel pastel roodivoor mozaïek                                                       Roosivoor isabel pastel mozaïek. 

B. GRIJSVLEUGEL.

        Zwart pastel grijsvleugel geel intensief                                            Goudgroen pastel grijsvleugel

       Zwart pastel grijsvleugel geel schimmel                                           Groenpastel grijsvleugel

       Zwart pastel grijsvleugel geelivoor int                                              Goudgroenivoor pastelgrijsvleu    

       Zwart pastel grijsvleugel geelivoor schimmel                                    Groenivoor pastel grijsvleugel

      Groenivoorpastelgrijsvleugel mozaik                            

       Zwart pastel grijsvleugel wit dominant                                                Blauwpastelgrijsvleugel dom  

       Zwart pastel grijsvleugel wit recessief                                                 Blauwpastelgrijsvleugel rec

       Zwart pastel grijsvleugel rood intensief                                               Bronspastelintensief grijsvleugl

       Zwart pastel grijsvleugel rood schimmel                                             Roodspastel grijsvleugel schimmel

       Zwart pastel grijsvleugel roodivoor int                                                Roodivoorpastel grijsvl intensief

       Zwart pastel grijsvleugel roodivoor schimmel                                       Roodivoor pastel grijsvleugel

       Zwart pastel grijsvleugel rood mozaïek                                               Roodpastel grijsvleugel mozaïek

      Zwartpastelgrijsvleugelroodivoormozaïek                                             Roodivooergrijsvleugel mozaiek.                  

 

C. OPAAL.

1. De zwartreeks. 

       Zwart opaal geel intensief                                                                  Goudgroen opaal

       Zwart opaal geel schimmel                                                                Groenopaal

       Zwart opaal geelivoor intensief                                                          Goudgroen ivoor opaal

       Zwart opaal geelivoor schimmel                                                         Groenivoor opaal

       Zwart opaal geel mozaïek                                                                  Groen opaal mozaïek

       Zwart opaal geelivoor mozaïek                                                           Groenivoor opaal mozaïek

       Zwart opaal wit dominant                                                                   Opaal wit (dominant)

       Zwart opaal wit recessief                                                                    Opaal wit (recessief)

       Zwart opaal rood intensief                                                                  Opaal rood intensief

       Zwart opaal rood schimmel                                                                 Opaal rood schimmel

       Zwart opaal roodivoor intensief                                                           Opaal Roodivoor intensief

       Zwart opaal roodivoor schimmel                                                          Opaal Roodivoor

       Zwart opaal rood mozaïek                                                                   Brons opaal mozaïek

       Zwart opaal roodivoor mozaïek                                                            Bronsivoor opaal mozaïek. 

2. De agaatreeks. 

       Agaat opaal geel intensief                                                                   Goudagaat opaal

       Agaat opaal geel schimmel                                                                 Agaatopaal

       Agaat opaal geelivoor intensief                                                           Oudagaat ivoor opaal

       Agaat opaal geelivoor schimmel                                                          Agaativoor opaal

       Agaat opaal geel mozaïek                                                                   Agaatopaal mozaïek

       Agaat opaal geelivoor mozaïek                                                            Agaativoor opaal mozaïek

       Agaat opaal wit dominant                                                                    Zilveragaat opaal (dominant)

       Agaat opaal wit recessief                                                                    Zilveragaat opaal (recessief)

       Agaat opaal rood intensief                                                                  Roodagaat intensief opaal

       Agaat opaal rood schimmel                                                                Roodagaat opaal

       Agaat opaal roodivoor intensief                                                           Roosivoor agaat intensief opaal

       Agaat opaal roodivoor schimmel                                                          Roosivoor agaat opaal

       Agaat opaal rood mozaïek                                                                  Roodagaat opaal mozaïek

      Agaat opaal roodivoor mozaïek                                                             Roosivoor agaat opaal mozaïek.

3. De bruinreeks. 

       Bruin opaal geel schimmel                                                                      Bruinopaal

       Bruin opaal geelivoor schimmel                                                               Bruinivoor opaal

       Bruin opaal geel mozaïek                                                                        Bruinopaal mozaïek

       Bruin opaal geelivoor mozaïek                                                                 Bruinivoor agaat opaal mozaïek

       Bruin opaal wit dominant                                                                        zilverbruin opaal (dominant)

       Bruin opaal wit recessief                                                                         Zilverbruin opaal (recessief)

       Bruin opaal rood schimmel                                                                      Roodbruin opaal

       Bruin opaal roodivoor schimmel                                                               Roosivoor bruinopaal

       Bruin opaal rood mozaïek                                                                        Roodbruin opaal mozaïek

       Bruin opaal roodivoor mozaïek                                                                 Roosivoor bruin opaal mozaïek. 

4. De isabelreeks (niet erkend). 

       Isabel opaal geel schimmel                                                                     Isabelopaal

     Isabel opaal geelivoor schimmel                                                                Geelivoor isabelopaal

       Isabel opaal geel mozaïek                                                                       Isabelopaal mozaïek

       Isabel opaal geelivoor mozaïek                                                                Geelivoor isabelopaal mozaïek

       Isabel opaal wit dominant                                                                        Zilverisabel opaal (dominant)

       Isabel opaal wit recessief                                                                         Zilverisabel opaal (recessief)

       Isabel opaal rood schimmel                                                                      Roodagaat opaal

       Isabel opaal roodivoor schimmel                                                               Roosivoor agaat opaal

       Isabel opaal rood mozaïek                                                                        Roodagaat opaal mozaïek

       Isabel opaal roodivoor mozaïek                                                                Roosivoor agaatopaal mozaïek. 

D. PHAEO. 

       Phaeo geel schimmel                                                                              Phaeo

       Phaeo geelivoor schimmel                                                                      Geelivoor phaeo

       Phaeo geel mozaïek                                                                               Phaeo mozaïek

       Phaeo geelivoor mozaïek                                                                        Geelivoor phaeo mozaïek

       Phaeo wit dominant                                                                                 Zilverphaeo (dominant)

       Phaeo wit recessief                                                                                 Zilverphaeo (recessief)

       Phaeo rood schimmel                                                                              Roodphaeo

       Phaeo roodivoor schimmel                                                                       Roosivoor phaeo

       Phaeo rood mozaïek                                                                                Roodphaeo mozaïek

       Phaeo roodivoor mozaïek                                                                         Roosivoor phaeo mozaïek. 

E. SATINET. 

       Satinet geel intensief                                                                                Goudsatinet

       Satinet geel schimmel                                                                              Satinet

       Satinet geelivoor intensief                                                                        Goudsatinet ivoor

       Satinet geelivoor schimmel                                                                       Geelivoor satinet

       Satinet geel mozaïek                                                                                Satinet mozaïek

       Satinet geelivoor mozaïek                                                                        Geelivoor satinet mozaïek

       Satinet wit dominant                                                                                 Zilversatinet (dominant)

       Satinet wit recessief                                                                                  Zilversatinet (recessief)

       Satinet rood intensief                                                                                Roodsatinet intensief

       Satinet rood schimmel                                                                               Roodsatinet

       Satinet roodivoor intensief                                                                          Roosivoor satinet intensief

       Satinet roodivoor schimmel                                                                        Roosivoor satinet

       Satinet rood mozaïek                                                                                 Roodsatinet mozaïek

       Satinet roodivoor mozaïek                                                                          Roosivoor satinet mozaïek.  

F. TOPAAS. 

1. De zwartreeks. 

       Zwart topaas geel intensief                                                                      Goudgroen topaas

       Zwart topaas geel schimmel                                                                    Groentopaas

       Zwart topaas geelivoor intensief                                                              Goudgroenivoor topaas

       Zwart topaas geelivoor schimmel                                                            Groenivoor topaas

       Zwart topaas geel mozaïek                                                                     Groen topaas mozaïek

       Zwart topaas geelivoor mozaïek                                                              Groenivoor topaas mozaïek

       Zwart topaas wit dominant                                                                      Blauwtopaas (dominant)

       Zwart topaas wit recessief                                                                       Blauwtopaas (recessief)

       Zwart topaas rood intensief                                                                     Brons intensief topaas

      Zwart topaas rood schimmel                                                                     Brons topaas

       Zwart topaas roodivoor intensief                                                              Bronsivoor intensief topaas

       Zwart topaas roodivoor schimmel                                                            Bronsivoor topaas

       Zwart topaas rood mozaïek                                                                     Brons topaas mozaïek

       Zwart topaas roodivoor mozaïek                                                              Bronsivoor topaas mozaïek. 

2. De agaatreeks. 

       Agaat topaas geel intensief                                                                    Goudagaat topaas

       Agaat topaas geel schimmel                                                                   Agaattopaas

       Agaat topaas geelivoor intensief                                                             Goudagaat ivoor topaas

       Agaat topaas geelivoor schimmel                                                            Agaativoor topaas

       Agaat topaas geel mozaïek                                                                    Agaat topaas mozaïek

       Agaat topaas geelivoor mozaïek                                                             Geelivoor agaattopaas mozaïek

       Agaat topaas wit dominant                                                                     Zilveragaat topaas (dominant)

       Agaat topaas wit recessief                                                                      Zilveragaat topaas (recessief)

       Agaat topaas rood intensief                                                                    Roodagaat intensief topaas

       Agaat topaas rood schimmel                                                                   Roodagaat topaas

       Agaat topaas roodivoor intensief                                                             Roosivoor agaattopaas intensief

       Agaat topaas roodivoor schimmel                                                            Roosivoor agaattopaas

       Agaat topaas rood mozaïek                                                                    Roodagaat topaas mozaïek

       Agaat topaas roodivoor mozaïek                                                             Roosivoor agaattopaas mozaïek

 

3. De bruinreeks.

 

       Bruin topaas geel intensief                                                                      Goudbruin topaas

       Bruin topaas geel schimmel                                                                     Bruintopaas

       Bruin topaas geelivoor intensief                                                               Goudbruin ivoor topaas

       Bruin topaas geelivoor schimmel                                                              Bruinivoor topaas

       Bruin topaas geel mozaïek                                                                      Bruintopaas mozaïek

       Bruin topaas geelivoor mozaïek                                                               Bruinivoor topaas mozaïek

       Bruin topaas wit dominant                                                                       Zilverbruin topaas (dominant)

       Bruin topaas wit recessief                                                                        Zilverbruin topaas (recessief)

       Bruin topaas rood intensief                                                                      Roodbruin topaas intensief

       Bruin topaas rood schimmel                                                                    Roodbruin topaas

       Bruin topaas roodivoor intensief                                                               Roosivoor bruintopaas intensief

       Bruin topaas roodivoor schimmel                                                              Roosivoor bruintopaas

       Bruin topaas rood mozaïek                                                                      Roodbruin topaas mozaïek

       Bruin topaas roodivoor mozaïek                                                               Roosivoor bruintopaas mozaïek..

F. EUMO. 

1. De zwartreeks. 

       Zwart eumo geel intensief                                                                 Oudgroen eumo

       Zwart eumo geel schimmel                                                                Groeneumo

       Zwart eumo geelivoor intensief                                                           Oudgroenivoor eumo

       Zwart eumo geelivoor schimmel                                                         Groenivoor eumo

       Zwart eumo geel mozaïek                                                                  Groen eumo mozaïek

      Zwart eumo geelivoor mozaïek                                                            Groenivoor eumo mozaïek

       Zwart eumo wit dominant                                                                   Blauweumo (dominant)

       Zwart eumo wit recessief                                                                    Blauweumo (recessief)

       Zwart eumo rood intensief                                                                  Brons intensief eumo

       Zwart eumo rood schimmel                                                                 Brons eumo

       Zwart eumo roodivoor intensief                                                           Bronsivoor intensief eumo

       Zwart eumo roodivoor schimmel                                                         Bronsivoor eumo

       Zwart eumo rood mozaïek                                                                  Brons eumo mozaïek

       Zwart eumo roodivoor mozaïek                                                       Bronsivoor eumo mozaïek 

. De agaatreeks. 

       Agaat eumo geel intensief                                                               Goudagaat eumo

       Agaat eumo geel schimmel                                                             Agaat eumo

       Agaat eumo geelivoor intensief                                                       Goudagaat ivoor eumo

       Agaat eumo geelivoor schimmel                                                      Agaativoor eumo

       Agaat eumo geel mozaïek                                                               Agaat eumo mozaïek

      Agaat eumo geelivoor mozaïek                                                         Geelivoor agaateumo mozaïek

       Agaat eumo wit dominant                                                                Zilveragaat eumo (dominant)

       Agaat eumo wit recessief                                                                 Zilveragaat eumo (recessief)

       Agaat eumo rood intensief                                                               Roodagaat intensief eumo

       Agaat eumo rood schimmel                                                              Roodagaat eumo

       Agaat eumo roodivoor intensief                                                        Roosivoor agaateumo intensief

       Agaat eumo roodivoor schimmel                                                       Roosivoor agaateumo

       Agaat eumo rood mozaïek                                                               Roodagaat eumo mozaïek

       Agaat eumo roodivoor mozaïek                                                        Roosivoor agaateumo mozaïek

3. De bruinreeks. 

       Bruin eumo geel intensief                                                             

 

       Bruin eumo geel schimmel                                                                Goudbruin eumoBruineumo

       Bruin eumo geelivoor intensief                                                           Goudbruin ivoor eumo

       Bruin eumo geelivoor schimmel                                                         Bruinivoor eumo

       Bruin eumo geel mozaïek                                                                  Bruineumo mozaïek

       Bruin eumo geelivoor mozaïek                                                           Bruinivoor eumo mozaïek

       Bruin eumo wit dominant                                                                   Zilverbruin eumo (dominant)

       Bruin eumo wit recessief                                                                   Zilverbruin eumo (recessief)

       Bruin eumo rood intensief                                                                  Roodbruin eumo intensief

       Bruin eumo rood schimmel                                                                 Roodbruin eumo

       Bruin eumo roodivoor intensief                                                           Roosivoor bruineumo intensief    

      Bruin eumo roodivoor schimmel                                                           Ivoor bruineumo

       Bruin eumo rood mozaïek                                                                   Roodbruin eumo mozaïek

       Bruin eumo roodivoor mozaïek                                                           Roodivoor bruin eumo mozaïek.

 

Het is door de C.o.M vastgelegd dat deze nieuwe naam geving zou worden gebruikt in alle landen het is heden nu ook zo ver dat alle landen bijna deze naamgeving gebruiken .Het is logisch dat sommige nog problemen hebben met het omgaan van de nieuwe naamgeving ,maar door u zelf op te leggen deze nieuwe naamgeving te gebruiken zult u deze ook vrij snel onder de knie hebben ,het helpt u tenslotte ook bij het ontleden van de kanarie in zijn algemeenheid. En dit draagt ook bij in uw kennis van de kanarie vogels.

Cursus deel 29 – Kanaries Houden

eitjes schouwen

KANARIES HOUDEN (Verkorte richtlijnen) – Deel 29

Als je vogels wilt houden, zijn er verschillende manieren om dat te doen: in een gezelschapsvolière, in een binnenverblijf met een kleine kamervolière, in kweekkooien op diverse plaatsen. Ook de doelen verschillen per behuizing. Dit geldt in mindere mate voor de verzorging van voer, bodembedekking, vitamines en/of medicijnen, maar er zijn altijd verschillen. In dit artikel wil ik een aantal systemen kort onder de aandacht brengen om het verschil aan te geven. Zo zul je zelf ontdekken waar de verschillen groot of klein zijn, zo niet gelijk.

1 – GEZELSCHAPS VOLIÈRE
Hierbij worden meestal een aantal koppels van verschillende soorten vogels in een volière (vlucht) gehouden. Dit kan zowel met een binnenhok wel of niet verwarmd, of voorzien van een buitenhok. Vele vogelsoorten zullen hier nooit of zelden tot broeden overgaan, om de eenvoudige reden dat als men meerdere koppels in een ruimte samenbrengt, er een gevecht ontstaat om het territorium. Weer andere soorten moeten met grote aantallen samen worden gebracht voordat ze aan voortplanting gaan denken. Deze vogelsoorten gedragen zich in groep altijd monogaam. Maar meestal treft men in zo’n volière van allerlei soorten vogels aan. Meestal is dit een liefhebber die niet aan tentoonstellingen meedoet maar alles meer ziet als gezelschapsvolière. In de meeste gevallen is zo’n volière voor de kweek nooit goed, want er zal wel gepaard, genesteld en gelegd worden. Maar door de grote variëteit onder de diverse soorten wordt er onderling gevochten, nesten afgebroken, eieren stuk gepikt, kortom er heerst in deze periode grote onrust in de volières. Ook komen er in dit soort volières erg veel ziekten voor. Dit komt door het grote verschil in voeders, soorten bodembedekking en ontlasting van eigen vogels en/of vogels uit de natuur. Verder zijn muggenbeten ook schering en inslag. Door de grote ruimte worden de vogels minder individueel gecontroleerd en het valt pas op als de vogel ergens verscholen in een hoekje zit. En meestal is het te laat, de vogel is al ernstig ziek en zo goed als verloren. Maar indien u in dit soort volières toch nog goed in overleg te werk gaat en de soorten redelijk goed op elkaar afstemt, is een gezelschapsvolière mooi.

2 – KLEINE VLUCHTEN (1 meter x 1 meter)
Dit systeem wordt ook regelmatig toegepast, zeker in de kanariekweek. Veel vogelsoorten zijn voor zo’n ruimte niet geschikt, om de eenvoudige reden dat de meeste vogels erg sterk monogaam zijn. Tropische vogels die worden geïmporteerd, worden vaak met meerdere in kleinere ruimtes geplaatst, vooral als men het verschil tussen mannen en popjes wil vaststellen. Vooral de mannen zullen zich op een bepaald moment veel agressiever gaan gedragen dan normaal. En zo komt men dikwijls eerder achter hun geslacht. De kleine vluchten worden meestal gebruikt voor het tijdelijk loslaten van TT-vogels in het TT-seizoen. Het meest worden deze vluchten gebruikt bij vogels die polygaam zijn. In zo’n geval plaatst men een man met drie poppen in deze ruimte (vlucht). Men zorgt verder voor goede bodembedekking en alles wat de vogels nodig hebben. Het enige wat je hier niet moet vergeten is dat men altijd het dubbele van de nestbakken erin hangt, anders komen er zeker problemen van. Meestal zal de man toch een popje kiezen waarmee hij samen het nest bouwt, broedt en de jongen verzorgt. Met de andere poppen zal hij na de paring een vluchtig contact hebben. Deze poppen moeten meestal zelf voor hun jongen zorgen, soms zal de man nog wat meebrengen bij de jongen, maar reken er niet te veel op. Bij dit soort kweeksystemen komen regelmatig gevechten en onregelmatigheden voor, bijvoorbeeld als twee poppen hetzelfde nest willen gebruiken en elkaars nest afbreken. Doordat ook niet altijd de poppen gelijktijdig hun eieren leggen, kunnen er in zo’n vlucht oudere jongen aanwezig zijn. Die op hun oorspronkelijke nest gaan slapen, dat met hun ontlasting vervuilen en/of andere eieren beschadigen, enz. Maar de kweek op deze manier is met wat aandacht goed uit te voeren.

3 – WISSELBROED
Dit systeem wordt erg veel toegepast bij kwekers die zich richten op maar enkele soorten vogels, meestal zijn dat gedomesticeerde vogelsoorten. Bij de kanariekweek wordt een man gekoppeld aan een 3-tal poppen die elk een aparte kweekkooi hebben. De man verhuist regelmatig van de ene pop naar de andere en wordt als de pop het tweede eitje heeft gelegd bij de pop weggehaald. Dit heeft het voordeel dat men minder vogels (mannen) nodig heeft en men eenvoudiger een stam kan opbouwen en registreren. Het nadeel is dat als je moet gaan werken, zoals de meeste mensen, het moeilijk wordt om op de gepaste tijden de mannen over te zetten, je moet blijven opletten. Maar het kweeksysteem kan perfect werken met minder vogels veel vogels kweken zeker ook als men aan specialisatie wil doen.

4 – PAARSGEWIJS BROEDEN
Dit is wel de meest voorkomende en hygiënische methode bij onze kanariekwekers en ook bij vele andere soorten. De broedkooien zijn uitgevoerd in hokjes van 454545 cm, of naar gelang de vogelsoort, dit voorzien voor een voorfront met een uitneembare zandlade en zitstokjes. Men kan deze hokjes goed afsluiten en opstellen, goed ontsmetten en bestrijden tegen ongedierte, kortom alles is in zo’n kweekhok goed mogelijk. Deze kweek is, zoals ik al eerder schreef, het meest voorkomende systeem. Vooral voor vogels waarvan men een bewuste keuze heeft gemaakt van de ouders, dit met name op de gewenste erfelijke factoren in het nageslacht, zeer goed kent en wil vastleggen en gaan gebruiken in zijn gehele stamkweek. Het enige kleine nadeel is dat men over meer vogels moet beschikken, maar dat men minder tijd heeft, is dit een goede en prachtige, mooie overzichtelijke methode. Men ziet ze overal bij de parkietenkwekers, Europese vogels, enzovoort. Alleen worden de kweekhokjes vervangen door grotere ruimten aangepast aan de vogelsoorten.

5 – DE HYGIËNE BIJ ONZE VOGELS
Hierover is heel veel te schrijven, maar dat was ik in dit artikel niet van plan. Wel wil ik benadrukken dat dit een groot onderdeel is van het vogelverblijf en van de vogels dat nooit of te nimmer over het hoofd mag worden gezien.

Tot de hygiëne dragen alle onderdelen bij waarvan een vogelverblijf in welke vorm en materialen ook is gemaakt. Zeker de manier hoe het vogelverblijf kan worden schoongemaakt en onderhouden. Ook hoe een vogelverblijf verontreinigd kan worden van buitenaf is erg belangrijk en er zal bij de bouw ook altijd rekening mee gehouden moeten worden.

6 – WANDEN EN ONDERKOMEN VAN EEN VOGELVERBLIJF

Houten wanden, schotjes, slaaphokjes en kweekbakken die gemaakt zijn van minder duurzame houtsoorten zijn over het algemeen moeilijk schoon te houden. Deze zitten dikwijls vol scheurtjes en barsten, zeker als ze meerdere keren nat en droog zijn geweest. Vooral hardboard en spaanplaat zijn uit den boze. Gebruik als je budget het toelaat altijd duurzame materialen om je vogelverblijf en kweekhokken te maken. Hoe minder kieren en barsten en hoe harder het materiaal, des te kleiner de kans dat er luizen of ander ongedierte zich hier gaat vestigen. Ook moet het materiaal goed afwasbaar zijn en/of goed te verven met bijvoorbeeld latexverf. Zorg ook voor voldoende ventilatie in de kweekruimte en houd rekening met de lichtinval en zon. Geplastificeerde kooien en bouwpakketten zijn niet per se hygiënischer dan een goede houtsoort, maar ze zijn over het algemeen iets makkelijker te onderhouden. Ook hier is de hygiëne van de liefhebber belangrijk. Bestaande volières en kweekbakken die gemaakt zijn van een goede houtsoort zou ik aanraden te behandelen met een twee componenten verf die tegenwoordig in de handel is. Deze is bijzonder resistent tegen lichtinval, chemicaliën, ontlasting en invloeden van buitenaf. Het is een iets duurdere verf, maar op termijn is dit even duur. Voordat je gaat verven, dien je de naden eerst nog eens goed af te kitten. Daardoor verminder je nogmaals de kans dat ongedierte zich daar zal gaan ophouden.

7 – DE ZITSTOKKEN IN HET VOGELVERBLIJF

Ook deze kunnen, mits niet goed gemaakt of gemonteerd, een bron van vervuilingen en besmettingen zijn en zodoende aanleiding geven tot vele problemen. Het zijn meestal de zitstokken die de overdrager zijn van ziektes in het vogelverblijf. De vogels wrijven immers erg veel met hun snavel langs deze stokjes, waardoor het overdragen van ziekten groter is, zeker als men de stokjes moeilijk of niet schoon kan houden. Zitstokken dienen van een hardhoutsoort gemaakt te zijn en de vogel moet de stok net niet kunnen omklemmen. Dit heeft ook het voordeel dat de vogels hun teennagels redelijk op een normale manier kunnen afslijten. Zijn de zitstokken te dik of te dun, dan geeft dit de vogel aanleiding een slechte houding aan te leren en ook de kans op onbevruchte eieren is erg groot. Over de zitstokken in het algemeen heb ik al eens een artikel geschreven. Ik denk dat het raadzaam is bij het maken en/of veranderen van je vogelverblijf of kweekhok dit nog eens door te lezen.

8 – DRINKWATER BIJ ONS VOGELVERBLIJF

Drinkwater dient te allen tijde beschikbaar te zijn. Het moet bovendien altijd schoon en fris zijn. Vooral bij onze kanaries, en zeker ook bij de tropen, is het fataal als deze langer dan 12 tot 16 uur zonder drinkwater komen te zitten. Kanaries drinken erg veel en regelmatig, ongeveer 5 ml per vogel van 20 gram. Drinkwater geven in een open bak is echter nooit aan te raden, dit water is meestal door het baden, ontlastingen en andere factoren binnen enkele uren bedorven en wordt een voedingsbodem voor allerlei soorten bacteriën. Zeker als men de bak ook nog eens plaatst onder een zitstok. De meest gebruikte drinkfonteintjes zijn het meest hygiënisch, maar je hebt vogels die toch nog van alles in het tuitje dragen, wat kan leiden tot verontreinigd drinkwater. De laatste jaren wordt er steeds meer overgegaan op de drinkflesjes die men al reeds bij de kleinveedieren gebruikte, namelijk het flesje met het kogeltje. Dit is wel de zuiverste manier van water geven. Maar voor iedereen moet duidelijk zijn dat hier grote aandacht aan besteed moet worden.

9 – BADWATER

Evenals drinkwater is badwater erg belangrijk voor onze vogels, zowel voor de hygiëne als voor de vochtregeling bij bijvoorbeeld het broeden. Het is belangrijk dat als men badwater geeft, zeker 2 tot 3 keer per week (met vorst niet natuurlijk), dit na 1 tot 2 uur weer wordt weggehaald. Geef geen badwater laat in de avond of in de winter. Geef de vogels ruim de tijd om op te drogen na het baden. Als men medicatie geeft in het drinkwater, dient men nog meer aandacht te besteden aan het schoonmaken van de flesjes, maar ik denk dat jullie dit wel weten, zoals al het andere in dit artikel, of niet soms?

10 – DE VOEDERBAKJES (ZAADBAKJES)

De grootte, plaats en de vorm van de voerbakjes zal uiteraard afhangen van het soort vogelverblijf of kweekhokmethode. Grote bakken en schalen staan meestal in grote volières. Deze bakken zullen meestal erg vervuild raken door de omgeving. Het zal ernstige vormen aannemen als de liefhebber de bakken niet regelmatig schoonmaakt, maar nog erger als hij, en je ziet het regelmatig, de rest van het zaad verzamelt, de lege schilletjes wegblaast en de rest van het oude voer teruggeeft. Hier kun je problemen verwachten, niet alleen als je dit doet in een buitenvolière, maar ook als je dit doet in je kweekhokjes of andere hokken. Het beste is de vogels voer te geven zoveel dat ze in een dag opnemen. Zo krijgen ze alle voedingsstoffen die ze nodig hebben, en voorkom je dat de vogels er alleen het lekkerste uit halen en de voeding voor de vogel te eenzijdig wordt, wat kan leiden tot zwakte en ziekte. Maak de bakjes regelmatig leeg en schoon en voorkom schimmelvorming die eerder ontstaat dan je zou verwachten. De beste plaats voor onze voederbak is nog aan de buitenzijde van de volières of kweekhokjes. Worden de voerbakjes toch in de ruimte gezet, zorg dan voor een afdak erboven zodat er zeker geen ontlasting of regen het voer kan vervuilen.

11 – KIEMZAADBAKJES

Dit komt nu bij me op, en daarom schrijf ik hier ook maar een stukje over. Hiervoor geldt in nog sterkere mate dat een goede hygiëne in acht genomen moet worden. Goede gezonde kiemzaden zijn eiwitrijk (18-21%). Ze worden meestal met vocht (water) gemengd, wat optimale mogelijkheden biedt voor bacteriën en schimmels om zich te ontwikkelen. Het dagelijks goed uitwassen en spoelen van deze bakjes is zeer aan te bevelen, en dit met kokend water goed naspoelen en laten drogen alvorens opnieuw kiemzaad aan te maken.

12 – DE BODEMBEDDEKKING

Dit is ook een niet te onderschatten belangrijk aspect in de vogelkweek, hier zal zich alles gaan verzamelen en een begin ontstaan van allerlei ziekten en symptomen in onze vogelsport. Kwekers die hier zeer streng op zijn, zullen gespaard blijven van ziekten en andere problemen. Helaas beseft niet iedereen dit. Maar uit onderzoeken is gebleken dat in kweekhokjes waar dagelijks de bodembedekking werd gezuiverd en vernieuwd, het aantal bacteriën in de vers geproduceerde ontlasting heel sterk afneemt. Totdat er een toestand is bereikt waarbij de aerobe kiemen vrijwel uit de ontlasting zijn verdwenen. Bij gezonde passeriformen en psittaciformen zullen bij een goede bodemhygiëne, schoon drinkwater en voer geen aerobe kiemen uit de faeces geïsoleerd kunnen worden. De aanwezigheid van Enterobacteriaceae (coccidiose) duidt altijd op een zeer slechte hygiëne in ons vogelverblijf. Misschien klinkt het moeilijk, maar een gewaarschuwd kweker telt voor twee. Indien er sprake is van een bacteriële infectie zoals coccidiose, is het raadzaam eerst je aandacht te vestigen op de bodembedekking voordat je de vogel of het voer de schuld geeft. Dit kan door dagelijks de bodembedekking te vervangen, en/of de vogels op kranten of een draadbodem te zetten. Fijn zilverzand of rivierzand is niet slecht, maar dit kan relatief weinig vocht opnemen wat het kiemen van bacteriën kan bevorderen. Je kunt dit oplossen door hier 50% kattenbakvulling tussen te mengen. Ofwel ga volledig over op deze vulling, maar zorg er dan wel voor dat je altijd een bakje met schelpengrit en maagkiezel ter beschikking hebt staan. Als je een goed droog hok hebt, is het vervangen na ongeveer 14 dagen voldoende. Je zult dit zelf het beste kunnen waarnemen. Ook houtkrullen zijn een goed product, maar let wel op regelmatig verversen en niet bijvullen. Buitenvolieres zijn veel moeilijker te onderhouden, en hier is grote aandacht vereist, zeker als men een zandbodem heeft. Hier moet men zorgen dat het oude zaad regelmatig wordt opgeruimd, vers drinkwater houden en als het kan voer alleen in je binnenhok. Of maak een betonnen bodem die iets schuin afloopt zodat je het goed kunt schoonmaken (spuiten). Houdt men in de volière de zwarte aarde aan, doe dan nooit de mest steeds maar inspitten met al het zaad en nog wat, maar haal dit weg en spit jaarlijks de bodem om tot op een diepte van ongeveer 45 cm. Haal voor het omspitten de bodemverontreiniging altijd weg, dit zal in een buitenvolière ook de problemen van coccidiose wegnemen. En als het kan, overdek ook de buitenruimte met bijvoorbeeld lichtdoorlatende golfplaten.

13 – DE VOEDING:

Voor de meeste zaadeters bestaat het voer uit een zaadmengsel, eivoer en eventuele versnaperingen. Kanaries nemen met hun zaadmengsel ook ongeveer 18% eiwit op. Het zo genaamde eivoer is bij iedereen bekend. Dit voeren we extra tijdens de kweek en in iets mindere mate in de rustperiode, maar we moeten het blijven geven voor een gezond vogelbestand. Het mag echter nooit gezien worden als vervanging van de eiwitten uit de zaden. Veel kwekers maken ook zelf hun eivoer, bijvoorbeeld met drie beschuiten met een hardgekookt ei ertussen. Dit mengsel bevat ongeveer 21% eiwitten, waarvan het grootste deel uit dierlijke eiwitten bestaat. Voeg hier de nodige mineralen en vitaminen aan toe en je hebt een perfect eivoer. Vaak geven wij vogelkwekers te veel voer, waardoor de vogels kieskeurig worden en alleen het lekkerste eruit halen. Dit leidt tot een te eenzijdige voeding met minder goede kweekresultaten.

Tegenwoordig geven de meeste kwekers een gerantsoeneerde voeding, die bestaat uit:

Vier gram zaad (goede kwaliteit)
Een gram eivoer (+/- 21% eiwitten)
Een bakje met vogelgrit en mineralen altijd stand-by
Let op, dit is voldoende voor EEN volwassen vogel.

Het toevoegen van eiwithoudende producten kan, maar is altijd gevaarlijk bij een te hoge dosis. Diarree is het resultaat van een teveel aan eiwitten. Over het geven van gekiemde zaden lopen de meningen nog sterk uiteen. Slecht is het niet, maar geef dan altijd met mate en zorg ervoor dat dit niet het hoofdvoedsel van de vogels wordt, zeker niet tijdens de kweek, omdat het hoge vochtgehalte tot allerlei nare gevolgen kan leiden. Let ook op dat je kiemzaad niet verzuurt of dat er schimmel optreedt. Het is het beste om het wat te mengen onder je eivoer als je dit geeft, maar weer met mate. Bij het zelfstandig worden van jonge vogels, als deze van de ouders worden gescheiden, worden soms fouten gemaakt met de zaadmengeling. De bek van de jonge vogel is nog te zacht om de zaden te pellen en als je ze dan onvoldoende eivoer geeft, kunnen de jongen het loodje leggen door een gebrek aan voer.

Breek dus in de eerste weken de zaadmengeling wat voor deze jonge vogels en geef eivoer met wat gekiemde zaden er tussendoor gemengd. De verhouding per jonge vogel is 3 gram zaad en 2 gram eivoer. En let erop dat de jonge vogels ook de eerste dagen het drinkwater kunnen vinden.

14 – HET BROEDEN en zijn problemen

Een te lage of te hoge relatieve luchtvochtigheid (normaal 60 tot 70%) in onze broedruimten resulteert in een slecht uitkomstpercentage, bacteriële verontreiniging van de eieren, sterfte in het ei en/of zieke ouder vogels, enzovoort. Bij kanaries en veel andere soorten worden de eieren geraapt om ze pas terug te leggen als het legsel volledig is. Het voordeel hiervan is dat alle eieren tegelijk uitkomen en er minder zwakke jongen zijn. Er kan echter ook een nadeel zijn als men de eieren niet goed weglegt en regelmatig keert, namelijk uitzakkingen van de hagelsnoeren en/of bacteriën die door de eischaal dringen (bijvoorbeeld bij een vochtige ondergrond). Tijdens het broeden geven we de vogels alleen zaadmengsel; op de dag van het uitkomen geven we eivoer ter beschikking. Ook hier zijn de meningen over verdeeld. Sommige kwekers geven al daags voor het uitkomen eivoer, maar anderen spreken dit tegen en zeggen dat de jonge vogel de eerste 24 uur moet teren op de resten van de dooierzak. Als je eerder eivoer geeft, kan dit leiden tot sterfte op de 6e dag, maar iedere kweker zal zijn eigen mening hierover hebben. Ikzelf geef daags voor het uitkomen eivoer ter beschikking en dat gaat goed. Ik heb wel eens jongen dood rond de 6 dagen, maar of dat daaraan ligt, weet ik nog zo zeker niet. De temperatuur in de kweekruimte mag nooit te hoog liggen; 18 tot 19 graden is voldoende en zal de bacteriën minder kans geven om zich te ontwikkelen. Let er ook op dat de pop niet alleen zaad geeft aan de jongen, want dit kan sterfte veroorzaken onder de jongen. Als dit zo is, controleer dan je eivoer. Is dit goed, verwijder dan het zaad en geef de eerste dagen heel kleine beetjes zaad. Als de pop veel drinkt, kan dit wijzen op een tekort aan kropsappen. Geef wat extra groenvoer of nog beter, wat kiemzaad of vogelmuur, maar met mate.

15 – NESTMATERIAAL:

Er is veel en weinig over te vertellen. Er zijn voldoende goede materialen te koop, gebruik deze dan ook. Zorg wel voor een niet te fijn materiaal, zodat de pootjes er niet in verstrikt kunnen raken. Een waarschuwing voor misschien jonge liefhebbers: gebruik nooit touw dat gebruikt wordt voor het binden van strobalen. Dit touw is namelijk behandeld met een soort gif om knagen door muizen tegen te gaan, namelijk pentachloorfenol. Als je dit gebruikt, komt dit tijdens het broeden van de pop vrij en dringt het door de poriën van het ei heen, met als resultaat directe sterfte van het embryo. Het zal zeker niet de eerste en de laatste keer zijn dat dit gebeurt. Koop dus je nestmateriaal en zorg ervoor dat het nest aan de binnenzijde altijd glad is afgewerkt. Controleer na enkele dagen broeden of de nestbodem voldoende glad blijft en hou ook de man in de gaten dat deze door vervelling of drift niet aan het nest gaat plukken. Gebeurt dit, dan is het het beste om de man tijdelijk te verwijderen en de pop alleen verder te laten broeden.

Wout van Gils

Cursus Deel 30 : Ontsmetten en Bestrijden

Ontsmetten en bestrijden – Deel 30

Vaak wordt gezegd, en terecht: “Voorkomen is beter dan genezen.” Dit geldt zeker ook voor dit onderwerp. Het valt me op dat anno 1999 niemand meer last zou moeten hebben van luizen in zijn kweekruimte en kweekhokken (in buitenvolières is dit een ander verhaal). Toch hoor je nog regelmatig dat veel liefhebbers last hebben van dit ongedierte, en dan wordt gezegd: “Dit is je eigen schuld,” maar dat hoeft helemaal niet te gebeuren. Daarom nogmaals een artikel over een methode om je hokken vrij te houden van luizen en ander ongedierte. Eerst in het kort iets over luizen in het algemeen.

De Bloedluis

bloedmijtDe naam is welbekend in onze vogelliefhebberij, maar eigenlijk behoort deze tot de “Mijten” en zou een wetenschappelijke naam dragen, namelijk “Dermanyssus gallinae”, behorende tot de spinachtigen. Maar laten we het gewoon houden bij de bloedluis, zoals we hem allemaal kennen. Deze luis heeft 4 paar pootjes en een mond met zuignapjes om bloed op te zuigen. Ze zijn over het algemeen ongeveer 1 mm groot. Deze mijt heeft normaal gesproken een grijsachtige kleur, maar nadat hij onze vogels heeft bezocht, krijgt hij een rode kleur van het bloed dat hij heeft opgezogen. De volwassen vrouwtjes leggen hun eieren in nesten, kieren, scheuren, achter nestbakjes, tussen tralies, kortom overal waar ze maar kunnen kruipen. Afhankelijk van de temperatuur komen ze na 2-9 dagen uit! Zo kan er bij een plotselinge temperatuurstijging een ware explosie van luizen ontstaan. De larven metamorfoseren zonder zich te voeden. Voor de stap naar een volwassen luis is slechts één bloedmaaltijd noodzakelijk. ALS JE BEDENKT DAT EEN VROUWTJE IN HAAR 2 MAANDEN DURENDE LEVEN ONGEVEER 2500 EITJES OF MEER KAN LEGGEN!! Je kunt je voorstellen wat voor een explosie er kan ontstaan in een kweekruimte. Luizen kunnen zelfs WEL 3 MAANDEN ZONDER ETEN! Om dan bijvoorbeeld bij een temperatuurstijging plotseling tevoorschijn te komen. Overdag zitten ze tussen de kieren, ’s nachts zijn ze actief. Vooral onze jonge nestvogels hebben het dan zeer zwaar. Ze kunnen de mijten onmogelijk van hun lijf houden, en na enkele dagen zal de naakte huid verbleken en zullen ze de kracht niet meer hebben om bij het voeren de kop op te steken. De dood zal snel volgen en zich verspreiden in je kweekruimte.

De Vedermijt

Dit is, net als de bloedluis, een parasiet. In tegenstelling tot de bloedluis heeft deze het niet gemunt op bloed, maar op de vederschacht van onze vogels. De vedermijt verschuilt zich in de wortel ontstaan bloedluisvan de veer en vreet deze wortel zo ver weg dat de veer geen enkele kans krijgt om aan te groeien. Ook zal de luis constant aanwezig zijn op onze vogels. Dit heeft voor de luis op zich zijn voordelen en nadelen. Er is continu een aanbod van voedsel, maar het nadeel is dat de vogel zelf wel wat kan bestrijden door zelf te vangen, te baden, te graven in de zandbak, enzovoort. Maar de snelle uitbreiding van de luizen zal de vogel wederom het onderspit moeten delven, en een ramp veroorzaken aan de bevedering van onze vogels.

Hoe te ontsmetten en te bestrijden?

Ik kan er niet genoeg op terugkomen, liefhebbers, maar voor de kweek moeten we beiden doen. Menig liefhebber zegt het: “Ik heb mijn hokken ontsmet, zelfs direct na de kweek nogmaals en nogmaals voor de kweek. En toch heb ik luizen!” JA NATUURLIJK, want deze liefhebber is iets vergeten, namelijk het bestrijden op lange termijn van dit ongedierte. Ik weet dat als je je kweekhokken goed wilt ontsmetten en bestrijden, dit toch wel wat kosten met zich meebrengt. Maar vergelijk dit eens met het verlies van diverse nesten dode jongen in de kweek, en het zal daar zeker niet bij blijven. Ook het ziektepatroon zal toenemen, inclusief alle narigheden die erbij horen, poppen die het nest verlaten, bloedarmoede, dode jongen, enzovoort. Dit weegt bij lange na niet op tegen de kosten die je moet maken om je hokken en de kweekruimte te ontsmetten en te bestrijden.

  1. HET ONTSMETTEN

Uiteraard zullen alle kweekhokjes en ruimten goed worden gereinigd na het kweekjaar. We gaan nu, 3 á 4 weken voor de kweek, de kweekhokjes nogmaals goed nawassen met warm water. Als het water is afgekoeld, nemen we nieuw water en voegen we een ontsmettingsmiddel toe, zoals Javel of een ander bekend middel zoals Jodium. Een voorbeeld van een natuurlijk product is Home Shield. Er zijn zeker nog meer producten, elk is goed als je het maar doet en ook zo heet mogelijk gebruikt. Zorg er ook voor dat alle naden, kieren, spleten, voorfronten, eet- en drinkbakjes goed worden gereinigd. Na deze wasbeurt, als alles goed is opgedroogd, alle naden en kieren afdichten met bijvoorbeeld siliconenkit.

  1. HET BESTRIJDEN

Nadat we het bovenstaande goed hebben uitgevoerd, gaan we onze kweekhokjes en kooien bestrijden voor een langere periode (de kweekperiode) tegen het ongedierte.

Tijdens het ontsmetten zijn alle microben, eitjes, luizen, enzovoort vernietigd. Maar ze komen terug als we geen voorzorgsmaatregelen nemen. En dat doen we nu door het bestrijden. Een aantal dagen nadat we onze kooien hebben gereinigd (ontsmet), gaan we, nadat we alle eet- en drinkbakken hebben verwijderd, ten aanval. Met andere woorden, we gaan bestrijden.

Lees, voordat je begint, eerst goed de bijsluiter en bescherm jezelf ook tegen het product.

Wanneer kunnen de vogels terug in het verblijf? Of mogen de vogels erin blijven? Hoe lang moeten ze uit het hok blijven? Hoe moet ik het product gebruiken? Hoe moet ik mijzelf beschermen? Hoe lang werkt het product?

Nadat we dit allemaal hebben gecontroleerd en de keuze voor het bestrijdingsproduct is gemaakt, gaan we over tot het bestrijden van het ongedierte voor een langere periode. Spuit alles goed in, naden, kieren, bodems, laden, voorfronten, kortom de gehele kweekkooi. Vergeet zeker niet de zitstokjes en de broedbakjes. Wees niet te zuinig en zorg dat je alles hebt behandeld.

Enkele bestrijdingsmiddelen:

  • Birdspray
  • Alugan
  • Ardap
  • Ecto Parasieten spray
  • Edialux
  • Dutchy’s (Roofmijten)
  • Birdy – Finect
  • Yvermectine

Met deze en andere heb ik al vele jaren zeer goede resultaten geboekt. Het resultaat: GEEN LUIZEN. Na de eerste ronde hang ik ’s nachts enkele malen per week een vapona strip op. Dit om mogelijke insecten die binnenkomen geen kans te geven om zich voort te planten. En nogmaals: als je de zaken, genoemd in dit artikel, goed uitvoert, staat één ding vast: je zult dit jaar geen enkele last hebben van luizen of welk ongedierte dan ook. Vogelkwekers, ik hoop met dit artikel nogmaals aan iedereen duidelijk te hebben gemaakt dat ONTSMETTEN EN BESTRIJDEN twee afzonderlijke zaken zijn en dus ook onafhankelijk van elkaar moeten worden uitgevoerd. Het verzorgen van kanarievogels is ook een specialiteit. In de natuur gebeurt dit automatisch door diverse natuurelementen. In onze kweekruimte zullen we dit zelf moeten doen. Bij elke vogelliefhebber, met een schoon en verzorgd kweekhok/volière met daarin gezonde, levendige vogels, zullen veel problemen wegblijven, want GEZONDE VOGELS DOEN HET ALTIJD. Het is aan ons vogelliefhebbers om dit te creëren. Een goede kweek zonder bloedluis.

Wout van Gils

De verervings tabel

De Verervings Tabel.

 

VERERVINGS TABEL – KLEURKANARIES .
factor. symbool geslachts gebonden geslachts onafhank. dominant recessief kenmerk
Enzymefactor E+ ja zie: A
Enzymefactor E ja ja zie: B
Inofactor ino ja ja zie: C
Zwartfactor z+ ja zie: D
Bruinfactor eumelanine Z ja ja zie: E
Opbleekfactor 1e reductiefactor rb ja ja zie: F
Pastelfactor 2e reductiefactor rz ja ja zie: G
Satinetfactor 3e reductiefactor rm ja ja zie: H
Mozaïek factor m ja ja zie: I
Ivoorfactor sc ja ja ja zie: J
Roodfactor r+ ja zie: K
Geelfactor G ja ja zie: L
Bruinfactor Pheaomelanine B+ ja zie: M
Blauwfactor B ja ja zie: N
Intensief factor i ja ja zie: O
Dominant-wit factor CB ja ja zie: P
Recessief-wit factor cb ja ja zie: Q
Opaalfactor so ja ja zie: R
Topaas sm ja ja zie: S
Eumo EU ja ja zie: T

Cursus Deel 31: Ziekten bij kanarievogels

Ziekten bij kanarievogels: Deel 31.

Het grootste probleem waarmee vogelhouders te maken krijgen.

Eigenlijk zou deze rubriek aan een deskundige dierenarts moeten worden overgelaten. Helaas zijn de dierenartsen die zich interesseren voor kooi- en volièrevogels nog dun gezaaid en ontbreekt het hen vaak aan praktijkervaring op dit gebied. Bovendien is het vaak zo dat de kosten van een onderzoek de waarde van de vogel overstijgen. Toch raad ik zowel de onervaren liefhebber als de meer ervaren kweker aan om, zeker bij meerdere sterfgevallen binnen korte tijd, een dierenarts te raadplegen of de vogel op te sturen voor autopsie.

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen beide partijen leren, vooral als de ziekteverschijnselen van de vogel vooraf goed zijn bestudeerd. Het is niet mijn bedoeling hier uitgebreid in te gaan op alle ziekten. Het gaat erom wat vogelhouders kunnen doen om de meest voorkomende ziekten te voorkomen of te bestrijden. De nadruk moet liggen op preventie. Dat betekent niet dat we volledig gespaard zullen blijven van ziekten, maar de kans op epidemische uitbraken is wel aanzienlijk kleiner geworden.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met de woonplaats. Mensen die in vochtige omgevingen wonen, zoals bij moerassen, kanalen of rivieren, lopen een groter risico dan mensen die op droge zandgrond wonen. Dit geldt zowel voor mensen als voor vogels. Natuurlijke selectie is in een volière onmogelijk; dit kan alleen in de natuur plaatsvinden. In kooien en volières, waar veel vogels op een beperkte oppervlakte verblijven, is dit een utopie. Deze selectie moet de liefhebber grotendeels zelf doen door middel van goede selectie, koppeling en verzorging, en dit alles nauwkeurig vast te leggen in het beruchte kweekboek. Alleen op deze manier is het mogelijk ziektes redelijk onder controle te houden, maar ze zullen nog steeds voorkomen in meer of minder ernstige vormen. Alleen deskundig gebruik van medicatie kan bij het uitbreken van ziekten een oplossing bieden. Zo niet, kan in sommige gevallen 60 tot 70 procent van uw vogels sterven, en wat nog erger is, de overlevenden worden bijna allemaal drager en zullen hun eieren en eventuele jongen besmetten, wat vaak leidt tot mislukte broedseizoenen. Denk bijvoorbeeld aan de BLAUWE STIP die de laatste jaren bij veel liefhebbers voorkomt; dit is hier zeker een oorzaak van.

Houd er rekening mee dat de meeste wilde zangvogels veel gevoeliger zijn voor specifieke infecties dan de kanarie, die al vele jaren in gevangenschap wordt gekweekt en enige resistentie heeft opgebouwd tegen veel ziekten. Het feit dat de meeste wilde zangvogels sneller stress ervaren, soms minder krachtvoer eten en daardoor een slechtere conditie hebben, zorgt ervoor dat infecties beter aanslaan. Een eerste vereiste is leren onderscheid te maken tussen een gezonde vogel en een vogel die niet in conditie is. Over het algemeen geldt dat een vogel die met de kop in de veren zit en weinig neiging heeft om te vliegen al behoorlijk ziek is. Vang onmiddellijk vogels die niet fit zijn. Houd de vogel tegen uw oor en luister naar de ademhaling. Een iets snellere ademhaling is normaal. Elk piepend, fluitend of klikkend bijgeluid is verdacht. Blaas vervolgens de buikveren op en bekijk wat er abnormaal is. Een gezonde lever is praktisch onzichtbaar. Een gezonde buik is enigszins ingetrokken. De darmen zijn normaal gesproken bijna niet zichtbaar. Is de huidskleur goed? Is de vogel vermagerd? Zijn er parasieten aanwezig, enzovoort…

Een goede waarneming is ook nog altijd de observatie. Let op, als de vogel op de stok zit, moet deze ook rustig zitten. Als de vogel ademhaalt en de staart beweegt op en neer, is dit geen goed teken; de vogel heeft mogelijk iets aan de luchtwegen of een infectie. Blaas de vogel voorzichtig op en bekijk de onderbuik. Houd de vogel ook eens tegen uw oor; verzorg een vogel direct als er symptomen zijn, voordat het te laat is. De helderheid van de ogen van de vogel onthult ook veel over de conditie ervan; let hier goed op. Bij vogels met de recessief witte factor zijn tranende ogen een zorgwekkend teken, en sterk blauw geworden hoorndelen duiden ook op mogelijke problemen. De symptomen laten zich zien, en het is aan ons om tijdig in te grijpen (verzorgen). Isoleren van de vogel in een ziekenkooi is aan te raden. Leg op de bodem eerst een stuk krantenpapier of een plaatje om de uitwerpselen te verzamelen en te controleren. Noteer eventuele afwijkingen voordat u een dierenarts of ervaren liefhebber raadpleegt.

U (en de dierenarts en/of liefhebber) zullen telkens iets leren van deze handelingen. Voer dezelfde controles uit als u een vogel gaat kopen of ruilen. Geef altijd onmiddellijk een geneesmiddel aan uw zieke vogel, omdat meerdere exemplaren geïnfecteerd kunnen zijn. U kunt dan alvast vaststellen of het gebruikte middel effectief is en het indien nodig aanpassen bij volgende patiënten. Zorg voor de juiste dosering en overdrijf niet. Het juiste medicijn kan variëren tussen liefhebbers, en er zijn veel opties op de markt. Ik noem bewust geen namen om misverstanden en/of vooroordelen te vermijden. Liefhebbers die willen weten wat ik gebruik of advies willen, kunnen mij altijd mailen of schrijven. Vaak kunnen zij bij hun vereniging of bij bekende liefhebbers de naam van het product achterhalen. Als u uw vogel via de dierenarts laat onderzoeken, zal deze het medicijn voorschrijven.

Enkele grondregels voor het voorkomen van zieke vogels. Zoals vaak gezegd, is voorkomen beter dan genezen, en dit geldt zeker ook voor onze vogelhobby. We verwijzen hiervoor naar de juiste voeding en correcte verzorging. Over de verzorging is voldoende geschreven en informatie beschikbaar. Iedere vogelliefhebber zou moeten weten hoe hij hiermee moet omgaan. De eerste stappen ter voorkoming van ziekten zijn hiermee al gezet.

De voornaamste vogelziekten behoren tot de groep van INFECTIEZIEKTEN, veroorzaakt door microscopisch kleine organismen zoals bacteriën, virussen en eencellige schimmels. Tegen deze ziekten worden voornamelijk antibiotica gebruikt, stoffen die worden uitgescheiden door bepaalde schimmelsoorten, zoals penicilline uit Penicillium glaucum. Een bepaalde hoeveelheid microben in het lichaam van een dier is normaal en zelfs gunstig, met name in de darmen, waar de goedaardige darmflora zorgt voor vitamine B-productie. Problemen ontstaan wanneer bepaalde microben zich te veel vermenigvuldigen door verzwakking van het natuurlijke afweermechanisme van het lichaam, wat verschillende ziekten veroorzaakt. Op dat moment is het tijd om in te grijpen en de infectie te bestrijden. Antibiotica, zoals de naam suggereert (anti=tegen en bios=leven), zijn stoffen die gericht zijn tegen het leven en in principe al het leven doden. Ze zijn echter in de normaal voorgeschreven dosering niet sterk genoeg voor de gastheer, maar wel effectief tegen microben. Het is essentieel om de voorgeschreven dosis nauwkeurig te volgen, bij voorkeur na overleg met een gespecialiseerde apotheker of dierenarts. Tijdens behandeling met antibiotica moeten ook poly-vitaminemengsels worden toegediend, omdat de goedaardige darmflora ook wordt aangetast, wat kan leiden tot een tekort aan vitaminen bij de zieke vogel. Poly-vitaminen, met alle bekende vitaminen, dragen bij aan het herstel van de normale afweerkrachten van de vogels. Chemotherapeutica, kunstmatig vervaardigde chemische producten die vergelijkbaar zijn met antibiotica, worden ook gebruikt voor hetzelfde doel. Deze zijn even effectief als antibiotica, maar ook even giftig bij overmatig gebruik. Wees dus altijd waakzaam.

Preventie van infectieziekten.

Let goed op bij het aanschaffen van nieuwe vogels en plaats ze altijd enkele weken in quarantaine. Houd gedurende deze periode de vogels nauwlettend in de gaten en let op hun eet- en drinkgedrag, de stand van de ogen en de beweging van de staart. Als alles goed blijft gaan, kunnen de vogels na ongeveer twee weken bij de andere vogels worden geplaatst.

Let vooral op als de vogels afkomstig zijn van tentoonstellingen. Ze hebben daar blootgestaan aan drukte, temperatuurschommelingen, ander voer, kortom allerlei stressfactoren. Vogels die niet in goede conditie verkeren, zijn snel vatbaar voor stress, wat een fysieke en fysiologische belasting vormt en het natuurlijke afweermechanisme kan verminderen, waardoor ze snel infecties kunnen oplopen. Daarom is het essentieel dat vogels van tentoonstellingen goed worden geobserveerd, voorzien van hoogwaardig zaad en eivoer, en de nodige vitaminen krijgen. Hierdoor blijven mogelijke problemen tot een minimum beperkt.

Een andere risicovolle periode is de kweekperiode, zowel tijdens het broeden als wanneer er jonge vogels zijn. Jonge vogels hebben nog niet voldoende weerstand en immunisatie tegen verschillende infectieziekten. Net zoals mensen kunnen vogels immuun worden voor infectieziekten als ze deze met succes hebben doorgemaakt, vergelijkbaar met de behandeling van pokken.

Het is duidelijk dat ook de rui een gevaarlijke periode vormt voor het oplopen van infecties of ziekten. Veel problemen kunnen, zoals vaak wordt benadrukt, worden voorkomen door orde en netheid in de vogelverblijven te handhaven, waarbij de hokjes regelmatig worden ontsmet en behandeld.

A. Ziekten veroorzaakt door virussen.

Pokken kennen we in een uitwendige en inwendige vorm. Psittacosis, ornithosis of chlamydiosis is geen echt virus maar een soort overgangsvorm tussen virus en bacterie. Leukose of leverziekte, miltziekte. Ik zal niet dieper ingaan op deze ziekten, aangezien ze niet veelvuldig voorkomen bij Europese vogels. Bovendien bestaan er geen geneesmiddelen tegen virusziekten. De enige remedie is vaccinatie, naast het zorgen voor goede huisvesting, hygiëne en voeding. Alleen bij ornithose (ook besmettelijk voor de mens) kan een chloortetracycline HOI-kuur een oplossing bieden. Van de inwendige vorm van pokken (hapziekte) bij Europese vinken is nog nooit melding gemaakt. De uitwendige vorm (minder dodelijk) hebben we wel enkele keren vastgesteld. Het jaarlijks vaccineren van onze kanarie vogels wordt uitvoerig beschreven, en het zijn geen verstandige liefhebbers die niet vaccineren en denken dat het hen niet zal overkomen.

B. Ziekten veroorzaakt door bacteriën.

We onderscheiden Gram-positieve bacteriën en Gram-negatieve bacteriën. Vooral met de laatste krijgen onze vogels te maken en eisen ze jaarlijks veel slachtoffers. Salmonella of paratyfus kent verschillende vormen. De belangrijkste zijn Salmonella gallinarum en Salmonella pullorum. Ziekteverschijnselen: Deze zijn niet altijd specifiek. Acute sterfte is het meest opvallend, met ernstige diarree die een opvallende witte kleur heeft, vergelijkbaar met gemorste koffiemelk. De pullorum vorm kan vogels van elke leeftijd treffen, maar jonge vogels zijn het meest gevoelig. De dood kan plotseling optreden zonder duidelijke vermagering, maar soms is er snelle vermagering op één dag omdat de vogels weinig of niet meer eten en drinken en veel vocht verliezen door de diarree. De ziekte kent dikwijls een epidemisch verloop, vooral in dichtbevolkte volières, en eist in enkele dagen veel slachtoffers als er niet met geneesmiddelen wordt ingegrepen. De incubatietijd is 2 tot 3 dagen. Nestjongen kunnen besmet worden zonder dat de ouders ziekteverschijnselen vertonen. De witte diarree veroorzaakt bij hen het zogenaamde mestkontje. Ze houden de poten gestrekt, verlaten soms te vroeg het nest en vallen dan op de bodem. Buik en darmen zijn meestal donker tot zwart gekleurd, en aan de cloaca ziet men de witte mest klaarzitten. Soms zijn er ook verlammingsverschijnselen en afwijkende ademhalingsgeluiden waarneembaar (meestal klikkende). Zwaar geïnfecteerde vogels zijn zeer moeilijk te genezen doordat ze echt doodziek zijn en praktisch niet meer eten of drinken. De anderen maken een goede kans op herstel. Ook hier hebben we vaak groenachtig gekleurde diarree (gallinarum vorm). Het meest opvallend is de vergrote lever die duidelijk waarneembaar is in het centrum onder het borstbeen en een bruin-gele kleur heeft (kleur van dode herfstbladeren). Meestal is de buik ook gezwollen, en afhankelijk van de kleur kan er sprake zijn van een menginfectie (zie cocidiose). Soms treden ademhalingsmoeilijkheden op (op en neer wippen met staart, open bek). Deze ziekte kan vogels van elke leeftijd besmetten. Salmonella bacteriën kunnen via het broedei aan de nakomelingen worden doorgegeven, waardoor de jongen in het ei sterven of in de eerste dagen na het uitkomen van de tere jongen.

Zelfs gezonde jongen kunnen later nog door de ouders worden besmet als deze dragers zijn. Bij sectie zijn de sterk gezwollen en vergrote lever en milt de voornaamste herkenningspunten. Ook vinden we witgele vlekken op hartspier, longen en maag. De darmen zijn gevuld met een kaasachtige substantie. Gewoonlijk verloopt het ziekteproces erg onduidelijk. Er treedt slechts af en toe een sterfgeval op, maar op de langere termijn vallen er toch veel slachtoffers en hebben veel overlevenden een vergrote lever en slechte conditie. Aangetaste vogels maken een redelijke kans op genezing als de ziekte niet te ver gevorderd is. Het genezingsproces kan echter lang duren. Pseudo-tuberculose of vogelcholera. Opnieuw moet een onderscheid worden gemaakt tussen acute en chronische vorm. De ziekteverschijnselen lijken veel op salmonella, maar er kunnen kleine verschillen zijn. Acute vorm: Aangetaste vogels zijn maar kort ziek, gaan dik zitten en kunnen een uur later dood zijn. Bijna altijd is er diarree geweest. Bek en neusdoppen zijn soms blauw. Vogels die wat meer weerstand bieden, vertonen ernstige ademhalingsmoeilijkheden, zitten ineengedoken en hebben diarree. Hersenstoornissen komen ook voor. Chronische vorm: De lever is vaak ontstoken en verschijnt als een bruinrode vlek onder het borstbeen. Ook een ontsteking van de snavelrand, oogvliezen of oogholte kan voorkomen, wat zelfs een uilekop kan veroorzaken (kaal rond de ogen). Eventuele ontsteking van de neusholte kan leiden tot snotverschijnselen. De ademnood is meestal meer uitgesproken dan bij paratyfus. Omdat beide bacteriële infecties qua ziekteverschijnselen veel overeenkomsten vertonen, is het moeilijk om een juiste diagnose te stellen. Dit is echter niet van essentieel belang omdat de gebruikte geneesmiddelen dezelfde kunnen zijn. In principe komt paratyfus meestal voor in de zomer, terwijl pseudo-tuberculose een voorkeur heeft voor de winter. Dit hoeft echter niet altijd zo te zijn. Colibacillose (Escherichia coli). Bij jonge nestvogels staat deze infectie bekend als zweetziekte. Besmette vogels lijden aan darmstoornissen en hebben hevige diarree. Het nest wordt vervuild omdat de ouders deze uitwerpselen niet kunnen verwijderen. De bacteriën kunnen zich explosief vermenigvuldigen en het hele nest besmetten. Zelfstandige jongen zijn ook vatbaar voor deze ziekte. Sterfte is zeer plotseling en vertoont veel gelijkenissen met acute salmonella of pseudo-tuberculose. Bacterie-verontreinigd voedsel en slechte hygiëne kunnen ook hier weer de oorzaak zijn.

C. Ziekten veroorzaakt door protozoa.

Coccidiose is een veelvoorkomende ziekte bij kanaries en vinkachtigen. Het is een van de gemakkelijkst te herkennen infecties. Een typerend kenmerk is de rood aangelopen buik, waar de rode gezwollen darmlussen te zien zijn. Op de darmen kunnen fijne rode bloedstreepjes waarneembaar zijn. De buik en darmen kunnen meer of minder gezwollen zijn, afhankelijk van de acute of chronische aard van de ziekte. Diarree is mogelijk maar niet noodzakelijk. Snelle vermagering treedt altijd op. Besmetting vindt plaats via de uitwerpselen en kan vogels van elke leeftijd aantasten, hoewel jonge vogels het gevoeligst zijn. Omdat coccidiën de darmwand aantasten en wondjes veroorzaken, krijgen paratyfusbacteriën de kans om de vogel te besmetten. Hierdoor ontstaat een menginfectie die herkenbaar is aan een bruingele leverplek en een rood gezwollen buik met rode darmlussen. Putters en groenvinken zijn extra gevoelig voor coccidiose. Probeer besmetting te voorkomen door de bodem van je volière zo droog mogelijk te houden en regelmatig schoon te maken.

Atoxoplasmose, een vorm van coccidiose, is vooral een ziekte van jonge vogels tot ongeveer 9 maanden en is meestal onmiskenbaar in zijn optreden. Opnieuw is de gezwollen lever typisch, die blauw tot zwart gekleurd is en in eerste instantie rechts onder het borstbeen te zien is. Later kan dit zich uitbreiden tot een brede blauwzwarte band. De uitwerpselen zijn meestal lichtgroen gekleurd. Jonge vogels kunnen ook in het nest besmet raken en vertonen ziekteverschijnselen vanaf ongeveer de 8e dag. Ze verlaten vaak te vroeg het nest en lijden soms aan hersenstoornissen. Het is essentieel om deze ziekte tijdig te herkennen en zo snel mogelijk te behandelen, omdat deze ziekte zich razendsnel verspreidt en meestal fataal afloopt als er niet op tijd wordt ingegrepen met een behandeling. Parasieten vermenigvuldigen zich in de milt, merg, lever, longen, enz., wat ook bloedarmoede veroorzaakt. De keel en huid zijn daardoor bleker van kleur, vooral bij nestjongen. De buik is ook gezwollen. Bij sectie valt naast de lever de sterk vergrote donkerrode milt op. Oudere vogels worden niet dodelijk ziek omdat ze een grotere weerstand hebben. Ze hebben echter een minder goede conditie en blijven, omdat ze dragers zijn, de jongen zonder geneesmiddelen besmetten. De infectie treedt vooral op in de nazomer.

Trichomoniose, hoewel bekend bij duivenliefhebbers, komt af en toe voor bij vinken en insecteneters (zoals zanglijsters). De snavelholte is aangetast, en de vogel ademt met geopende bek. In de keel en snavelholte zijn altijd kleverige witte tot gele afzettingen te zien. Zieke vogels hebben ernstige moeilijkheden met eten en drinken en verkeren constant in ademnood.

Worminfecties zoals gaapwormen, lintwormen, spoelwormen, enzovoort, komen zelden tot nooit voor bij hygiënisch gehuisveste vinkachtigen. Aangetaste vogels ademen met geopende snavel en proberen de wormen weg te slingeren door met de kop en bek op en neer te slingeren.

D. Schimmelziekten.

Aspergillose. Geïnfecteerde vogels gapen veel en vertonen ademhalingsmoeilijkheden. De schimmel tast de longen, luchtzakken, neus- en voorhoofdsholte aan. Soms raken daardoor de ogen ontstoken. De ziekte heeft meestal een slepend verloop en kan wel een jaar duren voordat de vogel sterft. Er is een langzaam vermageringsproces waarneembaar.

Candidiasis. De schimmels bevinden zich in de keel, slokdarm en krop. Aangetaste vogels zijn weinig actief, braken soms, eten moeilijk en vermageren.

Trichophyton. Het is een schimmelinfectie van de huid, met name op de kop en in de nek, wat leidt tot veeruitval. De huid op de kale plekken heeft een witgrijze kleur.

Bij schimmelziekten is het vooral belangrijk de oorzaak te achterhalen, die vaak te vinden is in de bouw van je kweekruimten. Slechte ventilatie, beschimmeld voedsel en een te vochtige omgeving kunnen oorzaken zijn. Ook langdurige toediening van antibiotica kan leiden tot schimmelinfecties.

Infectiemogelijkheden:

Onhygiënisch eivoer en andere eiwitrijke producten, meelwormen, pinky’s en slakjes kunnen soms gevaarlijke bronnen van paratyfusbacteriën zijn. Smetstoffen kunnen ook worden overgebracht door muizen of insecten, vooral in de nazomer, herfst en winter wanneer er vaak sprake is van overbevolking en de meeste vogels in groepen worden gehuisvest. Door uitsluitend zaad te voeren en weinig of geen krachtvoer zijn de vogels extra vatbaar vanwege conditieverlies. De hogere luchtvochtigheid en grotere temperatuurschommelingen in deze jaargetijden vormen een extra risico. Een zieke vogel kan dan in korte tijd uw hele volière besmetten. Zowel salmonella als pseudo-tuberculose vertonen vaak een epidemisch verloop, vooral in dichtbevolkte, onhygiënische en ondoelmatig gebouwde volières. Dit betekent niet dat u in andere gevallen geen problemen zult ervaren. Cocidiose, atoxoplasmose, salmonella, pseudo-tuberculose en colibacillose zijn de meest voorkomende ziekten. Probeer vooral deze infecties te leren onderscheiden en behandelen, want ze veroorzaken 50% tot 60% van uw sterfgevallen (bij kanaries en veel Europese vogels).

Geneesmiddelen:

Antibiotica worden gemaakt van de natuurlijke stofwisselingsproducten van schimmels. De meeste hebben een breedspectrumwerking, wat betekent dat ze effectief zijn tegen verschillende soorten bacteriën, zowel gram-positief als gram-negatief. De meest bekende zijn de tetracyclines (Terramycine). Chemobiotica worden langs chemische weg vervaardigd. Ze bestrijden een groot aantal bacteriën maar zijn vooral actief tegen protozoa. De sulfonamiden, zoals Esp3, worden veel gebruikt. Er zijn ook anti-wormmiddelen, anti-schimmelmiddelen (fungiciden) en bestrijdingsmiddelen tegen ectoparasieten (insecticiden).

Geneesmiddelen: Antibiotica

Bij acute sterfgevallen zonder duidelijke ziektekenmerken (behalve diarree) hebben we de beste ervaringen met antibiotica. Houd u zeker aan de opgegeven dosering. U kunt beter iets overdrijven dan te weinig geven. Vogels kunnen meer verdragen dan u denkt. Een te lage dosis zal weinig effect hebben en de bacteriën kunnen resistent worden. Omdat bij acute ziektegevallen de vogel zeer snel achteruitgaat en weinig of niets meer eet of drinkt, is het misschien beter, zeker bij waardevolle exemplaren, een sterk geconcentreerde oplossing met de kropnaald of pipet in de krop of bek in te brengen. Natuurlijk is hier de nodige kennis, handigheid en ervaring vereist. Experimenteer nooit ten koste van uw vogel. Laat dit over aan uw dierenarts of andere ervaren kwekers.

Geneesmiddelen: Chemobiotica (Esb3)

Industrieel chemotherapeuticum tegen:

  • Cocidiose
  • Salmonellose
  • Pasteurellose

Specifiek ontwikkeld voor toevoeging aan drinkwater. Enkele voordelen van Esb3:

  • Gemakkelijk te verdragen door zowel jonge als oudere vogels
  • Geen nevenwerkingen of vermindering van de eitjes
  • Spontane feedback op de groei
  • Geen nevenwerkingen op de vruchtbaarheid
  • Gemakkelijk toe te dienen aan de vogels

Hoeveelheid en manier van toedienen:

  • Drie dagen Esb3: 1 gram op 1 liter water
  • Daarna 3 dagen een vitaminekuur (bijvoorbeeld Alvathil)
  • Daarna weer 3 dagen Esb3: 1 gram op 1 liter water

Ververs dagelijks het water en maak de flesjes schoon. Zorg ervoor dat de vogels na een Esb3-kuur een vitaminekuur krijgen en een goede zaadmengeling, samen met de nodige eivoer. Het geven van een kuur direct voor de aanvang van de kweek wordt ook aanbevolen. Continu kuren, zoals soms gebeurt, wordt niet aangeraden. Het biedt geen garantie dat uw vogels vrij blijven van coccidiose omdat de dosis te laag is en de protozoa resistent kunnen worden. Bovendien kan het de weerstand van de vogel tegen andere bacteriële infecties verminderen. Geef liever een goede kuur wanneer dit echt nodig is, omdat coccidiose tamelijk gemakkelijk te genezen is als u niet te lang wacht voordat u ingrijpt.

Diagnose: Atoxoplasmose.

Geneesmiddel: Esb 30%, 1 g/liter gedurende 7 dagen, vervolgens 1/2 g/liter dagelijks tot na de rui. Verhoog de dosis elke 3 à 4 weken terug tot 1 g/liter. Geef dagelijks een iets groter rantsoen opfokvoer. Ook in het volgende kweekseizoen blijft voorzichtigheid geboden, omdat sommige vogels drager kunnen blijven. Overweeg in dat geval zeker, vanaf de 2e ronde van het daaropvolgende jaar, op dezelfde manier preventief het geneesmiddel te geven. Het is niet nodig dit elk jaar te herhalen. Aangetaste jonge vogels waarbij de protozoa de ingewanden hebben verlaten en zich in de lichaamscellen en bloedbaan bevinden, zullen meestal sterven. Alleen de uitscheiding van oöcysten en besmetting kan met geneesmiddelen worden voorkomen. Hoewel ik geen voorstander ben van continu medicijnen verstrekken, kan het in het geval van bijvoorbeeld atoxoplasmose noodzakelijk zijn om te proberen te redden wat er te redden valt om een goede stam te behouden.

Diagnose: Coccidiose. Geneesmiddelen: Sulfonamiden / Esb3 30%. We gebruiken meestal Esb3 30% (wie niet?) twee of drie keer. 1 g/liter water gedurende 6 dagen, met telkens daartussen een pauze van 3 à 4 dagen met een multivitaminenpreparaat (Alvathil). Bij ernstige gevallen kan het nodig zijn om de dosis de eerste week te verdubbelen en later te verminderen.

Ontsteking van de luchtwegen. Vooral onze geliefde goudvink is er zeer gevoelig voor, maar ook andere vogels en onze kanarievogel kunnen geïnfecteerd raken.

Ziekteverschijnselen: De infectie vertoont veel overeenkomst met chronische bronchitis bij de duiven. De verkouden vogel ademt met ritmisch geopende bek. Soms kan dat gepaard gaan met fluitende en reutelende geluiden. Besmette vogels niezen af en toe, wat ongeveer als volgt klinkt: puft – puft. De lokroep is hees en sommigen verliezen volledig hun stem. Ademhalingsstoornissen kunnen nog vele andere oorzaken hebben, zoals pseudo-tuberculose, paratyfus, aspergillose, luchtpijpmijten en gaapwormen. Probeer deze ziektebeelden van elkaar te onderscheiden. Vooral in de herfst, met zijn sterk wisselende temperatuur, treedt de infectie veelvuldig op. Het verschil tussen dag- en nachttemperatuur kan in sommige volières enorm verschillen. Zorg hier altijd voor een tochtvrij verblijf en, wat zeker zo belangrijk is, een erg droge bodembedekking die regelmatig wordt vervangen door nieuwe droge bedekking. Zorg bij deze bodembedekking altijd voor voldoende vogelgrit. Het is ook enorm belangrijk om de ziekte in een vroeg stadium op te merken. Vogels die al langere tijd ziek zijn, kunnen nog wel genezen maar hervallen erg snel. Geef naast een geneesmiddel een beetje warmte aan zo’n vogel en houd de vogel weg van een vochtig verblijf. Zo kan de vogel met deze hulp er bovenop geholpen worden. U ziet dat vogelziekten voorkomen niet altijd meevalt, maar door goed te observeren en te verzorgen, kunnen veel ziekten en narigheden in ons vogelverblijf worden voorkomen. Men moet er tijdig bij zijn en uiteraard ook de vogel willen verzorgen; wij zijn tenslotte niet voor niets vogelliefhebbers. Het zal duidelijk zijn dat vogels die regelmatig in de winter (rust) periode ziek worden, het best kunnen worden uitgesloten voor de kweek om verdere teleurstellingen tijdens de kweek te voorkomen.

Slot: Ik hoop dat ik met deze uiteenzetting een leidraad heb gegeven over vogelziekten, voor zover mogelijk met mijn ervaring van 45 jaar kanariekweek. Ook bij mij komen er jaarlijks wel eens problemen om de hoek kijken, maar dit hoort waarschijnlijk bij de vogelhobby.

Wout van Gils