Bruin en/of zwart bont – bij recessief wit

Bruin onyx geel mozaiek 2


Bruin en/of zwart bont – bij recessief wit:

In de recessieve factor is geen spoortje van vetstofkleur aanwezig. Het is eigenlijk een defecte factor. Wat is hier aan de hand? Door het ontbreken van het vermogen om uit plantaardige stoffen, die pro-vitamine A bevatten, de moedersubstantie van vitamine A om te zetten in vitamine A, is de vogel spierwit. Vitamine A is enorm belangrijk bij het omzetten en vormen van vetstofkleuren. Dit onvermogen heeft ook een kleine invloed op de huidskleur en in mindere mate op de hoorndelen. Dit is weer een oorzaak van het gemis van bepaalde stoffen in het bloed. Het is dus een must om regelmatig vitamine A te geven aan recessief witte kanaries, maar dit moet voldoende bekend zijn.

Voor de kweek zoekt men goed bevederde vogels van goed formaat, zowel in intensieve als schimmelkleuren. Het koppelen is eigenlijk vrij makkelijk: let op de lengte van de bevedering, en voor de rest moet wat de ene vogel te veel heeft, de andere te weinig hebben. Met andere woorden, twee vogels koppelen met te lange bevedering en een te platte kop geeft vogels met een platte kop en een ruwe lange bevedering.

Koppelingen:

  • Rec wit * Rec Wit
  • Rec wit * Geel split wit
  • Geel split wit * Geel split wit
  • Geel split wit * Rec wit
  • Rec wit * Geel.

Uit de koppelingen worden recessief witte vogels geboren, al dan niet verervend voor split wit, enz. Het is ook belangrijk te weten dat uit dergelijke koppelingen wel eens jongen komen met lichte bontvorming. Dit kan zijn lichtbruin bont (afkomstig uit de isabel reeks) en ook wel zwart bont (afkomstig uit de zwarte reeks). Deze bontvorming kan ernstige vormen aannemen voor de verdere kweek en uiteraard zijn ze waardeloos voor tentoonstellingen. Ze moeten dan ook zoveel mogelijk uitgeschakeld worden bij onze kweekvogels. Vogels met bruinbont (minimale melanine), zoals licht in de flanken (billen) of een klein tikje in de oogstreek, zijn echter vaak vogels die men niet direct moet wegdoen. Dit zijn meestal mooie grote vogels, goed in de bevedering en fel wit. Met deze vogels wordt wel eens met enkele koppels doorgekweekt en geeft goede, mooie, zuivere nakomelingen. Deze jonge vogels herken je aan de lichte oogkleur in het nest, de zogenaamde Isabel ogen. Het zijn deze vogels die door de recessief wit kweker niet zo snel van de hand worden gedaan.

De vogels met bontheid uit de zwarte reeks zijn minder geschikt om door te houden, tenzij ze dit maar minimaal laten zien, bijvoorbeeld alleen in de flanken. Je herkent deze jongen weer aan hun donkere zwarte ogen. Vogels met bonte pennen en/of hoorndelen, of koppels die dit doorgeven aan hun jongen, zijn beter om weg te doen, omdat deze zwarte tekening zal blijven overheersen. Let eens bij je vetstofvogels: dikwijls is de mooiste vogel van kleur die vogel die in de flanken tussen de billen een pluimpje bruin bont laat zien. Vetstofkwekers zijn hier wild van. En uiteraard, een tentoonsteller verwijdert dit pluimpje en na het wassen heeft hij meestal een schitterende vogel. Ik heb zo al menig prijs gehaald. Ik noem dit geen bedrog plegen, maar de vogel ‘swanjeren’ (brengen en verzorgen) – welke TT-speler doet dit niet?

Ik hoop dat ik je in het kort duidelijk heb gemaakt wat het bruin en zwart bont (melanine) voor invloed heeft op de recessief witte vogel. Menig recessief witte kweker noteert bij de geboorte met een viltstift die vogels met lichte ogen, omdat deze later weer overgaan naar normale oogkleur. Maar het is erg belangrijk te weten welke vogels het hebben. Ik wens je veel succes met de witte vogels. Zijn er nog vragen, dan hoor ik ze graag.

Groeten, Wout van Gils.

Agaat Rood Mozaïek

Agaat Rood Mozaïek.

Het pigment van een agaat rood mozaïek is hetzelfde als dat van de gewone agaat. De pigmentkleur is grijszwart en moet starten vanaf de snavelbasis. Op de rug en de flanken moeten duidelijk symmetrische tekeningen te zien zijn die goed van elkaar onderscheiden zijn, doorlopend tot in de flanken. Over het algemeen is het bestrepingspatroon breder dan bij klassieke schimmelvogels. De snavel, pootjes en nagels moeten qua kleur harmoniëren met het pigment. Een herkenningspunt bij agaten blijft de goed zichtbare baardtekening. Over de hele vogel ligt een mooie, egale zilversluier.

Pop Type 1.

Boven de ogen zien we een smal en kort streepje, de schoudervlekken zijn diep rood en duidelijk getekend. De borst moet een kleine, zwak doorgekleurde vlek vertonen, niet te groot maar ook niet te klein en duidelijk zichtbaar. Het stuitkussen moet ook de gevraagde vetstofkleur vertonen. De mozaïektekening moet waar nodig duidelijk symmetrisch zijn. De vetstofkleur is zuiver en helder rood. Bij het poptype wordt naast de mozaïektekening ook een zo wit mogelijke bijkleur verwacht, die sterk contrasteert met het rode mozaïekpatroon. Hoe beter het contrast, hoe mooier.

Veelvoorkomende fouten:

  • Oogstreep ontbreekt.
  • Schoudervlek ontbreekt of is niet scherp genoeg afgetekend.
  • Schoudervlek loopt door tot in de vleugelpennen.
  • Borstvlek is veel te groot of nauwelijks zichtbaar.
  • Stuittekening ontbreekt of vloeit uit.
  • De tekening is niet symmetrisch of te smal.
  • De vetstofkleur is niet egaal of vertoont wolken of is tweekleurig.
  • Hoorndelen zijn te donker.
  • Te veel bruin op het rugdek.

Man Type 2.

Een scherp omlijnd, fel gekleurd puttermasker rondom de snavel met duidelijk afgetekende schoudervlekken boven de ogen. De oogstrepen vormen de verlenging van het masker. Op de borst een minder duidelijk doorkomende borstvlek, meestal wat groter dan bij het poptype. Het stuitkussen moet de gevraagde vetstofkleur vertonen, helder dieprood. De niet-rode velden steken zo fel mogelijk af tegen het rode mozaïekpatroon.

Veelvoorkomende fouten:

  • Het masker is onregelmatig afgelijnd en niet fel genoeg van kleur.
  • Het masker is te klein/groot en loopt te ver door achter de ogen naar de nek en op het kopje.
  • Schoudervlek is afwezig of niet voldoende afgelijnd.
  • Schoudervlek is te groot en loopt zelfs door tot in de flanken.
  • Tekening is vervaagd, te smal of niet symmetrisch.
  • Borstvlek is te groot en vloeit uit naar de flanken.
  • De vetstofkleur is tweekleurig of niet voldoende doorgedrongen.
  • Hoorndelen zijn te donker van kleur.

Opmerking:

In de vleugelpennen zal zowel voor type 1 als type 2 altijd een minimale hoeveelheid natuurlijke vetstof aanwezig zijn. Dit mag niet bestraft worden als “schoudervlek loopt te ver door” of met de opmerking “doorgekleurde vleugelpennen”. Natuurlijk krijgen die vogels de voorkeur die dit het minst laten zien in deze pennen. Wat betreft de kweek, gebruiken we altijd zuivere mozaïekvogels en we gaan kweken naar ofwel het poptype ofwel het mantype toe. Het kweken van beide types uit een koppel zal zelden voorkomen, dus maak van tevoren je keuze voor type 1 of type 2. Maar wed niet op twee paarden, en gebruik als regel wat de ene vogel te veel heeft, moet de andere te weinig hebben. Let ook op met het opvoeren van de vogels; begin hiermee rond 6 weken. Succes met de agaat mozaïek.

Wout van Gils.

Bruin Wit

Bruin wit schimmel


Bruin Wit:

De bruine kanarie is een van onze oudste mutaties en duidelijk herkenbaar voor iedereen. De bruine kanarie heeft twee verschillende bruine pigmenten, namelijk bruine eumelanine en bruine phaeomelanine. Er is een duidelijk verschil te zien tussen de bruine eumelanine die de tekening vormt en de bruine phaeomelanine die het tussenliggende bruin verzorgt. Het is logisch dat hoe sterker de bruinfactor werkt, hoe beter het bruine verenkleed eruit zal zien. Poppen benaderen over het algemeen het beste de standaard. Voor deze vogels vragen we maximale bruine eumelanine, beginnend bij de snavelbasis. De kleur van de vleugel- en staartpennen moet overeenkomen met de totaalkleur. De oxidatie van het bruin moet maximaal zijn in de bevedering. Poten, nagels en snavel moeten een bruinachtige kleur hebben. Rug en flanken moeten gelijkmatige, symmetrisch verdeelde bruine tekeningen vertonen, afgetekend tegen een sterk geoxideerde ondergrond met een matige aanwezigheid van phaeomelanine. De grondkleur moet duidelijk zichtbaar blijven op de borst en onderlichaam. Vleugel- en staartpennen moeten goed zijn doorgekleurd en mogen geen verbleking vertonen. Net als bij andere vogels is de blauwfactor ongewenst, omdat deze een bruinverdringende werking heeft. Het zonlicht kan ook schadelijk zijn, dus het wordt aanbevolen de vogels vrij donker te houden. Bij bruin wit zullen het vaak de poppen zijn die het dichtst bij de standaard komen. Zorg ervoor dat de grondkleur altijd zichtbaar blijft op de borst en onderlichaam. De grondkleur komt ook voor bij dominant wit en rec wit, meestal met de dominantwit factor. Zorg ervoor dat de aanslag minimaal blijft en niet te diep van kleur is. De rec witte ondergrond wordt steeds vaker gezien. Hier is nog meer bruin op zijn plaats. Let hierop bij komende tentoonstellingen. Bij het koppelen van deze vogels is niet alleen de bruine factor belangrijk, maar ook de lengte van de bevedering kan bij sommige kwekers problemen opleveren. Nogmaals, de grondkleur moet duidelijk zichtbaar zijn op de borst, en de eumelaninebestreping moet altijd goed zichtbaar blijven zonder overheersend te worden. Een veelvoorkomende fout is het optreden van storende witte schimmelvlekjes (witte omzoming), meestal op het rugdek, wat altijd door de keurmeester wordt bestraft.

Standaardeisen:

1. Duidelijk waarneembare zware, niet onderbroken bestreping op de rug en flanken.
2. De grondkleur moet altijd duidelijk zichtbaar zijn.
3. Vleugel- en staartpennen moeten overeenstemmen met de totaalkleur.
4. Maximale vloeiende bruine kleur tot in de borst en flanken, en de aanwezige bruine phaeomelanine moet gelijkmatig verdeeld zijn.
5. Snavel en poten moeten egaal van kleur zijn.

Veelvoorkomende fouten:

a. Aanwezigheid van schimmelvlekjes.
b. Grijze tint rond het kopje en borst.
c. Borst te bruin, nauwelijks zichtbaar van de grondkleur.
d. Te fijne en onderbroken bestreping.
e. Pigmentverlies in vleugel- of staartpennen.
f. Vervaagde tekening op het rugdek.
g. Overmatig lange en slordige bevedering.

De ivoor factor wordt niet direct aanbevolen bij het kweken op deze witte ondergrond, omdat dit de grondkleur meestal niet ten goede komt. Sinds 2003 is de standaard aangepast naar het meer zuiderlijke type, met een overgangsperiode. Houd hier rekening mee. Zie de rubriek AOB technische commissie voor meer informatie.

Succes met deze vogels.

Wout van Gils

De Bruinfactor.


Bruin wit schimmel

De Bruin Factor.

INLEIDING:

Deze vogels, die door jullie allen wel bekend zijn en weinig problemen zullen opleveren wat betreft herkenning, worden desondanks nog vaak met fouten gekweekt. Menig liefhebber neemt contact met mij op voor informatie over de Bruine Kanarie. Hoewel ik de bruine kanarie zelf niet al jarenlang kweek, vind ik deze vogels toch erg mooi en interessant, vooral in combinatie met de Ivoor- of Pastelfactor en in samenwerking met de recessief witfactor komen regelmatig prachtige exemplaren voor. In dit artikel wil ik kort ingaan op deze vogels om enkele punten te benadrukken en om tot een beter fok- en koppelingsresultaat te komen. De bruine kanarie is een van de oudste mutaties in de pigmentserie. Voor elke kanariekweker is de herkenning van de bruine kleur geen probleem. Het is een vogel die in al zijn veren bruin pigment zal tonen. Hoe warmer en voller van kleur, hoe beter de vogel eruit zal zien. De vogel kan nooit te bruin zijn, het geheel moet goed doorlopen in de flanken en borst, met een zo zacht mogelijke bruine tekening.

DE BRUINFACTOR DOET EIGENLIJK TWEE DINGEN:

  1. De zwarte eumelanine-tekening wordt omgezet in het bruine phaeomelanine-tekening.
  2. Het andere vormt de bruine phaeomelanine tussen de bestreping. Het is dus bijna vanzelfsprekend dat hoe sterker de bruine factor werkt, hoe vloeiender het bruine verenkleed eruit zal zien.

EEN ANDER KENMERK IN DE BRUINREEKS IS DAT:

  • Een pop altijd de beste bruine kleur zal hebben.
  • Een man zal altijd wat harder getekend zijn.

VERERVING BRUINFACTOR: (z)

Deze is geslachtsgebonden en dus ook gekoppeld aan alle andere factoren die op het geslachtschromosoom liggen. Men gebruikt kleine letters omdat:

  • de mutant z recessief vererft ten opzichte van de wildvorm z+
  • de wildvorm z+ dominant vererft ten opzichte van de mutant z.

BRUINFACTOR EN BLAUWFACTOR.

BLAUWGRIJZE KLEUR RONDOM DE KOP. WERKT HARDE BESTREPING IN DE HAND. ER ZAL NOOIT EEN VOLLEDIG BRUINE KLEUR ZICHTBAAR ZIJN. DOET AFBREUK AAN HET TOTALE KLEURBEELD.

DE KWEEK:

Er zijn veel mogelijkheden in de keuze van de kweker welke kleur hij wil kweken. Vogels met “Blauwfactor” worden gebruikt, uiteraard zonder isabel- of agaatfactor. Als u een fokzuivere (homozygote) man heeft en hiermee kweekt, zullen er alleen groene jongen uitkomen. De mannen hiervan zijn bruinverervend. Deze paart u weer met een bruine of bruin-witte pop. De dochters van de groene man koppelt u aan een bruine of bruin-witte man:

Voorbeeld: BRUIN x BRUIN. BRUIN x BRUIN WIT geel/BRUIN x BRUIN WIT BRUIN WIT x GROEN

Als u bruin-geel wilt kweken, kunt u het bruin verbeteren door gebruik te maken van een groene of zwart-gele vogel,

Voorbeeld: een koppelingsmogelijkheid is Bruin x bruin-geel intensief, deze geeft 50% bruin en 50% bruin-geel. Om het bruin te verbeteren, gaan we dus zwart inschakelen. Als u kweker bent van bruin-geel, dan zult u in plaats van zwart een bruin-rood moeten inschakelen om het bruin te willen verbeteren. Meest voorkomende koppelingen zijn:

  • roodbruin-schimmel x roodbruin-intensief
  • roodbruin-intensief x roodbrons-schimmel

Ik zou u ook aanraden het te proberen met de ivoorfactor erbij. Nog enkele mogelijkheden:

  • bruin-wit pastel x bruin-ivoor
  • bruin-ivoor x bruin-wit pastel
  • bruin-wit pastel x bruin-pastel
  • bruin-wit x ivoorbruin
  • bruin-ivoor x bruin-wit

HET GEBRUIK VAN DE IVOORFACTOR IN DE BRUINREEKS KAN MEN GUNSTIG NOEMEN. (Geeft een maximum aan bruin te zien). Ook het gebruik van de recessief wit-factor is aan te bevelen. Ik hoop u hiermee enkele richtlijnen te hebben gegeven voor de kweek van bruine vogels. Belangrijk is dus: blauwfactor vermijden!

ENKELE STANDAARDGEGEVENS EN VOORKOMENDE FOUTEN:

BRUIN WIT: Een maximale bruinconcentratie, goed doorlopend in flanken en borst. Het bruin van de bestreping moet goed overvloeien in het bruine phaeomelanine, die ook zo maximaal mogelijk aanwezig moet zijn. De kleur van de borst en het onderlichaam moet een egale bruin-witte tint laten zien. Een minimale aanslag in de vleugels (bij de dominante vogels). Hoorndelen eenkleurig, middelmatig zachtbruin.

Enkele fouten:

  • Aanwezigheid van blauwe schijn op kop of borst
  • Niet bruin genoeg – niet vloeiend – te streperig
  • Te licht in flanken, borst, onderlichaam
  • Te veel aanslag vleugels – schouders
  • Opgebleekte vleugelpennen
  • Tekening onderbroken, te smal

BRUIN INTENSIEF: Hierbij moet men weten dat het bruin tussen de bestreping nooit in die mate aanwezig is als bij de bruine en mogelijk is en moet zijn. De tekening en vleugel- en staartpennen moeten wel zo bruin mogelijk zijn. Tussen de bestreping een weinig (haalbare) bruin phaeomelanine, dit doorlopend in borst en flanken. Een goede werking van de intensief-factor en egaal van kleur, hoorndelen eenkleurig zachtbruin.

Enkele fouten:

  • Tekening niet bruin genoeg, en onderbroken
  • Geen of te weinig flanktekening
  • Lichte toppen aan vleugel- of staartpennen
  • Niet egaal van kleur – schimmelsporen
  • Rugdek niet egaal van kleur

BRUIN-ROOD INTENSIEF: Een maximaal haalbaar bruin is vereist, met een minimum aan streperigheid – rugdek goed bruin van kleur. Het geheel met een bruine tekening zacht vloeiend in elkaar lopend. Het pigment moet zover mogelijk doorlopen in flanken en borst. Een egale goede rode kleur is vereist. De bruine phaeomelanine zal de intensief-factor enigszins tegenwerken. Maar het rugdek zal toch een zo vloeiend mogelijk warmbruine kleur laten zien. Hoorndelen eenkleurig zachtbruin.

Enkele voorkomende fouten:

  • Tekening te hard, onderbroken, te smal
  • Te weinig bruin (vloeiend) op rugdek en flanken
  • Geen flanktekening, onderbroken
  • Niet egaal van kleur – schimmelsporen tweekleurig
  • Lichte vleugel en staartpennen

BRUIN (SCHIMMEL): Een maximale concentratie van bruin, zover mogelijk doorlopen in de flanken en borst. De tekening moet zacht uitvloeien en als het ware een geheel vormen met het tussenliggende bruin phaeomelanine. Een enkelvoudige geelfactor met een lichte egaal verdeelde schimmel-factor en grondkleur.

Enkele voorkomende fouten:

  • Niet bruin genoeg
  • Grondkleur niet egaal
  • Rugdek te streperig, tekening te smal
  • Vleugel en staartpennen, borst en stuit schimmelverdeling niet goed

BRUIN-ROOD SCHIMMEL: Een maximaal aan bruin op rugdek, borst en flanken. Zo weinig mogelijk streperigheid op het rugdek. De bestreping en tussenliggend bruin moeten als het ware in elkaar overgaan. Een zacht rode grondkleur egaal verdeeld, met een egaal verdeelde schimmel erover verdeeld. De borst zal iets dieper van kleur zijn.

Enkele voorkomende fouten:

  • Niet bruin genoeg
  • Schimmelverdeling niet goed, grondkleur niet egaal – twee- of driekleurig
  • Lichte vleugel of staartpennen
  • Lichte flanken of broek
  • Tekening te onderbroken en te smal

BRUIN IVOOR INTENSIEF: Zie eisen en fouten als bij de goudbruine, alleen door de werking van de ivoorfactor is de diepe goudkleur gehalveerd. De grondkleur moet wel zuiver en egaal blijven, mooie vogels om te zien en te kweken.

BRUIN IVOOR (SCHIMMEL): Zie eisen en fouten zoals bij de bruine, doordat men hier te maken heeft met een enkelvoudige geelfactor, samen met de ivoorfactor, zal er een zeer zwakke grondkleur ontstaan, en dit is dan foutief. Men moet een geelfactor gebruiken die ligt tussen dubbel en enkel factorig samen met de ivoorfactor zal dit het juiste kleurbeeld aan de bruinivoor geven.

BRUIN ROOD IVOOR: Zie eisen en fouten als bij de roodbruine, alleen door de werking van de ivoorfactor is de dieprode grondkleur gehalveerd, “roze”. De grondkleur zal wel zuiver en egaal moeten blijven.

BRUIN ROOD IVOOR (SCHIMMEL): Zie eisen en fouten als bij de roodbruin, de grondkleur is alleen door de werking van de ivoorfactor minder diep. Men krijgt een roze kleuruiting, deze moet wel egaal van kleur zijn.

BRUINFACTOR IN SAMENWERKING MET PASTEL: In samenwerking met de pastelfactor op onze bruine kanarie is er natuurlijk van onze normale klassieke bruine vogel geen sprake meer. Door de werking van de pastelfactor (2de reductie factor) is het bruin van de bestreping zodanig gereduceerd dat de hele vogel een lichter uiterlijk heeft gekregen, zonder nog een duidelijk spoor van een tekening. Dit is nu geheel samengevloeid met het gehele rugdek en is ook de vereiste verschijning nu.

BRUIN WIT PASTEL: Een zo vloeiend mogelijk egaal bruin rugdek. Geen of zeer weinig bestreping meer. Rugdek maximaal bruin doorlopend in flanken en borst. Lichtbruin vleugel en staartpennen aangepast aan het totaalbeeld van de vogel. Dus geen lichte of opgebleekte pennen. Borstkleur moet een zacht zilveren tint laten zien. Bij de dominante vogels een minimale aanslag in vleugelpennen.

Enkele voorkomende fouten:

  • Laat zware bestreping zien op rugdek.
  • Vloeit niet over in bruine rugdekkleur.
  • Flanken en borstkleur te licht (wit).
  • Te veel aanslag (dominantiefactor) vleugel en staartpennen te licht.

BRUIN PASTEL INTENSIEF: De goudkleur zal in het rugdek meer naar voren komen. Toch moeten we proberen het rugdek zo vloeiend mogelijk bruin te houden. Uiteraard ook flanken en borst. Evenals bij de goudbruine, zal door de intensief-factor het bruine minder overheersen dan bij de schimmelvogels. Maar het geheel zal zo vloeiend mogelijk moeten zijn, geen of zeer weinig bestreping meer, met een egale dubbel geelfactor.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Onvoldoende bruinheid.
  • Onjuiste schimmelverdeling, ongelijkmatige grondkleur (twee- of driekleurig).
  • Te lichte vleugel- of staartpennen.
  • Te lichte flanken of broek.
  • Te onderbroken en te smalle tekening.

BRUIN IVOOR INTENSIEF: Zie eisen en fouten zoals bij de goudbruine, maar door de werking van de ivoorfactor is de diepe goudkleur gehalveerd. De grondkleur moet wel zuiver en egaal blijven voor mooie vogels om te zien en te kweken.

BRUINIVOOR (SCHIMMEL): Zie eisen en fouten zoals bij de bruine. Door de enkelvoudige geelfactor samen met de ivoorfactor ontstaat een zwakke grondkleur; gebruik een geelfactor tussen dubbel en enkel samen met de ivoorfactor voor het juiste kleurbeeld.

BRUIN ROOD IVOOR: Zie eisen en fouten zoals bij de roodbruine, maar door de ivoorfactor is de dieprode grondkleur gehalveerd, resulterend in een “rose” tint. De grondkleur moet zuiver en egaal blijven.

BRUIN ROOD IVOOR (SCHIMMEL): Zie eisen en fouten zoals bij de roodbruin, maar de grondkleur is door de ivoorfactor minder diep, met een roze kleuruiting die wel egaal moet zijn.

BRUINFACTOR IN SAMENWERKING MET PASTEL: In samenwerking met de pastelfactor op onze bruine kanarie verliest de klassieke bruine vogel zijn bestreping door de werking van de pastelfactor, waardoor de vogel een lichter uiterlijk krijgt. Er mag geen duidelijk spoor van tekening meer zijn.

BRUIN WIT PASTEL: Een egaal bruin rugdek zonder of met zeer weinig bestreping. Rugdek moet maximaal bruin doorlopen in flanken en borst. Lichtbruine vleugel- en staartpennen moeten passen bij het totaalbeeld van de vogel. Geen lichte of opgebleekte pennen. Borstkleur moet een zachte zilvertint hebben. Bij dominante vogels minimale aanslag in vleugelpennen.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Zware bestreping op rugdek.
  • Onvoldoende overvloeiing in bruine rug dekkleur.
  • Te lichte flanken en borstkleur (wit).
  • Te veel aanslag (dominantiefactor), te lichte vleugel- en staartpennen.

BRUIN PASTEL INTENSIEF: De goudkleur moet prominenter zijn in het rugdek, maar probeer het bruine toch vloeiend te houden, inclusief flanken en borst. Ondanks de intensieve factor mag het bruine niet te sterk overheersen zoals bij schimmelvogels. Het geheel moet zo vloeiend mogelijk zijn, met weinig of geen bestreping en een egale dubbel geelfactor.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Rugdek nog te zwaar getekend, te weinig vloeiend bruin.
  • Te lichte flanken en vleugel- of staartpennen.
  • Onegale grondkleur, bewolkt, schimmelsporen, onzuiver, weinig bruin zichtbaar.

BRUINPASTEL (SCHIMMEL): Een vloeiend egaal bruin rugdek, goed doorlopend in borst en flanken. Geen of zeer weinig zichtbare bestreping. Egaal enkelvoudige geelfactor, met gelijkmatig verdeelde schimmel over de hele vogel.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Onvoldoende bruin zichtbaar.
  • Te lichte vleugel- en staartpennen, lichte broek.
  • Bewolkte kleur, onjuiste schimmelverdeling.
  • Te zware tekening op rugdek, geen vloeiend rugdek.

BRUIN ROOD PASTEL: Net als bij de roodbruine, door de intensieve factor ontwikkelt het bruin zich iets minder, maar probeer maximaal bruin te behouden zonder streperigheid. Egaal rode grondkleur, vooral bij oudere vogels, met goed doorgekleurde vleugel- en staartpennen. Het geheel moet een goede bruine indruk maken.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Twee- of driekleurig, ongelijkmatige grondkleur.
  • Te fijne tekening op rugdek, onvoldoende bruinheid.
  • Lichte vleugel- en staartpennen, of broek.
  • Schimmelsporen.

BRUIN ROOD PASTEL (SCHIMMEL): Een vloeiend egaal bruin rugdek, flanken en borst zo bruin mogelijk. Geen of zeer weinig zichtbare bestreping, goed ineen vloeiend geheel met een egale enkelvoudige roodfactor en gelijkmatig verdeelde schimmel over de hele vogel.

Enkele veelvoorkomende fouten:

  • Onvoldoende bruinheid.
  • Onvoldoende overvloeiing op rugdek, borst, flanken.
  • Niet egale kleur, lichte flanken.
  • Te zware tekening op rugdek en flanken.
  • Onjuiste schimmelverdeling.

BESLUIT: Beste bruinkwekers, jullie hebben diverse mogelijkheden, maar ook uitdagingen in het kweekproces. Vooral de zilvertint kan voor moeilijkheden zorgen vanwege de onvoorspelbare blauwfactor. Selectieve kweek en aandacht bij het koppelen en aankopen van vogels kunnen dit voorkomen. De Bruingeelivoor is een veelgekweekte en prachtige vogel, ook op onze T.T. Voor ervaren kwekers raad ik aan samen te werken met de recessieve witfactor in de zilverkleur. Ik hoop dat ik jullie weer nuttige informatie en tips heb kunnen geven over de bruine kanarie. Onthoud dat naast een goede kleur ook andere aspecten belangrijk zijn voor een succesvolle T.T. vogel.

Vanaf 2003 is ook deze standaard aangepast naar het meer zuidelijke type, met een overgangsperiode. Houd hier rekening mee, zie ook de rubriek AOB technische commissie.

Wout van Gils

De Geel Mozaiek type 1

Geel mozaïek


De Geel mozaïek type 1.

Inleiding:

Een van de kanarievogels die ik met veel plezier zie en succesvol kweek, is de Geel mozaïek. Zoals bekend, zijn er twee typen: type 1 voor de pop en type 2 voor de man. Zelf geef ik de voorkeur aan het pop-type omdat ik persoonlijk de helderwitte ondergrond het mooist vind. Bij mannen is dit iets minder, maar ik merk op dat hier ook aanzienlijke verbeteringen te bewonderen zijn. In de afgelopen jaren hebben kwekers deze vogels tot prachtige exemplaren gemaakt. Het is duidelijk dat men moet beslissen welke richting men opgaat in de kweek. Ofwel fokt men het pop-type of anders het man-type. Het is bijna onmogelijk beide soorten uit één koppel te kweken; men moet gericht kiezen of twee aparte lijnen uitzetten. Belangrijk bij deze vogels is niet alleen de vorm, maar ook de lengte van de bevedering. Te lange bevedering resulteert niet alleen in erg losse flanken en minder mooi gesloten vogels, maar vergroot ook de kans op lumps, vooral op de schouders. Daar moet goed op worden gelet. Wat de vorm betreft, lopen we hier in België zeker niet achter, en we kunnen dit zeker met succes in de kweek opnemen. Het is ook cruciaal om de lipochroomkleur in de staart goed in de gaten te houden, hoewel dit niet gemakkelijk te verminderen is, moeten we proberen dit toch minimaal te houden. Ook moeten we proberen te voorkomen dat de vogels vleugel- en/of staartpennen verliezen, omdat deze bij terugkomst ook meer doorgekleurd zullen zijn.

Geel mozaïek type 1:

Een mozaïek is een tekeningvogel waarvan het patroon de vastgestelde normen zo dicht mogelijk moet benaderen, waarbij contrast ook een enorm belangrijke rol speelt. We streven naar een zo intens mogelijk patroon op een zo helder mogelijke grond. Aandacht moet worden besteed aan de kleurdiepte van het patroon; dit mag zeker niet te diep worden of overgaan naar oranje, maar ook niet te minimaal van kleur zijn. Alles moet goed zichtbaar zijn en zich op de volgende plaatsen ontwikkelen:

  • Een duidelijke oogstreep die achter het oog begint.
  • Een kleine maar duidelijke borstvlek.
  • Een duidelijke schoudervlek zonder ver door te lopen in de vleugels.
  • Een goed zichtbare stuitvlek.

De oogstreep:

Deze moet duidelijk en afgebakend achter het oog beginnen en mag ongeveer een lengte hebben tussen de 6 en 10 mm. Uiteraard zoveel mogelijk symmetrisch. Als de streep boven het oog begint en minimaal is, kan dit worden geaccepteerd, maar de voorkeur moet duidelijk uitgaan naar de achter het oog beginnende oogstreep. Een boven het oog beginnende oogstreep kan dus wel minimaal worden bestraft door de keurmeester.

De schoudervlek:

De schoudervlek geeft samen met de oogstreep de mooie mozaïektekening weer. Voorkomen moet worden dat deze te ver doorloopt in de vleugelpennen. Ook moet deze duidelijk naar voren komen en zichtbaar zijn, zonder te diep van kleur te worden maar uiteraard ook niet te minimaal van kleur. Hij zal altijd goed zichtbaar moeten zijn.

De borstvlek:

Deze moet altijd zichtbaar zijn als een ovale vlek van ongeveer een centimeter lengte. Deze mag nooit te groot zijn maar moet ovaal en zichtbaar zijn. Opvallend is dat sommige mooie mozaïeken met goede schouder- en oogtekeningen een minimale borstvlek laten zien, maar deze moet wel aanwezig zijn, zoals vereist door de standaard. Let op, een klein vlekje en niet uitlopend naar de flanken; bij een pop-type is dit uit den boze.

De stuitvlek:

Deze vlek zal er meestal wel zijn, in tegenstelling tot de schouder- en oogstreep, maar let op dat hij niet te groot wordt. Over het algemeen zal dit minder problemen veroorzaken dan de oog- en schoudervlek.

De kweek:

Zoals eerder vermeld, moet men letten op de lengte van de bevedering, maar kweek niet met de bedoeling zowel mannen als poppen te kweken uit hetzelfde koppel. Koppel een pop aan een man met een minimaal masker (flink foutieve man met masker), zelfs met een kleine inkeping erin kan geen kwaad. Let ook op een minder grote borstvlek en een juiste kleurdiepte, en uiteraard op de vorm van beide vogels. Je weet dat wat de ene te veel heeft, de andere te weinig moet hebben. Gebruik dus mannen die zoveel mogelijk het pop-type benaderen. Let goed op het zogenaamde muizenkopje; dit zal met het mozaïekpatroon nog meer een misvormd uitzicht geven dan bij andere vogels. De vogel kan dan weliswaar een mooi mozaïekpatroon hebben, maar de vorm zal de vogel kansloos maken. Wees dus ook hier zeer waakzaam. En uiteraard let ook op je voeding en/of kleurstimulerende middelen, zodat het mozaïekpatroon niet te diep van kleur wordt. Zorg voor zo min mogelijk uitloop van de schoudervlek in de vleugelpennen. En als je de vogels voedt met gele of rode stimulerende middelen, begin dan niet eerder dan rond 6 weken. Wees ook hier waakzaam dat de kleur niet te diep wordt. Veel succes met deze schitterende kanarievogel.

Wout van Gils.

De Geel Mozaïek Type 2

Geel mozaïek type 2 a


Geel Mozaïek Type 2.

Inleiding:

Een van de kanarievogels die ik graag zie en met succes kweek, is de Geel Mozaïek. Zoals bekend zijn er twee typen: type 1 voor de pop en type 2 voor de man. Zelf geef ik de voorkeur aan het pop-type omdat ik dit persoonlijk het mooiste vind, vooral vanwege de helderwitte ondergrond. Bij de mannen is dit minder, maar ik merk op dat hier ook aanzienlijke verbeteringen te bewonderen zijn. Kwekers hebben de afgelopen jaren deze vogels tot prachtige exemplaren gemaakt. Het is duidelijk dat men moet beslissen welke richting men op wil in de kweek: of men fokt het pop-type, of anders het man-type. Beide soorten fokken uit één koppel is praktisch uitgesloten; men moet doelgericht kiezen of twee aparte lijnen uitzetten. Bijzonder belangrijk bij deze vogels is niet alleen de vorm, maar ook de lengte van de bevedering moet goed in de gaten worden gehouden. Te lange bevedering resulteert niet alleen in erg losse flanken en minder mooi gesloten vogels, maar vergroot ook de kans op gezwellen, vooral op de schouders. Ook moet er voldoende aandacht zijn voor het masker, zorg dat het oog goed zichtbaar is in het masker en dat het masker naar de nek toe uitloopt. Hier moet nauwlettend op worden toegezien. Let ook op de kleurdiepte van het masker; het mag niet te diep worden, want dit kan, hoe vreemd het ook klinkt, meer kleur op het rugdek veroorzaken, wat eigenlijk zo min mogelijk moet zijn, maar bij mannen wel zichtbaar is en bij de pop niet. Probeer dit tot een minimum te beperken. Wat de vorm betreft, lopen we hier in België zeker niet achter en kunnen we dit met succes in de fokkerij opnemen. Ook moeten we goed letten op de doorgaande lipochroomkleur in de staart; dit is niet gemakkelijk te verminderen maar we moeten proberen dit tot een minimum te beperken. Let ook goed op en probeer te voorkomen dat de vogels vleugel- en/of staartpennen verliezen; als deze terugkomen, zullen ze ook meegekleurd zijn.

Geel Mozaïek Type 2:

Een mozaïek is een getekende vogel waarvan het patroon de vastgestelde normen zo nauwkeurig mogelijk moet benaderen, waarbij contrast ook een belangrijke rol speelt. We streven naar een zo intens mogelijk patroon op een zo helder mogelijke ondergrond. Aandacht moet worden besteed aan de kleurdiepte van het patroon; dit mag niet te diep worden of overgaan naar oranje, maar ook niet te minimaal van kleurdiepte zijn. Een te diep masker (putter) resulteert ook in meer kleur op het rugdek. Alles moet duidelijk zichtbaar zijn en zich ontwikkelen op de volgende punten:

  • Een duidelijk masker (putter) waarin het oog goed zichtbaar is, niet doorlopend naar de nek.
  • Een duidelijke borstvlek die niet doorloopt in het masker of de schoudervlek, duidelijk gescheiden van beide.
  • Een duidelijke schoudervlek die goed is afgetekend zonder ver door te lopen in de vleugels.
  • Een goed zichtbare stuitvlek.

Het Masker:

Dit is een van de duidelijkste kenmerken tussen de man en de pop. De man heeft een vol puttermasker volledig rond de snavel. De ogen moeten hier goed in vallen. De krul achter het oog is aanwezig maar moet zo minimaal mogelijk zijn en mag niet te ver doorlopen. Het masker bij mannen in combinatie met een helderwitte ondergrond is niet gemakkelijk te realiseren, maar ook hier is aanzienlijke vooruitgang geboekt. Diverse kwekers hebben dit probleem al goed onder de knie.

De Schoudervlek:

De schoudervlek geeft samen met de oogstreep de mooie mozaïektekening weer. Voorkomen moet worden dat deze te ver doorloopt in de vleugelpennen. Ook moet deze duidelijk naar voren komen en zichtbaar zijn, zonder te diep van kleur te worden, maar uiteraard ook niet te minimaal van kleur. Het moet altijd goed zichtbaar zijn.

De Borstvlek:

Deze is groter dan bij de poppen en dus goed zichtbaar. Maar men moet voorkomen dat deze te groot wordt en tegen het masker en de flanken aansluit; dit is duidelijk niet toegestaan en zal door keurmeesters worden bestraft. Probeer te zorgen voor een duidelijk afgebakende, niet te diepe borstvlek.

De Stuitvlek:

Deze vlek zal meestal aanwezig zijn, in tegenstelling tot de schoudervlek en de oogstreep, maar let op dat deze niet te groot wordt. Over het algemeen zal deze minder problemen veroorzaken dan de oog- en schoudervlek.

De Kweek:

Zoals eerder genoemd, moet worden gelet op de lengte van de bevedering, maar fok niet met de bedoeling zowel mannen als poppen uit hetzelfde koppel te krijgen. Een mozaïekman die het type van een pop laat zien, is het meest geschikt voor poppen en zeker niet voor de fok van mannen. Gebruik dus een pop met zware tekening, een grote oogstreep en lipochroom boven de snavelbasis. Dit zijn vogels die worden gekoppeld aan een man met een goed masker. Let ook op de borstvlek en schoudervlek; deze moeten ook aanwezig zijn en niet te groot. En let uiteraard ook op de vorm van beide vogels; wat de ene te veel heeft, moet de andere te weinig hebben. Gebruik dus poppen die zoveel mogelijk het man-type benaderen. Let wel op het zogenaamde ‘muizenkopje’; dit zal met het mozaïekpatroon nog meer een misvormd uitzicht geven. De vogel kan dan weliswaar een mooi mozaïekpatroon hebben, maar de vorm maakt de vogel kansloos. Let dus hier ook goed op! En let uiteraard ook op je voeding en/of kleurstimulerende middelen, zodat het mozaïekpatroon niet te diep van kleur wordt. Ook hier geldt weer, als je kleurstimulerende middelen geeft, begin hier dan rond week 6 mee, en let ook op dat de kleur niet te diep wordt. Succes.

Wout van Gils.

Kanarie Geel

Geel schimmel


Kanarie Geel.

Voor de meeste kwekers komt deze kreet zeker bekend voor. Voor de beginnende liefhebber zal deze opmerking vast en zeker nog wel eens tegenkomen. De TT-spelers onder ons weten al wat ik bedoel met de titel van dit artikel. In de standaard staat het erg duidelijk beschreven, maar voor iedereen is het niet even makkelijk de juiste gradatie vast te stellen van deze grondkleur. Toch zijn een geel intensief of een geel schimmel totaal verschillende vogels, en het verschil is door iedereen vast te stellen. Maar er zijn diverse intermediaire kleuren die menig liefhebber aan het twijfelen zetten. Ook de keurmeester zal een verschil in opmerkingen plaatsen; de ene keurmeester schrijft dat de grondkleur goed is, terwijl de ander zegt dat deze te diep, te warm, of bewolkt van kleur is. Een zaak staat hier vast: er is zeker iets niet goed met de kleur. En de mooie eenvoudige kleur vogel GEEL kennen wij allemaal en die bestaat alleen in GEEL: INTENSIEF en GEEL: SCHIMMEL.

Het is nu dat tussen deze twee kleuren een zeer grote variatie kan liggen, die door vele liefhebbers allemaal ingezet worden als TT vogel. Dit kan niet en wordt meestal foutief gedaan. Vogels die goed ingezet worden voor de kweek zal ik zeker niet ontkennen, maar voor de TT zijn er maar enkele soorten Geel. Voor de keurmeesters ligt hier ook een probleem, zeker met het keuren met kunstlicht is het dikwijls een probleem om de juiste kleur (GEEL) vast te stellen. Meestal heeft het kunstlicht zelfs een positief effect op de kleur van deze gele vogels; ook lichte schimmelsporen in nek en/of rug zijn bijna niet meer vast te stellen. Het is ook om die reden dat de meeste keurmeesters in het begin van de keuring een vogel naar het daglicht halen om de juiste gradatie vast te stellen en zo een vergelijking te kunnen maken met gele vogels. Het zal duidelijk zijn dat de tafelkeuring hier een groot voordeel kan opleveren voor de keurmeesters, maar ook voor de beoordeling van de vogels. Het blijft dan ook aan te bevelen zo veel mogelijk gebruik te maken van de TAFELKEURING (blijf hierop hameren bij uw bestuur).

Het is daarom ook wel te begrijpen dat de ene vogel wel eens een paar punten kan zakken of stijgen in kleur door de verlichting in de zaal, en het zal zeker niet aan de keurmeester liggen dat er punten verschil is bij kunstlicht. Al moeten zeker de kampioenen gemaakt worden bij goed licht (voor het raam) en met drie personen. En dit is natuurlijk wel mogelijk om te doen. Maar de liefhebber zal ook een selectie moeten gaan maken tussen al die tussenkleuren (GEEL), en het is aan de keurmeester deze goede kleur eenvormig en goed aan te geven. Over de bovengenoemde vogels wil ik in het kort nog iets vermelden.

De Geel Schimmel.

Ja, we zien deze vogels nog wel, maar er is een grote kentering gekomen.

Wat zien we dan wel? Nou, weinig geel schimmels; in de meeste gevallen zien we een vogel met de dubbele geelfactor met een schimmelwaas eroverheen. Is dit een geelschimmel? Natuurlijk niet. De keurmeester zal hier meestal als opmerking geven dat de vogel bewolkt is of niet egaal van kleur. Of hij keurt hem als geel intensief en bestraft hem met de aanwezige schimmelsporen, enzovoort. Dus voor de kweek van geelschimmels altijd twee vogels gebruiken met lichte schimmel en de enkele geelfactor. Het zullen meestal de poppen zijn die de standaardeisen het dichtst benaderen. Het verschil tussen man en pop is hier erg goed waar te nemen. Dus gebruik geen intensieve vogels voor het kweken van geelschimmels; koppel lichtschimmel vogels aan elkaar met een enkele geelfactor, uiteraard met een zwak geel bezit en een gelijkmatig verdeelde schimmel. Of zoals men dikwijls zegt: wat de ene vogel te veel heeft, moet de andere minder hebben.

STANDAARD GEELSCHIMMEL:

  • Egaal zachtgeel geheel enkelvoudige geelfactor.
  • Overtrokken met een gelijkmatige fijn verdeelde schimmelsluier.
  • Grondkleur en schimmel moeten harmonieus zijn, beide gelijkmatig verdeeld over de vogels. Geen blauwstructuur.
  • Mag geen sterke gele partijen bezitten, zoals kop, schouders en stuit.
  • Pennen zoveel mogelijk doorgekleurd.
  • Geen enkele melanisatie is toegestaan.
  • Hoorndelen vleeskleurig.

VEEL VOORKOMENDE FOUTEN:

  • Te lichte en/of onzuivere gele kleur.
  • Niet egale, bewolkte tint.
  • Te diepe grondkleur met grote kleurloze veerpartijen.
  • Te bleke pennen, onvoldoende doorgekleurd.
  • Te zware schimmel, vooral in nek en op de rug.
  • Onregelmatig verdeelde schimmel.
  • Bontheid en/of op de hoorndelen.

De Geel Intensief.

Deze vogel heeft een hooggele grondkleur, de kleur van een rijpe zonnebloem, in samenwerking met de dubbele geelfactor. Deze vogel moet ook, in tegenstelling tot de geelschimmel, in het bezit zijn van de dubbele geelfactor. Zet ook nooit vogels in die een oranje bijtint laten zien; dit zal later in de jongen terugkomen, vooral in de kleine veertjes boven de snavel zullen bijna altijd oranjekleurig doorkomen omdat daar de kleurstof zich het sterkst zal concentreren. Dit geldt ook voor minder maten voor de rest van de bevedering. Bij het kweken van geel intensieve vogels dient men altijd twee vogels te gebruiken met een zo sterk mogelijke geelfactor, zo diep mogelijk doorgekleurd in de vleugel- en staartpennen. De beste paring is een geel intensieve vogel te koppelen aan een geel intensieve vogel met schimmelsporen aanwezig, uiteraard met een goede bevederingstructuur en groot. Paar zo weinig mogelijk een geel intensief aan een geelschimmel vogel om datzelfde jaar TT-vogels te verwachten. Op langere termijn kan dit natuurlijk wel. Hou er terdege rekening mee dat een goede geel intensieve vogel drager moet zijn van een dubbele geelfactor. Doet men het anders dan zal men steeds de tussenliggende kleuren verkrijgen, en het is dat wat we toch nog veel zien. Wat ook belangrijk is om te weten, in tegenstelling tot de geelschimmels zijn het de mannen bij de geel intensief die het best de standaard benaderen. Zij zijn veel dieper en mooier doorgekleurd dan de poppen. Menig geelkweker wil ook wel geel intensieve vogels kweken via vogels split voor wit (gele pop). Let wel met een dubbele geelfactor, deze koppelen aan een geel intensieve man. Met deze methode kan na enkele jaren het mes snijden aan twee kanten door bijvoorbeeld geel intensieve vogels en recessieve witte vogels te kweken uit hetzelfde nest. Bij deze methode op letten dat de intensief factor niet te sterk wordt, blijf letten op de lengte van de bevedering en op de aanwezige schimmelsporen. Uiteraard zal ook de grootte en vorm ook meespelen. Dus de weg naar een goede geel intensief is koppelen een geel intensief * hooggeel. Beiden met een dubbele geelfactor, met de pop een lichte schimmel (spoortjes), iets wat meestal altijd zo is maar in minimale hoeveelheid. Alle andere koppelingen zullen het eerste jaar tussenliggende kleuren opleveren, zowel te diep bewolkt en noem maar op. Het is aan de kweker om hier goed nota van te nemen. De keurmeesters moeten een eenvormig standpunt innemen, dat er is in de standaardeisen. Maar spijtig genoeg worden deze mensen dikwijls beïnvloed door het kunstlicht, maar dit is al eens eerder aangehaald. Een oplossing in deze blijft de tafelkeuring met daglicht inval. Dit kan niet genoeg gesteld worden en ook bij de andere kleuren zal dit de eenvormigheid van de kleur en het keuren ten goede komen.

STANDAARD GEEL INTENSIEF:

  • Zuivere, heldere egale goudgele kleur (dubbele geelfactor) volledig intensief, geen enkel spoor van schimmel.
  • Aangepaste lichte blauwstructuur.
  • Geen oranje bijtint.
  • Grote pennen zo volledig mogelijk doorgekleurd.
  • Geen enkele vorm van bontheid.
  • Hoorndelen vleeskleurig.

VEEL VOORKOMENDE FOUTEN:

  • Gele kleur te flets, niet diep genoeg en nog ongelijk, vooral kop schouders.
  • Onzuivere gele tint (bijvoorbeeld oranje bijtint).
  • Niet volledig intensief gekleurd.
  • Schimmelsporen aanwezig op de vogel.
  • Opgebleekt rond kopje.
  • Pennen niet voldoende doorgekleurd.
  • Bontheid in bevedering en/of hoorndelen.

Besluit.

Ja, beste vogelliefhebbers, dit was dan iets over de gele kanarievogel. Door velen een gemakkelijke vogel genoemd om te kweken. Ik moet eerlijk bekennen, ik heb vele kleuren gekweekt, maar een goede geel intensief is mij nog niet gelukt te kweken. Dit jaar ga ik het opnieuw proberen, maar daar trek ik nu dan enkele jaren voor uit. Wat ik verder nog wil mededelen is dat een mooie gele vogel ook voor de rui kan veranderen tijdens de rui. De meer ervaren kweker zal hier zijn maatregelen wel tegen nemen, maar ik wil dit toch nog even aanhalen. Veel vogels worden na de rui te diep van kleur en/of geven een oranje bijtint.

De reden hiervan kan zijn:

  1. Te veel onkruidzaden in je voer (bevat caroteen).
  2. Geef geen wortels, rode kool, raapzaad.
  3. Geef gele vogels zelfgemaakt eivoer.
  4. Vermijd caroteenhoudende zaden.
  5. Scheid rode en gele vogels totaal van elkaar.
  6. Eieren van scharrelkippen zijn het beste.

Dus ook hiermee moet je rekening houden bij het kweken van gele vogels. Ik hoop met dit artikel de geelkwekers erop attent gemaakt te hebben dat het kweken van de gele kleur moeilijk is en goede kennis bij het koppelen nodig is. Kleur bij kleur houden; als men gaat mengen, doe dit dan doordacht door bijvoorbeeld een stam op te bouwen, maar niet om in een jaar een goede vogel te kweken. Wat een mengeling van kleuren en factoren blijft, geeft een mengeling en hiermee zal men weinig resultaat bereiken op de TT. In het kweekhok de komende jaren is het iets anders, maar dan gaat men doordacht en met kennis te werk. Aan allen een goede kweek, en denk eraan: kweek geelschimmels en/of geel intensieve vogels, maar kweek nooit beiden door elkaar om ofwel geelschimmel of geel intensief te verkrijgen. Dat lukt zelden, ook al zal hier ook de uitzondering de regel wel weer bevestigen. Veel plezier met de gele vogels

Wout van Gils

De kobalt factor.

kobalt 3


Nieuw bij de kleurkanaries: de Kobalt-faktor F heiler.

“Nog nooit van gehoord” zal u zeker zeggen bij het lezen van dit opschrift  en dit volledig terecht, daar het begrip “Kobalt” tot op heden nog nooit werd gebruikt in samenhang met kleurkanaries. Het handelt zich hier om een fenomeen dat kweker Fr. Heiler het laatste jaar in een artikel ” Kanaries kweken -toegevoegde mutaties” (Vogelvrienden, deel 2) voor de eerste maal beschreven en als “super oxydatie in het gevederte” gekenmerkt heeft.De Terugblik

Ik kan het me nog goed herinneren dat op het DKB-wereldkampioenschap 1995 in Ulm een stam kleurkanaries Roodzwart-schimmel stond van kweker H. Jammers uit de Kempen, die door een afwijkend uitzicht de attentie trok van een prijskeurder. Het bijzondere aan deze vogels was een ongewone stompe basiskleur,Vooruit gebracht door een duidelijk uitmuntende vlekken pigmentering die zich uitstrekte tot aan het cloaca bereik, zoals een grauwe schimmelboord, die zich gelijkmatig over de gehele hoek verdeeld. De vogels kregen door de bot slecht 26 punten en belandden hiermee verslagen in de achterste rangen van het klassement. Van de kweker hebben wij enkel vernomen dat al zijn zwartvogels dezelfde kweek en voedingswaarden genoten hebben en dat hij het afwijkende uitzicht bij sommige van zijn vogels niet verklaren kan.

College-kweker K.- W. Weber uit Oggersheim, die zelf reeds sinds vele jaren met succes zwartrode kanaries kweekt en een voorliefde heeft voor die nieuwe, zeldzame kleurslag, kreeg een mannetje uit deze collectie, om dmv kweekresultaten te onderzoeken of het zich hier om een mutatie handelt of dat het een resultaat is van toegediende voedingsstoffen. Daar het mannetje na de rui niet van uitzicht veranderde sprak hij allereerst over een nieuw mutatie. ‘ Helaas kon in het daaropvolgende jaar niet verder gegaan worden met de geplande testkweek daar het mannetje 1 gestorven is; uit de kweek van 4 (uiterlijk onopvallende) halfzusters ?onder elkaar kwamen slechts enkele lagere klasse gekleurde vogels. In 1997 lag er voor het eerst een “supergeoxideert” Jong In het nest. In 1998 lukte het  dan om uit het voorhanden kweekmateriaal tegelijkertijd meerdere van deze afwijkende, donkere zwartvogels op stok te brengen van beide geslachten, waarmee vaststond dat het zich hier om een mutatie handelde met een vrij / recessieve erfelijkheid. Op het DKB-wereldkampioenschap in januari 2001, wederom in Ulm, heeft kweker Weber de beste vogels van zijn nakweek aan het brede publiek voorgesteld in de klasse “nieuwe kweek/mutaties”. Op dit ogenblik is kweker Weber erin geslaagd deze eigenschap over te dragen aan zwartgeel, zwart-witte en ook roodbruine kleurkanaries. Los hiervan kwamen er het afgelopen jaar in een agaatstam van een verenigingscollega van de AZ-plaatselijke vereniging Heppenheim enkele roodagaatvogels voor met eveneens een extreem dichte en donkere vlekken pigmentering tot aan de cloaca, wat voor agaatvogels volkomen vreemd  is .Volgens de mij hiervoor liggende informatie is deze verervings factor ook hier vrij /ressestent: Of het hier om dezelfde eigenschap handelt als bij de roodzwarte vogels kan enkel door een proefkweek met beide soorten vastgesteld worden. De kwekers staan reeds met elkander in contact. Vermoedelijk zijn zulke afwijkende gepigmenteerde vogels reeds eerder en in andere kleursoorten opgetreden zonder dat men deze als eigenstandige mutatie erkend heeft.
Kenmerken van de mutatie/mogelijkheden:

Onderstaand enkel de uiterlijk zichtbare kenmerken die deel uitmaken van de “Kobalt-factor”:

1. Waar te nemen is een aanzienlijke toename van de eumelanine opslag in het gevederte, die de vogel kobalt 1kkobalt 4rakobalt 3chtiger gepigmenteert laat uitschijnen zonder dat er een verandering van de melanie toon of -zoals bij Onyx- een in een ander door loping van de tekening -en vlakken melanine plaatsvindt. De jonge vogels onderscheiden zich op grond van een hoger zwartaandeel van hun klassiek zwarte nestzusters, en dit reeds bij het uitvliegen. Misschien is het mogelijk in het kort door microscopische onderzoeken een exact uitsluitsel te bekomen in welke veder regio de verhoogde concentratie van het eumelanine zich lokaliseert en hoe het eumelanine-aandeel zich in vergelijk met de klassieke vogels procentueel verhoogt.  

2. Naast de melanine maximering valt ook de gelijkmatigheid van de pigmentering over het gehele gevederte tot in de kleinste vederuiteinde op. Ook dit is een duidelijk onderscheid voor de Onyx  kanaries, bij de welke het bijzondere kenmerk juist de afname van de eumelanine dichtheid naar het achterste gedeelte van het lichaam toe is. Reeds na enkele levensdagen laat zich bij de jongen reeds de mutatie kenmerken aan de vergelijkbare donkere vederpennen van de onderbuik.

3. Samen met de verhoogde melanine opstapeling in de verderen ondergaat ook de vetkleur een verandering, doordat ze in vergelijking met de klassieke vogels aan lichtheid! zuiverheid verliest. Men kan zeggen, ze wordt op dat ogenblik van de melanine kleur doortoont.

4. Bij de schimmelvogels verandert de kleur van de schimmel van wit naar grijsgrauw. Bij een Schimmelvogels verandert de kleur van de schimmel van wit naar grijsgrauw. Daardoor treedt bij hen de “kobalt” eigenschap zeer duidelijk op de voorgrond.

5. Tijdens de rui van de “Kobalt” vogels hebben ze een ongewoon ruig verenkleed, hetgeen vermoedelijk met het verhoogde melanine gehalte in het verenkleed samenhangt. Merkwaardig genoeg voelt het verenkleed na de rui zacht en zijdeachtig aan. De kwaliteit van het verenkleed is over het algemeen duidelijk beter dan bij de klassieke Zwartvogels. Omdat de mutatie vrij/recessief vererft, laat ze zich met alle reeds bekende melanine varianten combineren. De “kobalt-factor” heeft alleen bij de Zwartvogels een duidelijke betekenis, waarbij een maximum aan zwarte melanine op de buitenkant van het gehele verenkleed aanwezig is. Wij weten allemaal, dat de oppervlakte pigmentering van onze Zwartvogels maar al te vaak bij de achterste flanken  en onderste buikgedeelte sterk afneemt en het gebied om de cloaca in het algemeen lichter van kleur is. Hier zou dus een lichtere plek gesloten kunnen worden.

Hetzelfde geldt ook voor de Onyx-kanaries, bij wie de lichtere plekken in het gebied van de flanken en de buik momenteel nog duidelijk ontwikkeld zijn. Bovendien zou het mogelijk moeten zijn om de witte onderbuik van onze Zwart-mozaïeken door het in kruisen van de “kobalt-factor” donkerder te krijgen, hetgeen uit het oogpunt van de optiek zeker een winst zou zijn, omdat de vogel hierdoor in zijn geheel donkerder zou lijken. Verder valt er te denken aan het optimaliseren van het oppervlakte melanine bij de Zwart-mozaïeken met de bruin verdringings factor, die zoals bekend, veroorzaakt wordt door het wegvallen van het phaenomelanine aan de verenrand, een lichte verenzoom vertoont, die aan de vlakke zijde lichter toont dan de klassieke Zwartvogel met een volle melaninedichtheid.Naamgeving en toekomstperspectief :

De naamgeving van de mutatie is nog niet bepaald. F. Heiler spreekt treffend van “super oxydatie van het verenkleed”, vergelijkbaar met de “super oxydatie van de hoorndelen”, die wij reeds langer kennen. De echtgenote van Ziegfried Weber had het gevoel, bij het zien van de grijs grauwe onderbuik van de gemuteerde vogel, herinnerd te worden aan het metaal kobalt en riep spontaan de benaming “Kobalt -kanarie”.“Kobalt”is zeker het meest pakkende en makkelijkst te hanteren begrip, hetgeen men derhalve de voorkeur zou geven. Misschien vindt men in de toekomst een nog betere benaming, die het geschilderde fenomeen nog treffender omschrijft. Wie ideeën heeft, dient niet te schromen deze ter discussie te brengen! Het is afwachten, of de “kobalt” -eigenschap zich zelfstandig als melanine variant kan handhaven of dat hem echter -zoals de bruin verdringingsfactor  slechts de rol van een aanvullings / veredelingsfactor overblijft  

Vertaald uit AZN Verslag Nr 8 .2001  Duitsland : ( vereinigung fur artenschuts vogelhaltung und vogelzucht. ( W.v.Gils )

De grijsvleugel-factor

Zwart pastel gijsvleugel wit


De grijsvleugel-factor: alleen voor kenners.

In onze kanariewereld zijn er verschillende kleurslagen. Over het algemeen zijn al deze kleurslagen te bewonderen op onze TT (tentoonstelling), en ze komen ergens wel voor bij onze toegewijde kwekers in hun kweekhok. De grijswing is echter een factor die menig kweker niet of nauwelijks durft te gebruiken. Kortom, het is een zeer moeilijke en onvoorspelbare factor. Hoewel ze voorkomen, zijn ze zeker niet in grote aantallen te vinden. Toch zijn er kwekers die deze vogels kweken en er prachtige exemplaren van op de TT tentoonstellen. Ik persoonlijk heb veel bewondering voor deze kwekers die ondanks de onvoorspelbaarheid toch in staat zijn om mooie vogels voort te brengen. Nu iets meer over deze factor.

Grijswing-factor:

Deze factor komt meestal voor bij vogels uit de zwartpastelreeks. Het puur fokken van de grijswing-factor is zo goed als uitgesloten. Uitgebreide kennis van je eigen vogels in combinatie met je stam en kweekboek kan hierbij zeer nuttig zijn en is ook noodzakelijk om deze factor goed te beheren. Deze werking staat ook wel bekend als de versterkte “pastelfactor-werking.” Dit betekent een versterkte reductie van de melanine samen met een omkeerbare ligging van dezelfde melanine in de toppen van de veren, die hier sterk gemelaniseerd zijn. Het bijzondere van de grijswingels is de tekening die een gemarmerde indruk moet geven. De vleugel- en staartpennen moeten lichtgrijs zijn met zo donker mogelijke omzoming van de toppen. De rug is lichtgrijs zonder bestreping maar met een soort “hamerslagpatroon”, ook wel omschreven als een grijs geschubd rugdek met schubjes. De flanktekening moet gemarmerd aanwezig zijn. De snaveldelen zijn loodgrijs en zo donker mogelijk. Het bezit van bruin phaeomelanine vormt hier een groot probleem. De eumelaninen zijn sterk gereduceerd, waardoor het bruine phaeomelanine nog beter naar voren komt. Dit kan worden opgelost door de blauwfactor in de vogel te introduceren. Het beste en mooiste grijswing-patroon vinden we bij de mannen. De introductie van de mozaïekfactor laat de melanisatie bij de grijswingels nog beter tot zijn recht komen, maar men moet voorkomen dat het bruin de overhand krijgt. De ivoorfactor wordt eigenlijk niet echt aanbevolen bij deze vogel, omdat dit het bruin in de vogel nog meer naar voren zou kunnen brengen. Vaak zie je vogels die een mix zijn tussen zwartpastel en grijswingels, de zwartpastellen met grijze grote pennen maar met een nog klassiek tekeningpatroon, gestreept, worden de “grijswingel”-types genoemd en zijn dus geen TT (tentoonstellings) vogels. Het uiterlijk komt ongeveer als volgt naar voren: de melanisatie in de vleugel- en staartpennen, evenals de rugveren en flanken, sterk afgezwakt, kleur lichtgrijs, een donkere gemelaniseerde omzoming van de pennen en rugveren, het overige deel van de veer slecht minimaal gemelaniseerd. De snaveldelen zijn loodkleurig en de donskleur van zowel de man als de pop is zilverachtig grijs. Het geheel moet een harmonieus uitzicht geven.

De vererving:

Dit blijft een erg groot vraagteken. Zuiver geslachtgebonden of zuiver onafhankelijk kan het zeker niet zijn; er zijn reeds vermoedens geuit die niet of nauwelijks bewezen zijn. Puur fokken is niet mogelijk, dus we kunnen grijswingels fokken die het kenmerk van grijswingels niet bezitten. Een aanbevolen kweekmethode voor grijswingels is een homozygote grijswingel x homozygote grijswingel. Partners die drager zijn van agaat, bruin of pastel doen de grijswingeleigenschappen vaak verdwijnen en geven ons weer opgebleekte zwartpastellen ofwel de grijswingel-types genoemd. Het is zeker dat de grijswingel-factor sterk verbonden is met de pastelfactor. Tot nu toe lijkt het erop dat nog geen fokzuivere of homozygote grijswingels zijn gekweekt. Het is en blijft een zeer onbetrouwbare factor, en het is bewonderenswaardig hoe sommige kwekers hiermee om kunnen gaan. Enige kans op succes komt ook voor uit de volgende paringen:

  1. Grijswingel x Zwartpastel.
  2. Zwartpastel x Zwartpastel.
  3. Grijswingel x Grijswingel-type.

Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat grijswingels uit de zwartreeks het beste en meest acceptabele beeld geven volgens de standaard. Dus, grijswingels fokken alleen in de zwartreeks geeft ook de meeste kans op het geschubde rugdekpatroon. Nogmaals, de beste resultaten worden behaald door met homozygote vogels uit de zwartreeks te kweken, maar zelfs dan is dit nog niet met zekerheid te stellen. Vaak hebben de jonge popjes vóór de rui een redelijke grijswingeltekening, maar dit verdwijnt gedeeltelijk tijdens de rui en wordt dan weer wat streperig. Alleen de opgebleekte pennen blijven behouden. Er is een verschil tussen schimmel- en intensieve vogels: schimmels zijn meestal iets beter gemarmerd op het rugdek, maar de vleugel- en staartpennen zijn niet volledig opgebleekt. Bij intensieve vogels zien we wel opgebleekte pennen met een mooie zwarte omzoming, maar dan is het rugdek weer minder mooi en soms zelfs weer iets streperig. Er zijn echter al erg mooie exemplaren te zien, dus het kan. Kortom, het is en blijft een zeer uitdagende vogel. Veel geduld en kennis zijn nodig, maar vooral geduld en kennis van zaken kunnen tot resultaten leiden. Het is niet voor iedereen weggelegd; ook het op papier zetten van dit artikel gaf al aan dat het niet gemakkelijk is, laat staan het fokken van deze vogels. Proficiat aan die kwekers die het wel kunnen en aandurven. Succes!

De Isabel Geel

Isabel geel intensief

 


De Isabel Geel:

De isabel is een van de eerste gekweekt in Nederland door een zekere Hr Helder. Men kan stellen dat een isabel een bruine variant is met een reductie van melanine. Tot deze serie behoren de isabel geel, wit en rood, waarbij de witte ondergrond kan worden beïnvloed door de dominante witte factor of de recessieve witte factor. De vogels hebben minimale melanine met redelijk korte strepen op het rugdek en flanken, breder bij de schimmelvogels. Schimmelvogels vertonen ook altijd iets meer phaeomelanine tussen de strepen. In de vleugel- en staartpennen is een zacht beige tint aanwezig, die goed moet overeenstemmen met de totaalkleur. De hoorndelen worden gewoon vleeskleurig genoemd. Intensieve vogels hebben kortere bevedering, terwijl schimmelvogels iets langere bevedering hebben.

Er is ook de typische koptekening van de isabel, zichtbaar aan de bovenkant van de snavel en bij het gebied van de wenkbrauwen. Als gevolg van de reductiefactor vertoont het pigment in deze gebieden een lipochroom kleur. Meestal ziet men op tentoonstellingen de mannelijke exemplaren, vooral de intensieve vogels, die het goed doen. Het is echter belangrijk te onthouden dat schimmel popjes ook mooie vogels zijn en vaak in de prijzen vallen. Een goede schimmelverdeling is daarom essentieel. Bij intensieve vogels zijn de popjes snel te herkennen, omdat ze graag het bekende schimmelkransje in de nek laten zien en een licht bruin waasje op het rugdek hebben, kenmerkend voor intensieve popjes.

Bij geel intensieve vogels moet een dubbele geelfactor zorgen voor een egale, diepgele kleur zonder overgang naar oranje. De bevedering speelt ook een belangrijke rol; als deze te kort is, kan het bekende oogstreepje ontstaan, evenals schrale bevedering rond de ogen. Bij het koppelen is het belangrijk te letten op de bevedering en de hardheid van de tekening. Gebruik voor intensieve vogels altijd een intensieve vogel tegen een matig intensieve vogel, met voldoende grootte en vorm. Let goed op de bevederingslengte en houd de regel in gedachten dat wat de ene vogel te veel heeft, de andere te weinig moet hebben. Gebruik ook fokzuivere vogels.

Soms worden vogels tentoongesteld met splitsatine vogels, maar wees ervan bewust dat veel van deze vogels een lichte opbleking kunnen vertonen aan de snavelbasis en in de vleugel- en staartpennen. Als de keurmeester dit opmerkt, kan dit worden bestraft.

De standaardeisen voor Geel intensief zijn:

  1. Een intensieve vogel met dubbele geelfactor, egaal verdeeld.
  2. Schimmel- en bruine veerpartijen zijn niet toegestaan.
  3. De tekening moet kort en redelijk fijn zijn.
  4. Lichte zichtbare flanktekening.
  5. Zacht beige tint in de vleugel en staartpennen, in overeenstemming met de totaalkleur.
  6. Snavel en poten vleeskleurig.

De standaardeisen voor Geel schimmel zijn:

a. Een vogel met enkele geelfactor, egaal verdeelde schimmel. b. Bij deze kleurslag krijgen we meer een vloeiend rugdek, maar de tekening blijft zichtbaar. c. De tekening moet kort en redelijk fijn zijn (iets breder dan bij de intensieve). d. Een minimaal aan bruin. e. Zacht beige tint in de vleugel en staartpennen, in overeenstemming met de totaalkleur. f. Snavel en poten vleeskleurig.

Veel voorkomende fouten zijn:

  1. Te diepe grondkleur, oranje bijtint.
  2. Schrale bevedering, kleurloze vleugel- en staarttopjes.
  3. Niet egale grondkleur.
  4. Schimmelverdeling op de borst en rest van het lichaam kan beter.
  5. Opgebleekte vleugel- en staartpennen.
  6. Nekschimmel aanwezig.

Zoals bij alle geel factorige vogels is het belangrijk om op te letten met voeding; een teveel aan caroteen-houdende zaden kan leiden tot een te felle kleurdiepte, waardoor het geel overgaat in een oranje bijtint. Deze vogels zijn hier erg gevoelig voor. Succes!

Wout van Gils

De Lutino

Lutino


Mooi maar niet makkelijk: De Lutino

Inleiding:

Iedereen die mij kent, weet dat ik een voorkeur heb voor vetstofvogels, vooral die met rode ogen. Ondanks het besef dat dit niet eenvoudig is, probeer ik al vele jaren deze vogels te kweken. Ik heb redelijk goede resultaten behaald met de albino, met nog betere resultaten met de rubino, maar iets minder succes met de lutino. Desondanks zijn het, ondanks hun moeilijkheidsgraad, prachtige vogels om mee te kweken. Ik zou echter niet adviseren om deze vogels aan beginnende kwekers aan te raden. De lutino is bekend in intensieve en schimmelvarianten, en in de kleur geel, met of zonder de ivoorfactor. Iedereen heeft zijn eigen voorkeur, waarbij de neiging vaak naar de intensieve variant gaat. Het moet echter gezegd worden dat de laatste jaren schimmelvogels grote successen boeken op de keurtafels met uitstekende resultaten. Schimmelvogels zijn tegenwoordig ook prachtige exemplaren. Dus de voorkeur voor intensief is niet meer zo prominent.

De vererving:

De lutino is een gele lipochroom kanarie met rode ogen, zoals eerder genoemd, beschikbaar in intensieve en schimmelvarianten, met of zonder de ivoorfactor. In deze vogels zien we totaal geen pigment meer, maar dit is nog wel latent aanwezig. Dit komt doordat de lutino twee genetische types kent, namelijk via de pheao en/of de satinet. De pheao erft autosomaal over, wat betekent dat zowel de pop als de man dragers kunnen zijn, ook wel splitvogels genoemd. De satinet erft geslachtgebonden over, wat betekent dat alleen de man een drager kan zijn; de pop is ofwel satinet of klassiek. Beide mutaties, pheao en satinet, gedragen zich recessief, wat betekent dat de klassieke vorm altijd de overhand heeft. Opvallend, maar niet vreemd, is dat de meeste ino’s, in dit geval de lutino, geslachtgebonden blijken te erven en genetisch satinet zijn.

Enkele koppelingen:

De meest gebruikte koppeling is een geel verervende lutino man * Lutino pop. Dit is de beste en snelste weg naar lutino’s. Hiermee kweek je direct lutino mannen, poppen en gele mannen die split zijn voor lutino, en klassieke poppen. Het kweken van lutino * Lutino zou ik niemand aanraden, omdat de problemen groot worden, resulterend in blindheid, wat zeker niet de bedoeling mag zijn. Als je puur op lutino wilt kweken, is het raadzaam om direct te beginnen met 2 lutino mannen en 5 à 6 poppen in wisselbroed. Zo kun je de beste jongen van deze paren het volgende jaar onderling laten paren. Dit is meestal de snelste weg naar succes. Zorg ervoor dat de mannen van verschillende stammen zijn.

Het hoeft geen betoog dat je altijd de lengte van de bevedering in de gaten moet houden, zeker als je naar intensieve kweekt. Bij schimmelvogels moet je ook letten op de lengte van de bevedering en vooral op de schimmelverdeling. Hier geldt weer: wat de een te veel heeft, moet de ander minder hebben.

De kweek:

Lutino’s en alle andere vogels met rode ogen hebben een beperkt gezichtsvermogen, hoewel er wel verschillen merkbaar zijn. Desalniettemin moeten we hier zeker rekening mee houden. Deze vogels moeten fel licht vermijden. Plaats de vogels altijd in de schaduw en nooit in direct zonlicht of tl-verlichting. Door fel licht gaan de vogels nog slechter zien, en de kans op oogontsteking is groot. Ook zullen poppen dikwijls geen nest beginnen te maken en de eitjes zomaar laten vallen.

Als de jongen uitkomen en er zijn zowel lutino’s als zwartogen, is het raadzaam dit goed op te volgen. Blijkt dat de jonge roodogen achterblijven, dan is het misschien beter de roodogen bij elkaar te leggen of ze wat bij te voeren. Mijn ervaring is dat bij goed verzorgde vogels het meestal meevalt en de pop de jongen wel voedt. Maar ik moet toegeven dat ik toch de eerste dagen iets bijvoer. Iedereen moet zijn keuze maken, maar aandacht is vereist bij jonge roodogen.

Zelfstandig worden:

Jonge roodogen blijven aandacht vragen, eigenlijk geldt dit ook voor oudere vogels. Mijn voorkeur gaat ernaar uit deze vogels in een aparte kooi of volière onder te brengen en niet bij andere niet-rode ogen te plaatsen. Op deze manier worden de roodogen niet aan de kant gedrukt door hun iets mindere gezichtsvermogen. Door ze bij elkaar te plaatsen, zijn deze problemen er niet en kunnen de roodogen rustiger en goed volwassen worden, met bijna geen uitvallers. Als je ze bij andere niet-rode ogen plaatst, zullen de vogels het zwaar te verduren krijgen.

Over het voeren van de lutino’s zijn er ook diverse meningen. Sommige kwekers voeren hun jongen met geelstimulans of aangepaste zaadmengeling tot ongeveer dag 18. Mijn ervaring is dat lutino’s al vrij diep van kleur zijn. Natuurlijk kan dit ook aan mijn voeding liggen, maar let op bij het voeren van lutino’s is zeker vereist. De kleur zal vrij snel veranderen naar een oranjeachtige tint, en dat is zeker niet de bedoeling. Ja, leergeld betalen we hier zeker, maar één ding is zeker: het zijn zulke mooie vogels, die roodogen, dat de meeste kwekers dit graag op de koop toe nemen. Het leergeld bedoel ik dan. Succes met deze vogels.

Wout van Gils.

DE MOZAÏEK KANARIE

geelmozaiek koppel


DE MOZAÏEK KANARIE

HET ONTSTAAN EN DE ONTWIKKELING:

Deze variëteit is ontstaan door het inkweken van de Kapoetsensijs. Naar mijn weten dateert dit terug tot ongeveer 1942. De verdere ontwikkeling kwam tot stand door een strenge selectie op de vrouwelijke kleurkenmerken van de Kapoetsensijspop en de kanariepop. Er is dus sprake van duidelijk geslachtsdimorfisme. In de loop der jaren heeft strenge selectie het mozaïekpatroon in de kanarievogel gefixeerd door een omkering van de verdeling van de lipochroom kleur in de veren. Met uitzondering van de typische mozaïekpatronen (waar de lipochroomkleur zich bevindt), werd de vetstofkleur teruggedrongen naar de basis van de veren, waardoor wit aan de buitenkant van de veren zichtbaar werd.

In de beginjaren waren er veel fouten bij deze vogels. De grote doorbraak begon rond 1970. In die periode werd ook vastgesteld dat het mozaïek “geslachtsgebonden erft” met een intermediair karakter. Met andere woorden: de mozaïekkenmerken erven geslachtsgebonden over, maar enkele factoren beïnvloeden het patroon. Het mozaïekpatroon is alleen zichtbaar bij een NIET INTENSIEVE VOGEL! (Dus een schimmelvogel).

Het mozaïekpatroon wordt beïnvloed door de: a. INTENSIEFFACTOR b. DOMINANT WITFACTOR c. RECESSIEF WIT FACTOR

In de jaren ’70 werden veel ontdekkingen gedaan en gedocumenteerd. Lange tijd dacht men dat alleen de mozaïekpop een TT (tentoonstelling) vogel was, maar later werd ingezien dat dit niet het geval was. Op verschillende plaatsen ontdekte men dat de mozaïekman een eigen verschijningsvorm heeft, en men kwam tot de volgende onderscheidingen:

  1. Mozaïekpop, ook wel Type I genoemd.
  2. Mozaïekman, ook wel Type II genoemd.

image14moz manOver deze types zal ik later een apart stukje schrijven. De mozaïekfactor werd vele jaren gekweekt in de vetstofreeks. De laatste jaren is het type ook veel gekweekt in de pigmentserie, waar ook prachtige vogels ontstonden. Door de inzet van veel liefhebbers en de oprichting van speciaalclubs is de mozaïek de laatste jaren sterk in opkomst. Het is een uitdagende vogel, maar recente successen bewijzen dat er prachtige vogels mee te kweken zijn. Het is een nieuwe uitdaging voor veel kwekers, exposanten en keurmeesters om deze vogel te kweken en op tentoonstellingen te presenteren. Aan de heren keurmeesters de taak om deze vogels naar waarde en moeilijkheidsgraad te beoordelen. Er ligt nog veel werk voor ons allemaal. De mozaïekkanarie verdient het, laten we daarom samenwerken om deze vogel te leren waarderen!

KENMERKEN MOZAÏEKPOP – TYPE I (zie tekening) Deze vertoont vier specifieke kleurtekeningen in hoofdzakelijk witte veren. Deze tekeningen moeten duidelijk en scherp afgebakend zijn, waaronder: a. KOPTEKENING, OOGSTREEP EN KEELVLEKKEN AAN BEIDE ZIJDEN VAN DE KOP b. SCHOUDERVLEK (goed doorgekleurd) c. DE BORSTVLEK (zo klein mogelijk) d. DE STUITVLEK (goed doorgekleurd)

KENMERKEN MOZAÏEKMAN – TYPE II (zie tekening) a. EEN DOORGEKLEURDE VOORKOP (puttermasker) b. SCHOUDERVLEK (goed doorgekleurd) c. DE BORSTVLEK, die veel groter is dan bij de pop, de kleur moet vrij zijn van de hals en de flanken. d. EEN GEKLEURD STUITKUSSEN. Deze tekening kan in de gele of rode vetstofkleur voorkomen. (Met de ivoorfactor erin, raad ik af, ondanks verschillende meningen hierover.)

NB. Bij de pop Type I moet de borstvlek zwak doorschijnen, niet te groot zijn en ter hoogte van het borstbeen zitten. Bij de man Type II moeten de schouder, borst en stuittekening ruimer zijn dan bij Type I. De borstvlek moet echter goed gescheiden zijn van het masker en de flanken. Type I kan keelstippen hebben, maar een mozaïek zonder of met weinig keelstippen kan ook hoog gewaardeerd worden. Toch verdient een mozaïek van goede tekening en kleur met keelstippen altijd de voorkeur.

LET OP. Bij de vetstofmozaïekkanarie, zowel man als pop, moeten de vleugel- en staartpennen zo wit mogelijk zijn!

VEELVOORKOMENDE FOUTEN BIJ VETSTOFMOZAIEKEN: DE POP TYPE I

  1. Vetstofkleur boven de snavel.
  2. Vetstofkleur op het rugdek.
  3. Rode kleur rond de ogen, geen oogstrepen.
  4. Borst te fel en te diep doorgekleurd, en te groot.
  5. Geen stuitkleur – keelvlekken.
  6. Gekleurde vleugel- of staartpennen.
  7. Schoudertekening loopt te ver door.

DE MAN TYPE II:

  1. Onderbroken masker, te groot of niet goed afgebakend.
  2. Borstvlek die aansluit op masker en flanken.
  3. Stuitkleur niet goed doorgekleurd.
  4. Ontbreken van helderheid tussen de vetstofkleur van de rug en de schouders.
  5. Schoudertekening loopt te ver door in vleugelpennen.
  6. Vetstofkleur loopt door tot in de staartpennen.
  7. Mozaïektekening niet symmetrisch.

Uiteraard kan men deze mozaïektekening in de gele of rode kleur ook in de pigmentreeks kweken. Men kan dan niet meer spreken van de witte veervelden. De gepigmenteerde mozaïek zal altijd een zogenaamde ZILVERSLUIER vertonen, vooral in de Agaat of Groen serie.

DE GEPIGMENTEERDE MOZAÏEK:

Als eerste eis moet altijd gelden: HET MOZAÏEKPATROON. De eisen voor het pigment komen op de tweede plaats. De mozaïektekening ontstaat door de vetstofgekleurde veren en de veren die gepigmenteerd zijn. De tekening moet duidelijk en scherp waarneembaar zijn en aan beide zijden volkomen gelijk. De pigmenttekening moet voldoen aan de eisen van een vogel zonder mozaïektekening. Het kenmerk bij de pigmenttekening is de witte broek. Gepigmenteerde mozaïeken zullen over het algemeen meer of minder een witte broek laten zien en de zilversluier, dan bij dezelfde soort vogel zonder de mozaïekfactor. In de Agaatreeks zal de zilversluier het meest waarneembaar zijn, evenals in de zwart serie. De broek moet dus wit zijn en doorlopen tot tegen het lichaam, waar de poot zich bevindt. Ook in de pigmentserie onderscheidt men weer type I en type II.

VEELVOORKOMENDE FOUTEN IN DE PIGMENTREEKS:

  1. Ontbreken van zilversluier.
  2. Pigmentfouten – onsymmetrisch.
  3. Verdere fouten beschreven in de vetstofreeks Type I + II.

MOZAIEK KANARIE TYPE I (POP) MOZAIEK KANARIE TYPE II (MAN)

BESCHRIJVING TYPE I (POP) DE KOPTEKENING:

De kop vertoont aan beide zijden, net boven beide ogen, een smal, scherp en goed doorgekleurd oogstreepje. Deze strepen mogen niet te lang zijn en moeten gelijk zijn aan beide zijden van de kop. Doorlopende vetstofkleur boven de bek is niet toegestaan. Keelstipjes kunnen zich aftekenen, ook weer aan beide zijden van de kop. De kleur moet zuiver geel of rood zijn.

DE SCHOUDERTEKENING:

Duidelijk afgebakende, niet te grote vlekken, ook aan beide zijden. De kleur is hetzelfde als die van de koptekening en loopt niet door in de vleugelpennen. Vetstofkleur in de pennen is niet toegestaan. De crèmeachtige kleur (zoals beschreven bij Type II) is ook hier acceptabel bij rode mozaïekkanaries.

DE BORSTTEKENING:

De borstvlek is goed doorgekleurd en matig groot (niet te groot en niet te klein). Deze mag niet doorlopen naar de keel, flanken en poten.

DE STUITTEKENING:

Het stuitkussen moet voorzien zijn van een goed afgebakende en gekleurde tekening (stuittekening). De kleur is weer hetzelfde als die van de koptekening en schoudertekening. Het mag niet doorlopen naar de staartpennen.

PIGMENTTEKENING:

De pigmentvereisten zijn gelijk aan die voor vogels zonder mozaïektekening of kenmerken. Het vereiste kenmerk is de witte broek, waarbij een zilverachtige kleur de tekening beheerst door het ontbreken van vetstofkleur. Zoals eerder beschreven als “zilverachtige sluier”.

BESCHRIJVING TYPE II (MAN) DE KOPTEKENING:

Deze bestaat uit een scherp afgebakend en goed doorgekleurd masker, dat zich rond de snavel en ogen bevindt. De ogen liggen precies in het masker. Maskerbeschrijving: De grenslijnen lopen zo recht mogelijk van de ene ooghoek naar de andere, de afstand van de lijnen tot aan de snavel is gelijk en bovendien gelijk aan de afstand van snavel naar ogen. De kleur moet zuiver diepgeel of rood zijn.

DE SCHOUDERTEKENING:

Scherp afgebakende schoudervlekken aan beide zijden, gelijk en niet te groot. De kleur van deze schoudervlekken is hetzelfde als die van de koptekening. Zoals eerder beschreven, mag deze tekening niet doorlopen in de vleugelpennen. Vetstofkleur is niet vereist, waardoor een zeer lichte (zwakke) kleurschakering in de vleugelpennen is toegestaan. Deze kleur wordt nestkleur genoemd en komt alleen voor bij rode mozaïekvogels.

DE BORSTTEKENING:

Doorschijnend goed doorgekleurd, duidelijk gescheiden van masker en flanken.

DE STUITTEKENING:

Het stuitkussen (of rugeinde) is bedekt door de vleugelpennen. De kleur van deze stuittekening is weer hetzelfde als de koptekening en schoudertekening en mag niet doorlopen in de staartpennen.

PIGMENTTEKENING:

Zoals eerder beschreven, moeten de pigmentvereisten voldoen aan dezelfde eisen als voor vogels zonder mozaïektekening of kenmerken. Het vereiste kenmerk is de witte broek, waarbij een zilverachtige kleur de tekening beheerst door het ontbreken van vetstofkleur. Reeds eerder beschreven als “zilversluier”.

DE KWEEK: Zoals eerder opgemerkt, is de kweek de laatste jaren sterk toegenomen. Een eerste vereiste voor het fokken van mozaïeken is het kweken in stamverband, oftewel fokparen samenstellen in familieverband, bijvoorbeeld:

  • Vader x dochter
  • Moeder x zoon
  • Halfbroer x halfzus

Dit vereist uiteraard een uitstekende administratie of kweekboek. Een paring van bijvoorbeeld een mozaïekman x zalmpop geeft de helft van de zonen en dochters de mozaïekfactor. Dit betekent zalmmannen en poppen, evenals enkele mozaïekfactorige mannen en mozaïekpoppen.

Uiteraard zullen beide fokparen redelijke mozaïeken opleveren, maar het uiterlijk zal bestaan uit mozaïektypen. Van een scherp gemaskerd mozaïekpatroon zal geen sprake zijn, aangezien de witte veervelden (de vereisten van de mozaïek) doorlopend zullen zijn met de vetstofkleur. Hierdoor vloeit de mozaïektekening te veel ineen.

Het selecteren moet zeer overwogen gebeuren. Het is nooit aan te bevelen twee zeer witte vogels aan elkaar te koppelen. Het verdient de voorkeur een zeer witte man te paren aan een pop die veel lipochroomkleur (vetstof) vertoont, vooral een korte bevedering heeft, en indien mogelijk, zelfs een beetje vetstofkleur boven de snavel heeft. Het is belangrijk om de intensieffactor zoveel mogelijk te vermijden. Als de bevedering te lang wordt, kan men overwegen een intensieve vogel in te kweken, maar het is beter om dit te vermijden. Verder moet men rekening houden met het feit dat de mozaïekfactor recessief en geslachtsgebonden vererft.

ENKELE KOPPELINGSMOGELIJKHEDEN: a/ Mozaïek x mozaïek = 100% mozaïek b/ Niet mozaïek x mozaïek = 50% split-mozaïek (mannen) / 50% niet-mozaïek (poppen) c/ Mozaïek x niet-mozaïek = 50% split-mozaïek (mannen) / 50% mozaïek (poppen) d/ Split-mozaïek x mozaïek = 25% split-mozaïek (mannen) / 25% mozaïek (mannen) / 25% mozaïek (poppen) / 25% niet-mozaïek (poppen) e/ Split-mozaïek x niet-mozaïek = 25% niet-mozaïek (mannen) / 25% split-mozaïek (mannen) / 25% niet-mozaïek (poppen) / 25% mozaïek

HET OPVOEREN VAN DE ROODFACTORIGE MOZAÏEKEN: Op de eerste plaats moet tijdens de nestperiode geen kleurversterkend middel aan de mozaïeken worden gegeven. De kans op een goede mozaïek is dan al verkeken. Kleurstof toedienen moet pas beginnen wanneer de vogels ongeveer zes weken oud zijn, zodat het kleurcontrast optimaal uitkomt. De hoeveelheid kleurstof moet gelijk zijn aan het opvoeren van andere roodfactor kanarievogels; nooit minder toedienen aan de mozaïek! Zulke vogels zijn te herkennen aan de oranje onderbevedering, wat als foutief wordt beschouwd.

Wout van Gils

De Onyx kanarie.

Zwart onyx

DE ONYX:

ALGEMEEN: Bij deze mutatie wordt de ontwikkeling van bruine phaeomelanine belemmerd, waardoor de eumelanine iets matter wordt. In de rugdriehoek (tussen de bestreping) en de kopstreek ontstaat echter een verdonkering. Deze verdonkering manifesteert zich optimaal in maximale pigmentreeksen (zwart & bruin), terwijl het bij die met de eerste reductiefactor (agaat & isabel) minder opvallend is. De veren moeten volledig en gelijkmatig gemelaniseerd zijn. Deze melanine is matter in vergelijking met die van de klassieke kanaries. Aanwezige bruine phaeomelanine is fout. Intermediaire vogels met opaalkenmerken moeten absoluut worden bestraft. Duidelijke bestreping loopt vanaf de kop, via de rug en flanken tot aan de stuit. De tint van de eumelanine is altijd iets matter dan die van de klassieke kanarie. Voor maximale pigmentreeksen (‘zwart & bruin’ 50-50%) is brede en lange bestreping gewenst, terwijl de agaat- en isabelreeks een smallere en meer onderbroken bestreping vertoont. Deze mutatie komt voor in witte, gele en rode grondkleuren. De combinatie met de ivoorfactor en/of de mozaïekfactor is mogelijk bij de rode en gele grondkleur.

  • Bij de intensieve variant vragen we een diepe, heldere en egale grondkleur, zonder schimmel.
  • Voor de schimmels vragen we gelijkmatig verdeelde schimmel met een heldere en egale grondkleur.
  • De Onyxwit komt voor met de dominante of recessieve witfactor. De recessieve witfactor geeft meer contrast. Bij de dominante witte grondkleur is minimale aanslag alleen toegestaan in de vleugelpennen.
  • Bij onyx mozaïeken wordt het beschreven mozaïekpatroon gevraagd, waarbij oogstrepen aanwezig moeten zijn. De vererving van de onyx is recessief en onafhankelijk.

TOELICHTING: Doordat de phaeomelanine ontbreekt, kan de grondkleur soms een warme tint vertonen. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de grondkleur altijd zuiver blijft. In de zwart- en bruinreeksen vertoont de onyx een diepe melaninekleur in de rugdriehoek en op de kop, waardoor de flanken een iets lichtere tint kunnen hebben. Dit mag echter niet als een fout worden beschouwd, maar volledige opbleking van de flanken is foutief. Door de afwezigheid van phaeomelanine kan de onyx soms een lichtere kleur in de flanken vertonen, maar selectie moet dit kunnen elimineren, en uniformiteit verdient de absolute voorkeur. De bestreping mag niet te zwak zijn, omdat dit de onyxkenmerken kan verzwakken. Bij de witte grondkleur en de schimmels mag de bestreping iets breder zijn. Ook door de inbreng van phaeovrije mozaïekvogels kunnen poppen zonder enige vorm van phaeomelanine ontstaan. Deze vogels voldoen aan de norm, maar de bestreping

DE OPAAL


Bruin opaal geel mozaiek

DE OPAAL KANARIE

INLEIDING:

Hoewel de opaalkanarie al vele tientallen jaren bestaat, heeft deze vogel pas in de laatste tien jaar opmerkelijk terrein gewonnen onder kanariekwekers, zowel binnen als buiten onze federatie. Dit wordt duidelijk op onze tentoonstellingen en in gesprekken tijdens mijn lezingen over kanarievogels, waar steeds meer vragen over de opaalkanarie naar voren komen. Dat juich ik toe. Net als velen ben ik al jaren bezig met de opaalfactor, die me niet loslaat. Naast mijn rode en witte kanaries heb ik verschillende opaalvariëteiten gekweekt, zij het niet altijd met succes. Vooral in de rood ivoor agaat opaal en de zwart opaal geel ivoor verliep het niet altijd zoals gewenst. Persoonlijk vind ik de zilver agaat opaal recessief de mooiste variatie, hoewel smaak hierin een rol speelt. Opvallend is dat deze vogel het meest wordt gezien.

DE OPAALFACTOR OF “STRUCTUURFACTOR”:

De opaalfactor staat ook bekend als de “structuurfactor”, en terecht. De opaalstructuur brengt namelijk een verandering in de ligging van de melanine met zich mee. Hoewel de opaal voor velen niet direct duidelijk lijkt in tijdschriften, tentoonstellingen of lezingen, is de opaalfactor meer geschikt voor ervaren kwekers. Beginnende liefhebbers doe ik het advies om te starten met klassieke kleuren en later over te stappen op niet-klassieke kleuren. Toch wil ik in dit artikel iets schrijven over de “opaalkanarie”, zodat het voor beginners duidelijker wordt en voor ervaren kwekers een opfrissing kan zijn.

ONTSTAAN VAN DE OPAALFACTOR:

Net als elke kleur die meestal ontstaat door een mutatie, geldt dit ook voor de opaalkanarie. Deze mutatie ontstond rond 1949 in Duitsland bij een zekere Hr. Rossner, een kweker in het stamverband van de groene zangkanarie. Plotseling verschenen er in enkele nesten “GRIJSBLAUWE KANARIES”. U kunt zich voorstellen dat deze man niet wist wat hij zag. Jarenlang had hij groene Harzerzang-kanaries gekweekt en dan plotseling geconfronteerd worden met grijsblauwe kanarievogels. Gelukkig heeft deze man ingezien dat dit iets heel bijzonders was en is met deze vogels verder gegaan in samenwerking met enkele andere kanariekwekers. De eerste vogels hadden ook een zeer slechte bevedering; hier moest veel aan verbeterd worden. De erkenning van de opaalmutatie heeft ontzettend lang geduurd, zelfs ervaren vakmensen wilden er weinig of niets van weten. Als men eerder op grote schaal was overgegaan tot het kweken met deze mutatie, zou het zeker geen 13 jaar hebben geduurd voordat deze in veel fokkerijen werd gekweekt. Dit gebeurde rond 1962. Nu, bij het bekijken van veel hokken en tentoonstellingen, is er op korte tijd ontzettend veel gebeurd en zijn er veel goede kweekresultaten bereikt, vooral in de bevederingsstructuur. Waarom de naam “OPAAL”? Deze is zeker niet zomaar gegeven. Ooit hebben ze mij verteld dat deze naam afstamt van een bepaalde edelsteen. De opaal als kleuruitdrukking is juist door zijn opaliserende werking, gebaseerd op een indirecte waarneming van de kleur. Men krijgt bijna altijd een “NIET VOLLEDIGE BLAUWUITING”, veroorzaakt door de lichtinval op het zwarte eumelanine. De meeste melanine ligt verzonken in de kern van de baarden en de onderzijde van de veer. Het opaliserende effect leidt bij bijvoorbeeld de groen en agaatopaal tot een “blauwgrijze kleur”. Dus bij elke kanarievogel die in zijn bevedering enige blauwnuance vertoont, is dit in wezen een veranderd kleurbeeld van de zwarte eumelanine, veroorzaakt door een wijziging van de bevederingsstructuur.

WERKING VAN DE OPAALFACTOR

Agaat opaal wit rec

Zoals de meesten van ons wel zullen weten, heeft de groenopaal een blauwgrijze pigmentkleur. Dit blauwgrijs ontstaat door een veranderde ligging van de melaninen en de verdringing van de bruine phaomelanine. Bij de groenopalen ligt een deel van de melanine niet meer rondom de kern van de veerbaardjes, de mer

gcellen, gegroepeerd, maar verzonken in de kern. Rondom deze kern ligt een filterzone die een reflex teweegbrengt, waardoor het zwarte eumelanine een blauwgrijs kleurkarakter krijgt, en het aanwezige bruine phaeomelanine wordt geobserveerd. Op de buitenzijde van de veer, het gedeelte dat tegen het lichaam aan ligt, heeft deze structuurwijziging geen effect en blijft dus zwart.

Zoals eerder geschreven, komt de opaalfactor het mooist tot uiting op een bevedering met zwarte pigmentatie, met andere woorden bij de groene en de agaat. Enkele neveneffecten die hierbij kunnen ontstaan zijn door de structuurwijziging van de veer, vooral bij de groenopalen de rommelige bevedering, iets wat naar mijn mening de laatste jaren wel is verbeterd. In 1998 kunnen we stellen dat de zwart opalen ook een goede, strakke bevedering kunnen hebben. Ervaring in de kweek is wel een grote vereiste; vermijd in elk geval losse bevedering.

Daar de opaalfactor ook een bruin phaeomelanine verdringend vermogen heeft, zal het voor iedereen duidelijk zijn dat een bruin- of isabelopaal een bijna pigmentloze vogel is. De donskleur zal dan uitkomst moeten bieden:

  • Zwartopaal geeft blauwzwarte dons.
  • Agaatopaal geeft blauwgrijze dons.
  • Bruinopaal geeft blauwbeige dons.

De opaal in de bruinreeks ziet men weinig of niet. De reden is de bruinbelettende werking van de opaalfactor. Indien men deze vogel wil kweken, gebruik dan altijd een schimmelvogel, omdat bij de bruinopaal nog een zacht bruinbeige kleur vereist is, zelfs in vleugels en staart. De enige kleur in de bruinreeks die redelijk doorkomt, is de roodbruin opaal in de schimmelreeks. In de isabelreeks heeft de opaal weinig of geen zin, zoals iedereen wel begrijpt. De bruinopaal wordt wel regelmatig gebruikt om bij de groenopaal de bevedering gladder te krijgen; daarom worden ook deze vogels nog wel gekweekt. Als T.T.-vogel zullen ze misschien minder geschikt zijn ten opzichte van de andere opalen.

Om de opaalfactor (structuur) nog iets duidelijker te maken, zal de tekening met de uitleg nog iets verhelderender werken.

A) BIJ DE NORMAALSTRUCTUUR: hier zien we de meeste melanine aan de buitenkant van de cortex, de kern is niet gemelaniseerd, en de binnenkant bevat weinig melanine.

B) BIJ DE OPAAL STRUCTUUR: hier zien we aan de buitenkant dat deze zeer licht is gemelaniseerd, de kern is zeer zwaar gemelaniseerd. Ook de binnenkant bevat veel melanine. Rond de sterk gemelaniseerde kern bevindt zich een bewolkte zone met holtes, die een lichtbrekingseffect hebben op de blauwe lichtstralen uit het spectrum. Deze invallende lichtstralen worden deels door de cortex teruggekaatst, en dit nemen we als kleurloos waar. De overige lichtstralen dringen door de cortex en door de bewolkte zone, en worden zo door de gemelaniseerde kern geabsorbeerd. Een klein gedeelte van de blauwe lichtstralen wordt door de holtes gebroken en verstrooid, en via de cortex weer teruggekaatst. Dit nemen wij als liefhebbers, samen met de reeks teruggekaatste lichtstralen, waar als blauw. Dus hoe meer holtes om de gemelaniseerde kern, des te blauwer zal het effect worden.

Het geheel komt moeilijk over, maar door dit enkele malen over te lezen, zal het toch wel wat duidelijker worden hoe de opaalstructuur wordt veroorzaakt. Tengevolge van de structuurverandering van de bevedering wordt de kern zeer zwaar gemelaniseerd, de haakjes bevatten zeer weinig of geen melanine, en de kern omgeven met holtes, met een lichtbrekingsindex voor de blauwe lichtstralen, veroorzaakt dus de blauwe schijn in de bevedering van de vogel. Daardoor ontstaat bij een kanarievogel:

  • OPAALFACTOR MET GEEL: de groene tint.
  • OPAALFACTOR MET ROOD: de violette tint.
  • OPAALFACTOR MET WIT: de grijzblauwe tint.

VERERVING VAN DE OPAALFACTOR:

Deze is recessief en vererft onafhankelijk, net als de recessief wit factor en de phaeofactor. De opaalfactor moet dubbel aanwezig zijn om tot uiting te komen in zijn verschijningsvorm.

Voor de kweek onderscheiden we dus:

  • A) opaal
  • B) splitopaal (enkele opaalfactor)
  • C) niet-opaal (klassieke vogel)

Bij de onafhankelijke factor maakt het totaal niet uit welke ouder de factor draagt. Enkele voorbeelden zijn:

  • Vader Opaal x Moeder Opaal = gelijk aan ouders = Opaal
  • Vader Opaal x Moeder Niet Opaal = 100% split-opaal
  • Vader Split-opaal x Moeder Split-opaal = 50% split-opaal, 25% opaal, 25% niet opaal
  • Vader Split-opaal x Moeder Niet Opaal = 50% split-opaal, 50% niet opaal

DE KWEEK VAN DE OPALEN:

Zoals ik al eerder opmerkte, zijn de opalen in de zwart- en agaatreeks erg mooi. Ook de bruinopaal is in de afgelopen jaren in perfecte kleur gekweekt en te bewonderen op vele tentoonstellingen. Het is erg goed gegaan met de opalen, ook in combinatie met de mozaïekfactor zijn het prachtexemplaren en is ook zeker aan te bevelen om deze vogels te gaan kweken.

BIJ HET KWEKEN VAN OPALEN

Voor een succesvolle kweek van opalen is het van essentieel belang te beginnen met fokzuivere vogels uit de klassieke reeks, bijvoorbeeld uit de zwart- of agaatreeksen. Een stamkweek is hierbij een eerste vereiste. Vermijd vogels met losse bevedering, dit kan problemen in de hand werken. Bij het fokken met opalen is het raadzaam regelmatig terug te koppelen aan een klassieke vogel. Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar de agaat opaal wit, vooral wanneer deze gepaard gaat met de recessief wit factor. Gebruik vogels die zowel split-opaal als split voor wit zijn, en vergeet niet regelmatig vitamine A te verstrekken.

Indien men overgaat tot het kweken van de blauwopaal, is het belangrijk om opnieuw te letten op de bevedering. Indien de keuze er is, koppel dan vogels met blauwfactor bij zich. Dit zal de blauwopaal alleen nog maar mooier maken. Een apart stukje over de tekening van de vogel is hier niet nodig; deze kennis wordt verwacht van elke kweker die al opalen heeft gekweekt. In het gedeelte over de enkele standaardeisen zal ik hierop terugkomen. Bij het kweken van opalen, zoals bij alle andere soorten, geldt altijd: WAT DE EEN TE VEEL HEEFT, MOET DE ANDER TE WEINIG HEBBEN, met aandacht voor grootte, vorm en bevedering.

Kortom, let bij de kweek van opalen op de volgende punten:

  1. Kweek nooit te lang opaal x opaal om problemen met opbleekfactor en bevedering te vermijden.
  2. Gebruik zo veel mogelijk splitvogels.
  3. De opaalfactor is recessief en vererft onafhankelijk (zie punt 2).
  4. De opaalfactor heeft ook een bruin belettende werking.
  5. Bij het kweken van agaat opaal wit: gebruik vogels met blauwfactor.
  6. Schakel vogels met een lange bevedering uit in de opaalkweek.
  7. Opalen hebben een sterke invloed op het melanine bezit.
  8. Isabel opalen hebben weinig of geen nut voor T.T. en kweek.
  9. Bij het kweken van recessief opaal: geef regelmatig vitamine A.

ENKELE STANDAARDGEGEVENS:

Het is een uitdaging om van elke vogel in de opaalreeks een standaard te geven. Daarom beperk ik mij tot de meest voorkomende vogels.

OPALEN IN DE ZWARTREEKS:

Door de aanwezigheid van de opaal- en blauwfactor krijgt de melanine, vanaf de bovenzijde van de bevedering gezien, een sterk belemmerde kleuruiting. Het diepe zwart wordt als gevolg van de opaalfactor een blauwgrijze kleur, waarbij de bruine phaeomelanine bijna niet meer zichtbaar is (poppen vertonen altijd een lichte bruine waas).

1) DE ZWART OPAALWIT:

De vogel vertoont een blauwgrijze tint, vooral op het rugdek. De blauwgrijze kleur mag niet geelachtig doorschijnen. De bestreping op het rugdek mag niet overheersen maar ook geen vage indruk geven. Een maximaal pigment is vereist in de vleugel- en staartpennen. Borst-, onderlichaam- en flankkleur moeten gelijk zijn, met minimaal pigment in de vleugelpennen. Snavel, poten en nagels dienen donker van kleur te zijn, maar niet diep zwart.

VEEL VOORKOMENDE FOUTEN:

  • Tekening te fijn en/of te smal.
  • Tekening te sterk samengevloeid in de grondkleur.

Wout van Gils

Blauwe/zwarte stip: Oorzaak en Oplossing?

comed darmen

Blauwe/zwarte stip: Oorzaak en Oplossing?

Inleidinzwarte stip ag:

Nee, beste vogelliefhebbers, dit is niet een artikel over de oplossing van de zwarte stip (ook wel blauwe stip genoemd), maar toch een schrijven in artikelvorm over een mogelijke oplossing (vermindering) van de zwarte stip. De Internationale Studieclub van Mozaïeken heeft ruim een jaar geleden een enquête gehouden onder haar leden over dit verschijnsel. Een groot aantal vragen kon men invullen over bijvoorbeeld de voeding, de medicamenten, verzorging, welke voeding, hoeveel eivoer, enzovoort. Uiteraard heb ik ook aan dit onderzoek meegedaan, omdat ik de laatste jaren ook last had van deze zwarte stip en ik niet direct een oorzaak kon geven. Ik was erg benieuwd naar een mogelijk aanknopingspunt. Ook heb ik zelf een aantal gegevens verzameld van mijn collega-vogelvrienden, en ik heb die weer vergeleken met mijn voeding en manier van vogels verzorgen. Later bleek dat deze gegevens vrijwel overeenkwamen met de meest voorkomende manier van vogels verzorgen in de rustperiode. Maar ook deze hadden last van de zwarte stip, niet overdreven maar toch voorkomend.

Verzorging in de rustperiode:

De meeste vogelliefhebbers en/of kwekers van kanaries weten maar al te goed hoe hun vogels te verzorgen in de winter en rustperiode. Ze worden in goede vogelverblijven gehouden en voorzien van zeer goede voeding, eivoer, vitaminen, enzovoort. Kortom, de vogels komen weinig of niets tekort. Bij sommige liefhebbers (of toch bij de meeste) stel je zelfs een overdreven voeding vast. De vogels moeten en mogen in deze periode een mooi vetlaagje laten zien, maar moddervet is wat anders. Trouwens, waar worden ze vet van? Hier moet je ook een vraag bij stellen. Dit kan natuurlijk ook bij gebrek aan ruimte en een goede voeding, maar over het algemeen is de ruimte bij ervaren kwekers goed, en ligt het aan een bepaald soort voeding te veel te geven. Ook ik had mijn vogels altijd redelijk vet voor de kweek, zelfs zo dat ik ze tijdens die periode wat moest laten afvallen, omdat ik bang was voor onbevruchte eieren.

Uitslag enquête:

Ik was erg benieuwd naar de uitslag van de enquête. Deze kwam er ook, maar met de mededeling dat er niet direct een aanknopingspunt naar voren is gekomen. Kwam er toch een vaststelling naar voren. Dit was namelijk de voeding in de rustperiode. Bij veel liefhebbers die last hadden van de zwarte stip, bleek dat zij in de rustperiode een vrij straffe voeding gaven aan hun vogels. Met andere woorden, de vogels kwamen niets tekort van alles en nog wat, maar te veel! Het bleek dat veel kwekers 4 tot 5 keer per week eivoer gaven aan hun vogels, met daarbij hun normale zaadmengeling, met bijvoorbeeld toevoeging van gepelde haver, negerzaad, enzovoort. En daarbij de nodige (of te veel) aan vitaminen en mineralen. Het is nu niet direct een vaststelling, maar toch ben ik er even bij blijven stilstaan en heb er mijn conclusie uit getrokken.

Wat ben ik na deze enquête gaan doen:

Wat ik besloot te doen na deze enquête was de vogels in de winter minder straf te gaan voeren, wel voldoende zaad van goede kwaliteit, maar 4 à 5 keer per week eivoer. Extra gepelde haver en negerzaad ben ik flink gaan minderen, het eivoer ging van 2 keer per week naar 1 keer per week, en de gepelde haver van 3 keer per week naar 1 keer per week. De snede brood ging van 3 keer per week naar 1 keer per week. De toevoeging van vitaminen en mineralen hield ik op hetzelfde niveau. De vogels werden goed voorzien van hun zaadmengeling, maar ik hield rekening met ongeveer 5 à 6 gram per vogel. De natuurlijke vitaminen bleven ook regelmatig een stukje wortel, appel en/of sinaasappel. De vogels aten nu ook alles op en knoeiden veel minder, maar vooral het zaad werd bijna volledig opgegeten, wat andere jaren wel eens anders was. Wat me begin december ook al opviel was dat de vogels er goed uitzagen, niet overdreven vet waren maar zeker erg mooi en gezond met ook een kleine vetreserve. Zeker niet slechter dan andere jaren, dus de vermindering had geen nadelen.

Blauwe (Zwarte) stip verdwenen:

De kweek ben ik begonnen in begin maart met 50 koppels, Rec wit, Albino’s, Satinet wit rec, Opaal wit rec, en Geel mozaïek en Bruin/pastel. De eerste ronde viel het al op dat er voldoende eieren waren en ook goed bevrucht. Enkele nestjes waren onbevrucht, maar over het algemeen was alles goed te noemen. De eerste ronde had ik 1 nestje Bruin pastel waarvan van de 5 eieren er 2 uitkwamen, 2 dood in het ei, en een ei was onbevrucht. Ook bleek dat een van de 2 jongen de zwarte stip had, maar het jong is wel groot geworden. De tweede ronde had geen zwarte stip en met de helft van de popjes heb ik nog een derde ronde gedaan, ook weer zonder zwarte stip. Het eindresultaat was 287 jongen van 50 koppels over 2,5 ronde waarvan 1 met zwarte stip. Het koppel Bruin pastel heb ik de tweede ronde een ander man gegeven, maar telkens zaten er dode jongen in het ei. Van de tweede en derde ronde heb ik van deze pop elk maar 1 jong gekregen. Ik denk dat hier iets anders de oorzaak was, maar de zwarte stip zat ook ingeburgerd in deze pop, dat is in de eerste ronde vastgesteld. Maar de meest opvallende vaststelling was dat in tegenstelling tot andere jaren ik geen zwarte stip heb gehad, op dat ene koppel Bruin pastel na.

Mijn vaststelling:

Is dat ik na deze enquête heb besloten om in de winter en rustperiode minder straf te voeren. Dit was ook een van de meest voorkomende redenen bij kwekers die meldden last te hebben van de zwarte stip. Als dit nu de reden is van de stip, weet ik niet zeker, maar een ding weet ik nu wel: dat een te straffe voeding in de winter er zeker toe bijdraagt dat deze ziekte zich ontwikkelt. Hou voor ogen dat onze kanarievogels van nature zaadeters zijn en blijven, en dat zaad het hoofdvoedsel moet blijven. Eivoer moet ja zeker, maar dan in de kweekperiode. Dit is ook een andere situatie dan wanneer de vogels in de rustperiode zitten. Natuurlijk zullen ze dan het eivoer eten, ja, zelfs liever dan het zaad, maar is dit wel goed te noemen? Zorg dat in deze periode het hoofdvoedsel zaad blijft, en als je daardoor een vermindering of geen zwarte stip krijgt, wil ik nog steeds niet beweren dat dit de oplossing is, maar de eerste vaststelling heb ik gemaakt en ondervonden. Ik ben dan ook het bestuur van de Internationale Mozaïeken Club erg dankbaar dat zij deze enquête hebben gehouden. Ik heb er althans iets van geleerd, vandaar ook dit artikel, dat zeker geen oplossing geeft voor het totaal voorkomen van de zwarte stip. Maar het draagt er zeker aan bij dit te verminderen of zelfs te voorkomen. Zijn er nog andere vaststellingen en/of meningen door u, wil ik die graag van u horen. We varen er allen wel bij.

Wout van Gils

Ik mag graag surfen op het internet en bezoek dan diverse vogelsites, want hoe kan het ook anders, hier gaat duidelijk mijn interesse naar uit, teveel naar de zin van mijn vrouw, maar ja, bij wie komt dit verschijnsel niet voor. Zo kom ik geregeld op de homepage van Wout van Gils, Belgisch keurmeester en “iemand” die verstand van kanaries heeft. Nooit kon ik hem er echt op betrappen dat hij onzin schreef; bij alles wat deze man publiceerde, zat wel iets wat bruikbaar was. Tot de laatste bezoek van mij aan zijn site. Wout kondigde al op zijn eerste pagina aan dat er een nieuw artikel op zijn site stond, en wel “de blauwe stip”. Hee, dacht ik, iets nieuws, dat moet ik lezen. Terwijl ik zat te lezen, vloog mijn mond open van verbazing. Of Wout had een avondje heerlijk doorgezakt, of hij had een “burn-out” van het harde werken, maar dit artikel ging gewoon over de zwarte stip en droeg eigenlijk niets nieuws bij aan een oplossing voor het uitroeien van deze “klote” ziekte. Dus ik dacht, dit moet ik rechtzetten, in de pen geklommen en u heeft het vast al gelezen, een uur later stond bij ons op de site al een artikel met de titel Blauwe stip??? Wat is dat???

Reacties konden niet uitblijven,ik hoopte dat ik met het artikel Wout weer op het rechte pad kon krijgen. Maar klopte dat wel? Kon het niet zo zijn dat ikzelf gewoon de plank helemaal mis sloeg en dat Wout op zo’n artikel als reactie zat te wachten? Neee, ik was er heilig van overtuigd dat dat niet waar kon zijn. Wel, ik heb het geweten. Daarom wil ik onderstaand u de reactie laten lezen van Wout gericht aan mij.

 

Hoi Dick,

Ik heb opnieuw je site bezocht, prima gedaan! Ik denk ook dat je nieuwe opzet beter zal zijn. Nu moet men wel flink klikken om op de gewenste artikelen of zaak te komen, maar ondanks dat ziet het er goed uit. Ook zag ik een reactie op mijn artikel “BLAUWE STIP”. Uiteraard ben ik gaan lezen, en ja, Dick had het begrepen!!! Men moet ooit een goede kop aan een artikel geven om het te laten lezen, en dit was mijn bedoeling met de ziektenaam om te keren: zwarte stip in plaats van de uiteraard bekende blauwe stip.

Ik denk niet dat mijn aantekeningen in dit artikel iets nieuws brachten, maar wat wel is gelukt, en dat was ongeveer mijn bedoeling met het artikel, is de kwekers, ook de ervaren, weer eens wakker schudden. Met andere woorden, sta eens stil bij onze weelde van voeding, en veel problemen zullen verminderen, ook de blauwe stip? Dat dit de oplossing is voor deze ziekte staat niet expliciet vermeld in het artikel, maar het draagt wel bij aan een vermindering hiervan in combinatie met andere ziektekiemen, die hopelijk de komende jaren ook minder worden door diverse onderzoeken enzovoorts. Naast onze vriend Dick heb ik veel reacties gekregen op dit artikel, allemaal positief. Ook las ik tussen de regels door dat zij zeker begrepen hebben wat ik bedoelde met de naamgeving van het artikel. Gelukkig worden mijn artikels goed gelezen, en de boodschap is goed overgekomen bij zowel beginnende als ervaren kwekers, waaronder ikzelf. Ook mijn voeding was te straf, en ik dacht al dat ik het wist, maar toch! Dick, het gaat je goed. Aan allen een goede kweek.

Groeten en tot wederhoren, Wout van Gils.

Tot hier Wout’s reactie. Jazeker… De boodschap is goed overgekomen. Het enige wat bij mij niet doordrong, was dat niet iedereen zijn vogels op een “normale”, dus simpele en uitgebalanceerde voeding zette. Na enig onderzoek moet ik Wout volledig gelijk geven over het overvoederen van vogels door velen. Bijvoorbeeld, Piet gaf dat nieuwe middel extra. Vraag je hem waarom, krijg je als antwoord: “Ooo, maar op de vogelmarkt zei die meneer dat het hartstikke goed is voor je vogels. Gebruik het vanaf nu en je wordt kampioen op de TT.” Of Klaas heeft weer een ander middel. Dezelfde vraag en het antwoord is: “Heb ik bij die ene wereldkampioen ook zien doen, dus over een jaartje ben ik het ook, joh.”

En dat is dus wat Wout bedoelt, waar ik me volledig bij aansluit. Je kunt je vogels niet ongestraft volstoppen met alles wat je maar goed lijkt of ze bombarderen met de ene kuur na de andere. Dat gaat op termijn mis. Dus vrienden, lijkt mij een verstandig advies, en dat is met zijn allen weer “Back to Basic”. Hiermee wordt de zwarte stip misschien niet opgelost, maar ik weet 100% zeker dat een hoop andere ellende wordt weggenomen.

Dick.

Zweet ziekte bestaat niet

ziek kooiBruin rood intensief pop


De Zweetziekte

Nee, een kanarie kan niet zweten!

Het is een bekende kreet onder kanariekwekers, maar eigenlijk klopt het niet. Een kanarie kan niet zweten omdat ze geen zweetklieren hebben, in tegenstelling tot mensen. Ze zijn daardoor ook gevoelig voor een te warme omgevingstemperatuur.

De lichaamstemperatuur van een kanarie ligt tussen de 40 en 43 graden Celsius. Als de omgevingstemperatuur te hoog wordt, proberen ze een deel van de warmte van hun lichaam kwijt te spelen door vocht te laten verdampen via de slijmvliezen van de luchtpijp en de keel. Globaal zijn er maar twee mechanismen aanwezig die de kanarie daarbij helpen. De vogels gaan hun ademhaling versnellen en ze gaan met bepaalde goed doorbloede structuren in hun keel trillen. Een vogel die het warm heeft, zien we dan ook hijgen en in een aantal gevallen met de snavel open zitten. Wordt het erg warm, dan zal de kanarie ook nog zijn vleugels op tillen, en dan wordt een deel van de warmte afgegeven via de weinig bevederde onderkant van de vleugels. Wordt de lichaamstemperatuur van de kanarie hoger dan 47 graden Celsius, dan zal de vogel door oververhitting sterven.

Wat is de zweetziekte dan wel:

Waarom wordt deze kreet dan zo gebruikt bij onze kanariekwekers? Dit komt eigenlijk door het uiterlijk waarneembaar van de vogels en de jongen in het nest. Wat stellen ze vast? Een natte, plakkerige onderbuik van de pop, en in het nest hebben de jongen ook geen opstaande dons, maar ook een nat en plakkerig uitzicht. Ook het gele nest is een opvallend feit. Zoals hierboven reeds aangehaald, heeft een kanarie geen zweetklieren en kan dus niet zweten. Maar in feite is het een darmstoornis veroorzaakt door de Colibacterie. Normaal kan een volwassen vogel zich hier wel tegen wapenen, maar de jongen zijn er zeer gevoelig voor, met name door voedingsproblemen.

De Kenmerken:

De nesten zijn nat en smerig en erg geel van uitzicht. Dit komt doordat de pop de ontlasting met het vlies heen niet kan verwijderen, omdat deze ontlasting zeer dun is en eigenlijk niet meer in een vliesje zit. Als gevolg hiervan laat de pop een natte, smerige borst zien, en de jongen liggen ook erg nat in het nest. Men moet nu zeer snel ingrijpen, anders is het absoluut te laat.

Behandeling:

Deze is al meerdere malen aangehaald en iedereen kent de naam wel, maar men moet wel zorgen dat men deze in huis heeft. Onder andere Baycox of ESB 3 30% wordt gebruikt voor deze bestrijding. Wanneer het alleen de Colibacterie is, moet het met een van deze producten na ongeveer 3 dagen zo goed als weg zijn. Is dit niet het geval, dan kan er ook coccidiose of lankasterelle in het spel zitten. Dan moet men zeker zo snel mogelijk een mestonderzoek laten doen bij je dierenarts en volg dan ook zijn raad op. Trouwens, om deze problemen te voorkomen, is het zeker aan te bevelen als je met veel koppels kweekt van een aantal vogels voor aanvang van de kweek een mestonderzoek te laten uitvoeren en de vogels eens te kuren voor aanvang van de kweek. En zoals tegenwoordig ook overal te verkrijgen is, gebruik tijdens de kweek in je eivoer een darmconditioneringsproduct. Het is ervoor en het helpt tegen de Zweetziekte.

Och ja, een vogel kan toch niet zweten, dus als je dit ziet, dan is het dringend noodzakelijk in te grijpen, want anders kan het te laat zijn voor je nest jonge vogels. Zoals gezegd, de ouder vogels overleven dit wel. Wees dus alert, ik hoop met dit artikel dat je aandacht hierop niet verslapt. Een goede kweek.

Cursus deel 29 – Kanaries Houden

eitjes schouwen

KANARIES HOUDEN (Verkorte richtlijnen) – Deel 29

Als je vogels wilt houden, zijn er verschillende manieren om dat te doen: in een gezelschapsvolière, in een binnenverblijf met een kleine kamervolière, in kweekkooien op diverse plaatsen. Ook de doelen verschillen per behuizing. Dit geldt in mindere mate voor de verzorging van voer, bodembedekking, vitamines en/of medicijnen, maar er zijn altijd verschillen. In dit artikel wil ik een aantal systemen kort onder de aandacht brengen om het verschil aan te geven. Zo zul je zelf ontdekken waar de verschillen groot of klein zijn, zo niet gelijk.

1 – GEZELSCHAPS VOLIÈRE
Hierbij worden meestal een aantal koppels van verschillende soorten vogels in een volière (vlucht) gehouden. Dit kan zowel met een binnenhok wel of niet verwarmd, of voorzien van een buitenhok. Vele vogelsoorten zullen hier nooit of zelden tot broeden overgaan, om de eenvoudige reden dat als men meerdere koppels in een ruimte samenbrengt, er een gevecht ontstaat om het territorium. Weer andere soorten moeten met grote aantallen samen worden gebracht voordat ze aan voortplanting gaan denken. Deze vogelsoorten gedragen zich in groep altijd monogaam. Maar meestal treft men in zo’n volière van allerlei soorten vogels aan. Meestal is dit een liefhebber die niet aan tentoonstellingen meedoet maar alles meer ziet als gezelschapsvolière. In de meeste gevallen is zo’n volière voor de kweek nooit goed, want er zal wel gepaard, genesteld en gelegd worden. Maar door de grote variëteit onder de diverse soorten wordt er onderling gevochten, nesten afgebroken, eieren stuk gepikt, kortom er heerst in deze periode grote onrust in de volières. Ook komen er in dit soort volières erg veel ziekten voor. Dit komt door het grote verschil in voeders, soorten bodembedekking en ontlasting van eigen vogels en/of vogels uit de natuur. Verder zijn muggenbeten ook schering en inslag. Door de grote ruimte worden de vogels minder individueel gecontroleerd en het valt pas op als de vogel ergens verscholen in een hoekje zit. En meestal is het te laat, de vogel is al ernstig ziek en zo goed als verloren. Maar indien u in dit soort volières toch nog goed in overleg te werk gaat en de soorten redelijk goed op elkaar afstemt, is een gezelschapsvolière mooi.

2 – KLEINE VLUCHTEN (1 meter x 1 meter)
Dit systeem wordt ook regelmatig toegepast, zeker in de kanariekweek. Veel vogelsoorten zijn voor zo’n ruimte niet geschikt, om de eenvoudige reden dat de meeste vogels erg sterk monogaam zijn. Tropische vogels die worden geïmporteerd, worden vaak met meerdere in kleinere ruimtes geplaatst, vooral als men het verschil tussen mannen en popjes wil vaststellen. Vooral de mannen zullen zich op een bepaald moment veel agressiever gaan gedragen dan normaal. En zo komt men dikwijls eerder achter hun geslacht. De kleine vluchten worden meestal gebruikt voor het tijdelijk loslaten van TT-vogels in het TT-seizoen. Het meest worden deze vluchten gebruikt bij vogels die polygaam zijn. In zo’n geval plaatst men een man met drie poppen in deze ruimte (vlucht). Men zorgt verder voor goede bodembedekking en alles wat de vogels nodig hebben. Het enige wat je hier niet moet vergeten is dat men altijd het dubbele van de nestbakken erin hangt, anders komen er zeker problemen van. Meestal zal de man toch een popje kiezen waarmee hij samen het nest bouwt, broedt en de jongen verzorgt. Met de andere poppen zal hij na de paring een vluchtig contact hebben. Deze poppen moeten meestal zelf voor hun jongen zorgen, soms zal de man nog wat meebrengen bij de jongen, maar reken er niet te veel op. Bij dit soort kweeksystemen komen regelmatig gevechten en onregelmatigheden voor, bijvoorbeeld als twee poppen hetzelfde nest willen gebruiken en elkaars nest afbreken. Doordat ook niet altijd de poppen gelijktijdig hun eieren leggen, kunnen er in zo’n vlucht oudere jongen aanwezig zijn. Die op hun oorspronkelijke nest gaan slapen, dat met hun ontlasting vervuilen en/of andere eieren beschadigen, enz. Maar de kweek op deze manier is met wat aandacht goed uit te voeren.

3 – WISSELBROED
Dit systeem wordt erg veel toegepast bij kwekers die zich richten op maar enkele soorten vogels, meestal zijn dat gedomesticeerde vogelsoorten. Bij de kanariekweek wordt een man gekoppeld aan een 3-tal poppen die elk een aparte kweekkooi hebben. De man verhuist regelmatig van de ene pop naar de andere en wordt als de pop het tweede eitje heeft gelegd bij de pop weggehaald. Dit heeft het voordeel dat men minder vogels (mannen) nodig heeft en men eenvoudiger een stam kan opbouwen en registreren. Het nadeel is dat als je moet gaan werken, zoals de meeste mensen, het moeilijk wordt om op de gepaste tijden de mannen over te zetten, je moet blijven opletten. Maar het kweeksysteem kan perfect werken met minder vogels veel vogels kweken zeker ook als men aan specialisatie wil doen.

4 – PAARSGEWIJS BROEDEN
Dit is wel de meest voorkomende en hygiënische methode bij onze kanariekwekers en ook bij vele andere soorten. De broedkooien zijn uitgevoerd in hokjes van 454545 cm, of naar gelang de vogelsoort, dit voorzien voor een voorfront met een uitneembare zandlade en zitstokjes. Men kan deze hokjes goed afsluiten en opstellen, goed ontsmetten en bestrijden tegen ongedierte, kortom alles is in zo’n kweekhok goed mogelijk. Deze kweek is, zoals ik al eerder schreef, het meest voorkomende systeem. Vooral voor vogels waarvan men een bewuste keuze heeft gemaakt van de ouders, dit met name op de gewenste erfelijke factoren in het nageslacht, zeer goed kent en wil vastleggen en gaan gebruiken in zijn gehele stamkweek. Het enige kleine nadeel is dat men over meer vogels moet beschikken, maar dat men minder tijd heeft, is dit een goede en prachtige, mooie overzichtelijke methode. Men ziet ze overal bij de parkietenkwekers, Europese vogels, enzovoort. Alleen worden de kweekhokjes vervangen door grotere ruimten aangepast aan de vogelsoorten.

5 – DE HYGIËNE BIJ ONZE VOGELS
Hierover is heel veel te schrijven, maar dat was ik in dit artikel niet van plan. Wel wil ik benadrukken dat dit een groot onderdeel is van het vogelverblijf en van de vogels dat nooit of te nimmer over het hoofd mag worden gezien.

Tot de hygiëne dragen alle onderdelen bij waarvan een vogelverblijf in welke vorm en materialen ook is gemaakt. Zeker de manier hoe het vogelverblijf kan worden schoongemaakt en onderhouden. Ook hoe een vogelverblijf verontreinigd kan worden van buitenaf is erg belangrijk en er zal bij de bouw ook altijd rekening mee gehouden moeten worden.

6 – WANDEN EN ONDERKOMEN VAN EEN VOGELVERBLIJF

Houten wanden, schotjes, slaaphokjes en kweekbakken die gemaakt zijn van minder duurzame houtsoorten zijn over het algemeen moeilijk schoon te houden. Deze zitten dikwijls vol scheurtjes en barsten, zeker als ze meerdere keren nat en droog zijn geweest. Vooral hardboard en spaanplaat zijn uit den boze. Gebruik als je budget het toelaat altijd duurzame materialen om je vogelverblijf en kweekhokken te maken. Hoe minder kieren en barsten en hoe harder het materiaal, des te kleiner de kans dat er luizen of ander ongedierte zich hier gaat vestigen. Ook moet het materiaal goed afwasbaar zijn en/of goed te verven met bijvoorbeeld latexverf. Zorg ook voor voldoende ventilatie in de kweekruimte en houd rekening met de lichtinval en zon. Geplastificeerde kooien en bouwpakketten zijn niet per se hygiënischer dan een goede houtsoort, maar ze zijn over het algemeen iets makkelijker te onderhouden. Ook hier is de hygiëne van de liefhebber belangrijk. Bestaande volières en kweekbakken die gemaakt zijn van een goede houtsoort zou ik aanraden te behandelen met een twee componenten verf die tegenwoordig in de handel is. Deze is bijzonder resistent tegen lichtinval, chemicaliën, ontlasting en invloeden van buitenaf. Het is een iets duurdere verf, maar op termijn is dit even duur. Voordat je gaat verven, dien je de naden eerst nog eens goed af te kitten. Daardoor verminder je nogmaals de kans dat ongedierte zich daar zal gaan ophouden.

7 – DE ZITSTOKKEN IN HET VOGELVERBLIJF

Ook deze kunnen, mits niet goed gemaakt of gemonteerd, een bron van vervuilingen en besmettingen zijn en zodoende aanleiding geven tot vele problemen. Het zijn meestal de zitstokken die de overdrager zijn van ziektes in het vogelverblijf. De vogels wrijven immers erg veel met hun snavel langs deze stokjes, waardoor het overdragen van ziekten groter is, zeker als men de stokjes moeilijk of niet schoon kan houden. Zitstokken dienen van een hardhoutsoort gemaakt te zijn en de vogel moet de stok net niet kunnen omklemmen. Dit heeft ook het voordeel dat de vogels hun teennagels redelijk op een normale manier kunnen afslijten. Zijn de zitstokken te dik of te dun, dan geeft dit de vogel aanleiding een slechte houding aan te leren en ook de kans op onbevruchte eieren is erg groot. Over de zitstokken in het algemeen heb ik al eens een artikel geschreven. Ik denk dat het raadzaam is bij het maken en/of veranderen van je vogelverblijf of kweekhok dit nog eens door te lezen.

8 – DRINKWATER BIJ ONS VOGELVERBLIJF

Drinkwater dient te allen tijde beschikbaar te zijn. Het moet bovendien altijd schoon en fris zijn. Vooral bij onze kanaries, en zeker ook bij de tropen, is het fataal als deze langer dan 12 tot 16 uur zonder drinkwater komen te zitten. Kanaries drinken erg veel en regelmatig, ongeveer 5 ml per vogel van 20 gram. Drinkwater geven in een open bak is echter nooit aan te raden, dit water is meestal door het baden, ontlastingen en andere factoren binnen enkele uren bedorven en wordt een voedingsbodem voor allerlei soorten bacteriën. Zeker als men de bak ook nog eens plaatst onder een zitstok. De meest gebruikte drinkfonteintjes zijn het meest hygiënisch, maar je hebt vogels die toch nog van alles in het tuitje dragen, wat kan leiden tot verontreinigd drinkwater. De laatste jaren wordt er steeds meer overgegaan op de drinkflesjes die men al reeds bij de kleinveedieren gebruikte, namelijk het flesje met het kogeltje. Dit is wel de zuiverste manier van water geven. Maar voor iedereen moet duidelijk zijn dat hier grote aandacht aan besteed moet worden.

9 – BADWATER

Evenals drinkwater is badwater erg belangrijk voor onze vogels, zowel voor de hygiëne als voor de vochtregeling bij bijvoorbeeld het broeden. Het is belangrijk dat als men badwater geeft, zeker 2 tot 3 keer per week (met vorst niet natuurlijk), dit na 1 tot 2 uur weer wordt weggehaald. Geef geen badwater laat in de avond of in de winter. Geef de vogels ruim de tijd om op te drogen na het baden. Als men medicatie geeft in het drinkwater, dient men nog meer aandacht te besteden aan het schoonmaken van de flesjes, maar ik denk dat jullie dit wel weten, zoals al het andere in dit artikel, of niet soms?

10 – DE VOEDERBAKJES (ZAADBAKJES)

De grootte, plaats en de vorm van de voerbakjes zal uiteraard afhangen van het soort vogelverblijf of kweekhokmethode. Grote bakken en schalen staan meestal in grote volières. Deze bakken zullen meestal erg vervuild raken door de omgeving. Het zal ernstige vormen aannemen als de liefhebber de bakken niet regelmatig schoonmaakt, maar nog erger als hij, en je ziet het regelmatig, de rest van het zaad verzamelt, de lege schilletjes wegblaast en de rest van het oude voer teruggeeft. Hier kun je problemen verwachten, niet alleen als je dit doet in een buitenvolière, maar ook als je dit doet in je kweekhokjes of andere hokken. Het beste is de vogels voer te geven zoveel dat ze in een dag opnemen. Zo krijgen ze alle voedingsstoffen die ze nodig hebben, en voorkom je dat de vogels er alleen het lekkerste uit halen en de voeding voor de vogel te eenzijdig wordt, wat kan leiden tot zwakte en ziekte. Maak de bakjes regelmatig leeg en schoon en voorkom schimmelvorming die eerder ontstaat dan je zou verwachten. De beste plaats voor onze voederbak is nog aan de buitenzijde van de volières of kweekhokjes. Worden de voerbakjes toch in de ruimte gezet, zorg dan voor een afdak erboven zodat er zeker geen ontlasting of regen het voer kan vervuilen.

11 – KIEMZAADBAKJES

Dit komt nu bij me op, en daarom schrijf ik hier ook maar een stukje over. Hiervoor geldt in nog sterkere mate dat een goede hygiëne in acht genomen moet worden. Goede gezonde kiemzaden zijn eiwitrijk (18-21%). Ze worden meestal met vocht (water) gemengd, wat optimale mogelijkheden biedt voor bacteriën en schimmels om zich te ontwikkelen. Het dagelijks goed uitwassen en spoelen van deze bakjes is zeer aan te bevelen, en dit met kokend water goed naspoelen en laten drogen alvorens opnieuw kiemzaad aan te maken.

12 – DE BODEMBEDDEKKING

Dit is ook een niet te onderschatten belangrijk aspect in de vogelkweek, hier zal zich alles gaan verzamelen en een begin ontstaan van allerlei ziekten en symptomen in onze vogelsport. Kwekers die hier zeer streng op zijn, zullen gespaard blijven van ziekten en andere problemen. Helaas beseft niet iedereen dit. Maar uit onderzoeken is gebleken dat in kweekhokjes waar dagelijks de bodembedekking werd gezuiverd en vernieuwd, het aantal bacteriën in de vers geproduceerde ontlasting heel sterk afneemt. Totdat er een toestand is bereikt waarbij de aerobe kiemen vrijwel uit de ontlasting zijn verdwenen. Bij gezonde passeriformen en psittaciformen zullen bij een goede bodemhygiëne, schoon drinkwater en voer geen aerobe kiemen uit de faeces geïsoleerd kunnen worden. De aanwezigheid van Enterobacteriaceae (coccidiose) duidt altijd op een zeer slechte hygiëne in ons vogelverblijf. Misschien klinkt het moeilijk, maar een gewaarschuwd kweker telt voor twee. Indien er sprake is van een bacteriële infectie zoals coccidiose, is het raadzaam eerst je aandacht te vestigen op de bodembedekking voordat je de vogel of het voer de schuld geeft. Dit kan door dagelijks de bodembedekking te vervangen, en/of de vogels op kranten of een draadbodem te zetten. Fijn zilverzand of rivierzand is niet slecht, maar dit kan relatief weinig vocht opnemen wat het kiemen van bacteriën kan bevorderen. Je kunt dit oplossen door hier 50% kattenbakvulling tussen te mengen. Ofwel ga volledig over op deze vulling, maar zorg er dan wel voor dat je altijd een bakje met schelpengrit en maagkiezel ter beschikking hebt staan. Als je een goed droog hok hebt, is het vervangen na ongeveer 14 dagen voldoende. Je zult dit zelf het beste kunnen waarnemen. Ook houtkrullen zijn een goed product, maar let wel op regelmatig verversen en niet bijvullen. Buitenvolieres zijn veel moeilijker te onderhouden, en hier is grote aandacht vereist, zeker als men een zandbodem heeft. Hier moet men zorgen dat het oude zaad regelmatig wordt opgeruimd, vers drinkwater houden en als het kan voer alleen in je binnenhok. Of maak een betonnen bodem die iets schuin afloopt zodat je het goed kunt schoonmaken (spuiten). Houdt men in de volière de zwarte aarde aan, doe dan nooit de mest steeds maar inspitten met al het zaad en nog wat, maar haal dit weg en spit jaarlijks de bodem om tot op een diepte van ongeveer 45 cm. Haal voor het omspitten de bodemverontreiniging altijd weg, dit zal in een buitenvolière ook de problemen van coccidiose wegnemen. En als het kan, overdek ook de buitenruimte met bijvoorbeeld lichtdoorlatende golfplaten.

13 – DE VOEDING:

Voor de meeste zaadeters bestaat het voer uit een zaadmengsel, eivoer en eventuele versnaperingen. Kanaries nemen met hun zaadmengsel ook ongeveer 18% eiwit op. Het zo genaamde eivoer is bij iedereen bekend. Dit voeren we extra tijdens de kweek en in iets mindere mate in de rustperiode, maar we moeten het blijven geven voor een gezond vogelbestand. Het mag echter nooit gezien worden als vervanging van de eiwitten uit de zaden. Veel kwekers maken ook zelf hun eivoer, bijvoorbeeld met drie beschuiten met een hardgekookt ei ertussen. Dit mengsel bevat ongeveer 21% eiwitten, waarvan het grootste deel uit dierlijke eiwitten bestaat. Voeg hier de nodige mineralen en vitaminen aan toe en je hebt een perfect eivoer. Vaak geven wij vogelkwekers te veel voer, waardoor de vogels kieskeurig worden en alleen het lekkerste eruit halen. Dit leidt tot een te eenzijdige voeding met minder goede kweekresultaten.

Tegenwoordig geven de meeste kwekers een gerantsoeneerde voeding, die bestaat uit:

Vier gram zaad (goede kwaliteit)
Een gram eivoer (+/- 21% eiwitten)
Een bakje met vogelgrit en mineralen altijd stand-by
Let op, dit is voldoende voor EEN volwassen vogel.

Het toevoegen van eiwithoudende producten kan, maar is altijd gevaarlijk bij een te hoge dosis. Diarree is het resultaat van een teveel aan eiwitten. Over het geven van gekiemde zaden lopen de meningen nog sterk uiteen. Slecht is het niet, maar geef dan altijd met mate en zorg ervoor dat dit niet het hoofdvoedsel van de vogels wordt, zeker niet tijdens de kweek, omdat het hoge vochtgehalte tot allerlei nare gevolgen kan leiden. Let ook op dat je kiemzaad niet verzuurt of dat er schimmel optreedt. Het is het beste om het wat te mengen onder je eivoer als je dit geeft, maar weer met mate. Bij het zelfstandig worden van jonge vogels, als deze van de ouders worden gescheiden, worden soms fouten gemaakt met de zaadmengeling. De bek van de jonge vogel is nog te zacht om de zaden te pellen en als je ze dan onvoldoende eivoer geeft, kunnen de jongen het loodje leggen door een gebrek aan voer.

Breek dus in de eerste weken de zaadmengeling wat voor deze jonge vogels en geef eivoer met wat gekiemde zaden er tussendoor gemengd. De verhouding per jonge vogel is 3 gram zaad en 2 gram eivoer. En let erop dat de jonge vogels ook de eerste dagen het drinkwater kunnen vinden.

14 – HET BROEDEN en zijn problemen

Een te lage of te hoge relatieve luchtvochtigheid (normaal 60 tot 70%) in onze broedruimten resulteert in een slecht uitkomstpercentage, bacteriële verontreiniging van de eieren, sterfte in het ei en/of zieke ouder vogels, enzovoort. Bij kanaries en veel andere soorten worden de eieren geraapt om ze pas terug te leggen als het legsel volledig is. Het voordeel hiervan is dat alle eieren tegelijk uitkomen en er minder zwakke jongen zijn. Er kan echter ook een nadeel zijn als men de eieren niet goed weglegt en regelmatig keert, namelijk uitzakkingen van de hagelsnoeren en/of bacteriën die door de eischaal dringen (bijvoorbeeld bij een vochtige ondergrond). Tijdens het broeden geven we de vogels alleen zaadmengsel; op de dag van het uitkomen geven we eivoer ter beschikking. Ook hier zijn de meningen over verdeeld. Sommige kwekers geven al daags voor het uitkomen eivoer, maar anderen spreken dit tegen en zeggen dat de jonge vogel de eerste 24 uur moet teren op de resten van de dooierzak. Als je eerder eivoer geeft, kan dit leiden tot sterfte op de 6e dag, maar iedere kweker zal zijn eigen mening hierover hebben. Ikzelf geef daags voor het uitkomen eivoer ter beschikking en dat gaat goed. Ik heb wel eens jongen dood rond de 6 dagen, maar of dat daaraan ligt, weet ik nog zo zeker niet. De temperatuur in de kweekruimte mag nooit te hoog liggen; 18 tot 19 graden is voldoende en zal de bacteriën minder kans geven om zich te ontwikkelen. Let er ook op dat de pop niet alleen zaad geeft aan de jongen, want dit kan sterfte veroorzaken onder de jongen. Als dit zo is, controleer dan je eivoer. Is dit goed, verwijder dan het zaad en geef de eerste dagen heel kleine beetjes zaad. Als de pop veel drinkt, kan dit wijzen op een tekort aan kropsappen. Geef wat extra groenvoer of nog beter, wat kiemzaad of vogelmuur, maar met mate.

15 – NESTMATERIAAL:

Er is veel en weinig over te vertellen. Er zijn voldoende goede materialen te koop, gebruik deze dan ook. Zorg wel voor een niet te fijn materiaal, zodat de pootjes er niet in verstrikt kunnen raken. Een waarschuwing voor misschien jonge liefhebbers: gebruik nooit touw dat gebruikt wordt voor het binden van strobalen. Dit touw is namelijk behandeld met een soort gif om knagen door muizen tegen te gaan, namelijk pentachloorfenol. Als je dit gebruikt, komt dit tijdens het broeden van de pop vrij en dringt het door de poriën van het ei heen, met als resultaat directe sterfte van het embryo. Het zal zeker niet de eerste en de laatste keer zijn dat dit gebeurt. Koop dus je nestmateriaal en zorg ervoor dat het nest aan de binnenzijde altijd glad is afgewerkt. Controleer na enkele dagen broeden of de nestbodem voldoende glad blijft en hou ook de man in de gaten dat deze door vervelling of drift niet aan het nest gaat plukken. Gebeurt dit, dan is het het beste om de man tijdelijk te verwijderen en de pop alleen verder te laten broeden.

Wout van Gils

Cursus Deel 30 : Ontsmetten en Bestrijden

Ontsmetten en bestrijden – Deel 30

Vaak wordt gezegd, en terecht: “Voorkomen is beter dan genezen.” Dit geldt zeker ook voor dit onderwerp. Het valt me op dat anno 1999 niemand meer last zou moeten hebben van luizen in zijn kweekruimte en kweekhokken (in buitenvolières is dit een ander verhaal). Toch hoor je nog regelmatig dat veel liefhebbers last hebben van dit ongedierte, en dan wordt gezegd: “Dit is je eigen schuld,” maar dat hoeft helemaal niet te gebeuren. Daarom nogmaals een artikel over een methode om je hokken vrij te houden van luizen en ander ongedierte. Eerst in het kort iets over luizen in het algemeen.

De Bloedluis

bloedmijtDe naam is welbekend in onze vogelliefhebberij, maar eigenlijk behoort deze tot de “Mijten” en zou een wetenschappelijke naam dragen, namelijk “Dermanyssus gallinae”, behorende tot de spinachtigen. Maar laten we het gewoon houden bij de bloedluis, zoals we hem allemaal kennen. Deze luis heeft 4 paar pootjes en een mond met zuignapjes om bloed op te zuigen. Ze zijn over het algemeen ongeveer 1 mm groot. Deze mijt heeft normaal gesproken een grijsachtige kleur, maar nadat hij onze vogels heeft bezocht, krijgt hij een rode kleur van het bloed dat hij heeft opgezogen. De volwassen vrouwtjes leggen hun eieren in nesten, kieren, scheuren, achter nestbakjes, tussen tralies, kortom overal waar ze maar kunnen kruipen. Afhankelijk van de temperatuur komen ze na 2-9 dagen uit! Zo kan er bij een plotselinge temperatuurstijging een ware explosie van luizen ontstaan. De larven metamorfoseren zonder zich te voeden. Voor de stap naar een volwassen luis is slechts één bloedmaaltijd noodzakelijk. ALS JE BEDENKT DAT EEN VROUWTJE IN HAAR 2 MAANDEN DURENDE LEVEN ONGEVEER 2500 EITJES OF MEER KAN LEGGEN!! Je kunt je voorstellen wat voor een explosie er kan ontstaan in een kweekruimte. Luizen kunnen zelfs WEL 3 MAANDEN ZONDER ETEN! Om dan bijvoorbeeld bij een temperatuurstijging plotseling tevoorschijn te komen. Overdag zitten ze tussen de kieren, ‘s nachts zijn ze actief. Vooral onze jonge nestvogels hebben het dan zeer zwaar. Ze kunnen de mijten onmogelijk van hun lijf houden, en na enkele dagen zal de naakte huid verbleken en zullen ze de kracht niet meer hebben om bij het voeren de kop op te steken. De dood zal snel volgen en zich verspreiden in je kweekruimte.

De Vedermijt

Dit is, net als de bloedluis, een parasiet. In tegenstelling tot de bloedluis heeft deze het niet gemunt op bloed, maar op de vederschacht van onze vogels. De vedermijt verschuilt zich in de wortel ontstaan bloedluisvan de veer en vreet deze wortel zo ver weg dat de veer geen enkele kans krijgt om aan te groeien. Ook zal de luis constant aanwezig zijn op onze vogels. Dit heeft voor de luis op zich zijn voordelen en nadelen. Er is continu een aanbod van voedsel, maar het nadeel is dat de vogel zelf wel wat kan bestrijden door zelf te vangen, te baden, te graven in de zandbak, enzovoort. Maar de snelle uitbreiding van de luizen zal de vogel wederom het onderspit moeten delven, en een ramp veroorzaken aan de bevedering van onze vogels.

Hoe te ontsmetten en te bestrijden?

Ik kan er niet genoeg op terugkomen, liefhebbers, maar voor de kweek moeten we beiden doen. Menig liefhebber zegt het: “Ik heb mijn hokken ontsmet, zelfs direct na de kweek nogmaals en nogmaals voor de kweek. En toch heb ik luizen!” JA NATUURLIJK, want deze liefhebber is iets vergeten, namelijk het bestrijden op lange termijn van dit ongedierte. Ik weet dat als je je kweekhokken goed wilt ontsmetten en bestrijden, dit toch wel wat kosten met zich meebrengt. Maar vergelijk dit eens met het verlies van diverse nesten dode jongen in de kweek, en het zal daar zeker niet bij blijven. Ook het ziektepatroon zal toenemen, inclusief alle narigheden die erbij horen, poppen die het nest verlaten, bloedarmoede, dode jongen, enzovoort. Dit weegt bij lange na niet op tegen de kosten die je moet maken om je hokken en de kweekruimte te ontsmetten en te bestrijden.

  1. HET ONTSMETTEN

Uiteraard zullen alle kweekhokjes en ruimten goed worden gereinigd na het kweekjaar. We gaan nu, 3 á 4 weken voor de kweek, de kweekhokjes nogmaals goed nawassen met warm water. Als het water is afgekoeld, nemen we nieuw water en voegen we een ontsmettingsmiddel toe, zoals Javel of een ander bekend middel zoals Jodium. Een voorbeeld van een natuurlijk product is Home Shield. Er zijn zeker nog meer producten, elk is goed als je het maar doet en ook zo heet mogelijk gebruikt. Zorg er ook voor dat alle naden, kieren, spleten, voorfronten, eet- en drinkbakjes goed worden gereinigd. Na deze wasbeurt, als alles goed is opgedroogd, alle naden en kieren afdichten met bijvoorbeeld siliconenkit.

  1. HET BESTRIJDEN

Nadat we het bovenstaande goed hebben uitgevoerd, gaan we onze kweekhokjes en kooien bestrijden voor een langere periode (de kweekperiode) tegen het ongedierte.

Tijdens het ontsmetten zijn alle microben, eitjes, luizen, enzovoort vernietigd. Maar ze komen terug als we geen voorzorgsmaatregelen nemen. En dat doen we nu door het bestrijden. Een aantal dagen nadat we onze kooien hebben gereinigd (ontsmet), gaan we, nadat we alle eet- en drinkbakken hebben verwijderd, ten aanval. Met andere woorden, we gaan bestrijden.

Lees, voordat je begint, eerst goed de bijsluiter en bescherm jezelf ook tegen het product.

Wanneer kunnen de vogels terug in het verblijf? Of mogen de vogels erin blijven? Hoe lang moeten ze uit het hok blijven? Hoe moet ik het product gebruiken? Hoe moet ik mijzelf beschermen? Hoe lang werkt het product?

Nadat we dit allemaal hebben gecontroleerd en de keuze voor het bestrijdingsproduct is gemaakt, gaan we over tot het bestrijden van het ongedierte voor een langere periode. Spuit alles goed in, naden, kieren, bodems, laden, voorfronten, kortom de gehele kweekkooi. Vergeet zeker niet de zitstokjes en de broedbakjes. Wees niet te zuinig en zorg dat je alles hebt behandeld.

Enkele bestrijdingsmiddelen:

  • Birdspray
  • Alugan
  • Ardap
  • Ecto Parasieten spray
  • Edialux
  • Dutchy’s (Roofmijten)
  • Birdy – Finect
  • Yvermectine

Met deze en andere heb ik al vele jaren zeer goede resultaten geboekt. Het resultaat: GEEN LUIZEN. Na de eerste ronde hang ik ‘s nachts enkele malen per week een vapona strip op. Dit om mogelijke insecten die binnenkomen geen kans te geven om zich voort te planten. En nogmaals: als je de zaken, genoemd in dit artikel, goed uitvoert, staat één ding vast: je zult dit jaar geen enkele last hebben van luizen of welk ongedierte dan ook. Vogelkwekers, ik hoop met dit artikel nogmaals aan iedereen duidelijk te hebben gemaakt dat ONTSMETTEN EN BESTRIJDEN twee afzonderlijke zaken zijn en dus ook onafhankelijk van elkaar moeten worden uitgevoerd. Het verzorgen van kanarievogels is ook een specialiteit. In de natuur gebeurt dit automatisch door diverse natuurelementen. In onze kweekruimte zullen we dit zelf moeten doen. Bij elke vogelliefhebber, met een schoon en verzorgd kweekhok/volière met daarin gezonde, levendige vogels, zullen veel problemen wegblijven, want GEZONDE VOGELS DOEN HET ALTIJD. Het is aan ons vogelliefhebbers om dit te creëren. Een goede kweek zonder bloedluis.

Wout van Gils

De verervings tabel

De Verervings Tabel.

 

VERERVINGS TABEL – KLEURKANARIES .
factor. symbool geslachts gebonden geslachts onafhank. dominant recessief kenmerk
Enzymefactor E+ ja zie: A
Enzymefactor E ja ja zie: B
Inofactor ino ja ja zie: C
Zwartfactor z+ ja zie: D
Bruinfactor eumelanine Z ja ja zie: E
Opbleekfactor 1e reductiefactor rb ja ja zie: F
Pastelfactor 2e reductiefactor rz ja ja zie: G
Satinetfactor 3e reductiefactor rm ja ja zie: H
Mozaïek factor m ja ja zie: I
Ivoorfactor sc ja ja ja zie: J
Roodfactor r+ ja zie: K
Geelfactor G ja ja zie: L
Bruinfactor Pheaomelanine B+ ja zie: M
Blauwfactor B ja ja zie: N
Intensief factor i ja ja zie: O
Dominant-wit factor CB ja ja zie: P
Recessief-wit factor cb ja ja zie: Q
Opaalfactor so ja ja zie: R
Topaas sm ja ja zie: S
Eumo EU ja ja zie: T

Cursus Deel 31: Ziekten bij kanarievogels

Ziekten bij kanarievogels: Deel 31.

Het grootste probleem waarmee vogelhouders te maken krijgen.

Eigenlijk zou deze rubriek aan een deskundige dierenarts moeten worden overgelaten. Helaas zijn de dierenartsen die zich interesseren voor kooi- en volièrevogels nog dun gezaaid en ontbreekt het hen vaak aan praktijkervaring op dit gebied. Bovendien is het vaak zo dat de kosten van een onderzoek de waarde van de vogel overstijgen. Toch raad ik zowel de onervaren liefhebber als de meer ervaren kweker aan om, zeker bij meerdere sterfgevallen binnen korte tijd, een dierenarts te raadplegen of de vogel op te sturen voor autopsie.

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen beide partijen leren, vooral als de ziekteverschijnselen van de vogel vooraf goed zijn bestudeerd. Het is niet mijn bedoeling hier uitgebreid in te gaan op alle ziekten. Het gaat erom wat vogelhouders kunnen doen om de meest voorkomende ziekten te voorkomen of te bestrijden. De nadruk moet liggen op preventie. Dat betekent niet dat we volledig gespaard zullen blijven van ziekten, maar de kans op epidemische uitbraken is wel aanzienlijk kleiner geworden.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met de woonplaats. Mensen die in vochtige omgevingen wonen, zoals bij moerassen, kanalen of rivieren, lopen een groter risico dan mensen die op droge zandgrond wonen. Dit geldt zowel voor mensen als voor vogels. Natuurlijke selectie is in een volière onmogelijk; dit kan alleen in de natuur plaatsvinden. In kooien en volières, waar veel vogels op een beperkte oppervlakte verblijven, is dit een utopie. Deze selectie moet de liefhebber grotendeels zelf doen door middel van goede selectie, koppeling en verzorging, en dit alles nauwkeurig vast te leggen in het beruchte kweekboek. Alleen op deze manier is het mogelijk ziektes redelijk onder controle te houden, maar ze zullen nog steeds voorkomen in meer of minder ernstige vormen. Alleen deskundig gebruik van medicatie kan bij het uitbreken van ziekten een oplossing bieden. Zo niet, kan in sommige gevallen 60 tot 70 procent van uw vogels sterven, en wat nog erger is, de overlevenden worden bijna allemaal drager en zullen hun eieren en eventuele jongen besmetten, wat vaak leidt tot mislukte broedseizoenen. Denk bijvoorbeeld aan de BLAUWE STIP die de laatste jaren bij veel liefhebbers voorkomt; dit is hier zeker een oorzaak van.

Houd er rekening mee dat de meeste wilde zangvogels veel gevoeliger zijn voor specifieke infecties dan de kanarie, die al vele jaren in gevangenschap wordt gekweekt en enige resistentie heeft opgebouwd tegen veel ziekten. Het feit dat de meeste wilde zangvogels sneller stress ervaren, soms minder krachtvoer eten en daardoor een slechtere conditie hebben, zorgt ervoor dat infecties beter aanslaan. Een eerste vereiste is leren onderscheid te maken tussen een gezonde vogel en een vogel die niet in conditie is. Over het algemeen geldt dat een vogel die met de kop in de veren zit en weinig neiging heeft om te vliegen al behoorlijk ziek is. Vang onmiddellijk vogels die niet fit zijn. Houd de vogel tegen uw oor en luister naar de ademhaling. Een iets snellere ademhaling is normaal. Elk piepend, fluitend of klikkend bijgeluid is verdacht. Blaas vervolgens de buikveren op en bekijk wat er abnormaal is. Een gezonde lever is praktisch onzichtbaar. Een gezonde buik is enigszins ingetrokken. De darmen zijn normaal gesproken bijna niet zichtbaar. Is de huidskleur goed? Is de vogel vermagerd? Zijn er parasieten aanwezig, enzovoort…

Een goede waarneming is ook nog altijd de observatie. Let op, als de vogel op de stok zit, moet deze ook rustig zitten. Als de vogel ademhaalt en de staart beweegt op en neer, is dit geen goed teken; de vogel heeft mogelijk iets aan de luchtwegen of een infectie. Blaas de vogel voorzichtig op en bekijk de onderbuik. Houd de vogel ook eens tegen uw oor; verzorg een vogel direct als er symptomen zijn, voordat het te laat is. De helderheid van de ogen van de vogel onthult ook veel over de conditie ervan; let hier goed op. Bij vogels met de recessief witte factor zijn tranende ogen een zorgwekkend teken, en sterk blauw geworden hoorndelen duiden ook op mogelijke problemen. De symptomen laten zich zien, en het is aan ons om tijdig in te grijpen (verzorgen). Isoleren van de vogel in een ziekenkooi is aan te raden. Leg op de bodem eerst een stuk krantenpapier of een plaatje om de uitwerpselen te verzamelen en te controleren. Noteer eventuele afwijkingen voordat u een dierenarts of ervaren liefhebber raadpleegt.

U (en de dierenarts en/of liefhebber) zullen telkens iets leren van deze handelingen. Voer dezelfde controles uit als u een vogel gaat kopen of ruilen. Geef altijd onmiddellijk een geneesmiddel aan uw zieke vogel, omdat meerdere exemplaren geïnfecteerd kunnen zijn. U kunt dan alvast vaststellen of het gebruikte middel effectief is en het indien nodig aanpassen bij volgende patiënten. Zorg voor de juiste dosering en overdrijf niet. Het juiste medicijn kan variëren tussen liefhebbers, en er zijn veel opties op de markt. Ik noem bewust geen namen om misverstanden en/of vooroordelen te vermijden. Liefhebbers die willen weten wat ik gebruik of advies willen, kunnen mij altijd mailen of schrijven. Vaak kunnen zij bij hun vereniging of bij bekende liefhebbers de naam van het product achterhalen. Als u uw vogel via de dierenarts laat onderzoeken, zal deze het medicijn voorschrijven.

Enkele grondregels voor het voorkomen van zieke vogels. Zoals vaak gezegd, is voorkomen beter dan genezen, en dit geldt zeker ook voor onze vogelhobby. We verwijzen hiervoor naar de juiste voeding en correcte verzorging. Over de verzorging is voldoende geschreven en informatie beschikbaar. Iedere vogelliefhebber zou moeten weten hoe hij hiermee moet omgaan. De eerste stappen ter voorkoming van ziekten zijn hiermee al gezet.

De voornaamste vogelziekten behoren tot de groep van INFECTIEZIEKTEN, veroorzaakt door microscopisch kleine organismen zoals bacteriën, virussen en eencellige schimmels. Tegen deze ziekten worden voornamelijk antibiotica gebruikt, stoffen die worden uitgescheiden door bepaalde schimmelsoorten, zoals penicilline uit Penicillium glaucum. Een bepaalde hoeveelheid microben in het lichaam van een dier is normaal en zelfs gunstig, met name in de darmen, waar de goedaardige darmflora zorgt voor vitamine B-productie. Problemen ontstaan wanneer bepaalde microben zich te veel vermenigvuldigen door verzwakking van het natuurlijke afweermechanisme van het lichaam, wat verschillende ziekten veroorzaakt. Op dat moment is het tijd om in te grijpen en de infectie te bestrijden. Antibiotica, zoals de naam suggereert (anti=tegen en bios=leven), zijn stoffen die gericht zijn tegen het leven en in principe al het leven doden. Ze zijn echter in de normaal voorgeschreven dosering niet sterk genoeg voor de gastheer, maar wel effectief tegen microben. Het is essentieel om de voorgeschreven dosis nauwkeurig te volgen, bij voorkeur na overleg met een gespecialiseerde apotheker of dierenarts. Tijdens behandeling met antibiotica moeten ook poly-vitaminemengsels worden toegediend, omdat de goedaardige darmflora ook wordt aangetast, wat kan leiden tot een tekort aan vitaminen bij de zieke vogel. Poly-vitaminen, met alle bekende vitaminen, dragen bij aan het herstel van de normale afweerkrachten van de vogels. Chemotherapeutica, kunstmatig vervaardigde chemische producten die vergelijkbaar zijn met antibiotica, worden ook gebruikt voor hetzelfde doel. Deze zijn even effectief als antibiotica, maar ook even giftig bij overmatig gebruik. Wees dus altijd waakzaam.

Preventie van infectieziekten.

Let goed op bij het aanschaffen van nieuwe vogels en plaats ze altijd enkele weken in quarantaine. Houd gedurende deze periode de vogels nauwlettend in de gaten en let op hun eet- en drinkgedrag, de stand van de ogen en de beweging van de staart. Als alles goed blijft gaan, kunnen de vogels na ongeveer twee weken bij de andere vogels worden geplaatst.

Let vooral op als de vogels afkomstig zijn van tentoonstellingen. Ze hebben daar blootgestaan aan drukte, temperatuurschommelingen, ander voer, kortom allerlei stressfactoren. Vogels die niet in goede conditie verkeren, zijn snel vatbaar voor stress, wat een fysieke en fysiologische belasting vormt en het natuurlijke afweermechanisme kan verminderen, waardoor ze snel infecties kunnen oplopen. Daarom is het essentieel dat vogels van tentoonstellingen goed worden geobserveerd, voorzien van hoogwaardig zaad en eivoer, en de nodige vitaminen krijgen. Hierdoor blijven mogelijke problemen tot een minimum beperkt.

Een andere risicovolle periode is de kweekperiode, zowel tijdens het broeden als wanneer er jonge vogels zijn. Jonge vogels hebben nog niet voldoende weerstand en immunisatie tegen verschillende infectieziekten. Net zoals mensen kunnen vogels immuun worden voor infectieziekten als ze deze met succes hebben doorgemaakt, vergelijkbaar met de behandeling van pokken.

Het is duidelijk dat ook de rui een gevaarlijke periode vormt voor het oplopen van infecties of ziekten. Veel problemen kunnen, zoals vaak wordt benadrukt, worden voorkomen door orde en netheid in de vogelverblijven te handhaven, waarbij de hokjes regelmatig worden ontsmet en behandeld.

A. Ziekten veroorzaakt door virussen.

Pokken kennen we in een uitwendige en inwendige vorm. Psittacosis, ornithosis of chlamydiosis is geen echt virus maar een soort overgangsvorm tussen virus en bacterie. Leukose of leverziekte, miltziekte. Ik zal niet dieper ingaan op deze ziekten, aangezien ze niet veelvuldig voorkomen bij Europese vogels. Bovendien bestaan er geen geneesmiddelen tegen virusziekten. De enige remedie is vaccinatie, naast het zorgen voor goede huisvesting, hygiëne en voeding. Alleen bij ornithose (ook besmettelijk voor de mens) kan een chloortetracycline HOI-kuur een oplossing bieden. Van de inwendige vorm van pokken (hapziekte) bij Europese vinken is nog nooit melding gemaakt. De uitwendige vorm (minder dodelijk) hebben we wel enkele keren vastgesteld. Het jaarlijks vaccineren van onze kanarie vogels wordt uitvoerig beschreven, en het zijn geen verstandige liefhebbers die niet vaccineren en denken dat het hen niet zal overkomen.

B. Ziekten veroorzaakt door bacteriën.

We onderscheiden Gram-positieve bacteriën en Gram-negatieve bacteriën. Vooral met de laatste krijgen onze vogels te maken en eisen ze jaarlijks veel slachtoffers. Salmonella of paratyfus kent verschillende vormen. De belangrijkste zijn Salmonella gallinarum en Salmonella pullorum. Ziekteverschijnselen: Deze zijn niet altijd specifiek. Acute sterfte is het meest opvallend, met ernstige diarree die een opvallende witte kleur heeft, vergelijkbaar met gemorste koffiemelk. De pullorum vorm kan vogels van elke leeftijd treffen, maar jonge vogels zijn het meest gevoelig. De dood kan plotseling optreden zonder duidelijke vermagering, maar soms is er snelle vermagering op één dag omdat de vogels weinig of niet meer eten en drinken en veel vocht verliezen door de diarree. De ziekte kent dikwijls een epidemisch verloop, vooral in dichtbevolkte volières, en eist in enkele dagen veel slachtoffers als er niet met geneesmiddelen wordt ingegrepen. De incubatietijd is 2 tot 3 dagen. Nestjongen kunnen besmet worden zonder dat de ouders ziekteverschijnselen vertonen. De witte diarree veroorzaakt bij hen het zogenaamde mestkontje. Ze houden de poten gestrekt, verlaten soms te vroeg het nest en vallen dan op de bodem. Buik en darmen zijn meestal donker tot zwart gekleurd, en aan de cloaca ziet men de witte mest klaarzitten. Soms zijn er ook verlammingsverschijnselen en afwijkende ademhalingsgeluiden waarneembaar (meestal klikkende). Zwaar geïnfecteerde vogels zijn zeer moeilijk te genezen doordat ze echt doodziek zijn en praktisch niet meer eten of drinken. De anderen maken een goede kans op herstel. Ook hier hebben we vaak groenachtig gekleurde diarree (gallinarum vorm). Het meest opvallend is de vergrote lever die duidelijk waarneembaar is in het centrum onder het borstbeen en een bruin-gele kleur heeft (kleur van dode herfstbladeren). Meestal is de buik ook gezwollen, en afhankelijk van de kleur kan er sprake zijn van een menginfectie (zie cocidiose). Soms treden ademhalingsmoeilijkheden op (op en neer wippen met staart, open bek). Deze ziekte kan vogels van elke leeftijd besmetten. Salmonella bacteriën kunnen via het broedei aan de nakomelingen worden doorgegeven, waardoor de jongen in het ei sterven of in de eerste dagen na het uitkomen van de tere jongen.

Zelfs gezonde jongen kunnen later nog door de ouders worden besmet als deze dragers zijn. Bij sectie zijn de sterk gezwollen en vergrote lever en milt de voornaamste herkenningspunten. Ook vinden we witgele vlekken op hartspier, longen en maag. De darmen zijn gevuld met een kaasachtige substantie. Gewoonlijk verloopt het ziekteproces erg onduidelijk. Er treedt slechts af en toe een sterfgeval op, maar op de langere termijn vallen er toch veel slachtoffers en hebben veel overlevenden een vergrote lever en slechte conditie. Aangetaste vogels maken een redelijke kans op genezing als de ziekte niet te ver gevorderd is. Het genezingsproces kan echter lang duren. Pseudo-tuberculose of vogelcholera. Opnieuw moet een onderscheid worden gemaakt tussen acute en chronische vorm. De ziekteverschijnselen lijken veel op salmonella, maar er kunnen kleine verschillen zijn. Acute vorm: Aangetaste vogels zijn maar kort ziek, gaan dik zitten en kunnen een uur later dood zijn. Bijna altijd is er diarree geweest. Bek en neusdoppen zijn soms blauw. Vogels die wat meer weerstand bieden, vertonen ernstige ademhalingsmoeilijkheden, zitten ineengedoken en hebben diarree. Hersenstoornissen komen ook voor. Chronische vorm: De lever is vaak ontstoken en verschijnt als een bruinrode vlek onder het borstbeen. Ook een ontsteking van de snavelrand, oogvliezen of oogholte kan voorkomen, wat zelfs een uilekop kan veroorzaken (kaal rond de ogen). Eventuele ontsteking van de neusholte kan leiden tot snotverschijnselen. De ademnood is meestal meer uitgesproken dan bij paratyfus. Omdat beide bacteriële infecties qua ziekteverschijnselen veel overeenkomsten vertonen, is het moeilijk om een juiste diagnose te stellen. Dit is echter niet van essentieel belang omdat de gebruikte geneesmiddelen dezelfde kunnen zijn. In principe komt paratyfus meestal voor in de zomer, terwijl pseudo-tuberculose een voorkeur heeft voor de winter. Dit hoeft echter niet altijd zo te zijn. Colibacillose (Escherichia coli). Bij jonge nestvogels staat deze infectie bekend als zweetziekte. Besmette vogels lijden aan darmstoornissen en hebben hevige diarree. Het nest wordt vervuild omdat de ouders deze uitwerpselen niet kunnen verwijderen. De bacteriën kunnen zich explosief vermenigvuldigen en het hele nest besmetten. Zelfstandige jongen zijn ook vatbaar voor deze ziekte. Sterfte is zeer plotseling en vertoont veel gelijkenissen met acute salmonella of pseudo-tuberculose. Bacterie-verontreinigd voedsel en slechte hygiëne kunnen ook hier weer de oorzaak zijn.

C. Ziekten veroorzaakt door protozoa.

Coccidiose is een veelvoorkomende ziekte bij kanaries en vinkachtigen. Het is een van de gemakkelijkst te herkennen infecties. Een typerend kenmerk is de rood aangelopen buik, waar de rode gezwollen darmlussen te zien zijn. Op de darmen kunnen fijne rode bloedstreepjes waarneembaar zijn. De buik en darmen kunnen meer of minder gezwollen zijn, afhankelijk van de acute of chronische aard van de ziekte. Diarree is mogelijk maar niet noodzakelijk. Snelle vermagering treedt altijd op. Besmetting vindt plaats via de uitwerpselen en kan vogels van elke leeftijd aantasten, hoewel jonge vogels het gevoeligst zijn. Omdat coccidiën de darmwand aantasten en wondjes veroorzaken, krijgen paratyfusbacteriën de kans om de vogel te besmetten. Hierdoor ontstaat een menginfectie die herkenbaar is aan een bruingele leverplek en een rood gezwollen buik met rode darmlussen. Putters en groenvinken zijn extra gevoelig voor coccidiose. Probeer besmetting te voorkomen door de bodem van je volière zo droog mogelijk te houden en regelmatig schoon te maken.

Atoxoplasmose, een vorm van coccidiose, is vooral een ziekte van jonge vogels tot ongeveer 9 maanden en is meestal onmiskenbaar in zijn optreden. Opnieuw is de gezwollen lever typisch, die blauw tot zwart gekleurd is en in eerste instantie rechts onder het borstbeen te zien is. Later kan dit zich uitbreiden tot een brede blauwzwarte band. De uitwerpselen zijn meestal lichtgroen gekleurd. Jonge vogels kunnen ook in het nest besmet raken en vertonen ziekteverschijnselen vanaf ongeveer de 8e dag. Ze verlaten vaak te vroeg het nest en lijden soms aan hersenstoornissen. Het is essentieel om deze ziekte tijdig te herkennen en zo snel mogelijk te behandelen, omdat deze ziekte zich razendsnel verspreidt en meestal fataal afloopt als er niet op tijd wordt ingegrepen met een behandeling. Parasieten vermenigvuldigen zich in de milt, merg, lever, longen, enz., wat ook bloedarmoede veroorzaakt. De keel en huid zijn daardoor bleker van kleur, vooral bij nestjongen. De buik is ook gezwollen. Bij sectie valt naast de lever de sterk vergrote donkerrode milt op. Oudere vogels worden niet dodelijk ziek omdat ze een grotere weerstand hebben. Ze hebben echter een minder goede conditie en blijven, omdat ze dragers zijn, de jongen zonder geneesmiddelen besmetten. De infectie treedt vooral op in de nazomer.

Trichomoniose, hoewel bekend bij duivenliefhebbers, komt af en toe voor bij vinken en insecteneters (zoals zanglijsters). De snavelholte is aangetast, en de vogel ademt met geopende bek. In de keel en snavelholte zijn altijd kleverige witte tot gele afzettingen te zien. Zieke vogels hebben ernstige moeilijkheden met eten en drinken en verkeren constant in ademnood.

Worminfecties zoals gaapwormen, lintwormen, spoelwormen, enzovoort, komen zelden tot nooit voor bij hygiënisch gehuisveste vinkachtigen. Aangetaste vogels ademen met geopende snavel en proberen de wormen weg te slingeren door met de kop en bek op en neer te slingeren.

D. Schimmelziekten.

Aspergillose. Geïnfecteerde vogels gapen veel en vertonen ademhalingsmoeilijkheden. De schimmel tast de longen, luchtzakken, neus- en voorhoofdsholte aan. Soms raken daardoor de ogen ontstoken. De ziekte heeft meestal een slepend verloop en kan wel een jaar duren voordat de vogel sterft. Er is een langzaam vermageringsproces waarneembaar.

Candidiasis. De schimmels bevinden zich in de keel, slokdarm en krop. Aangetaste vogels zijn weinig actief, braken soms, eten moeilijk en vermageren.

Trichophyton. Het is een schimmelinfectie van de huid, met name op de kop en in de nek, wat leidt tot veeruitval. De huid op de kale plekken heeft een witgrijze kleur.

Bij schimmelziekten is het vooral belangrijk de oorzaak te achterhalen, die vaak te vinden is in de bouw van je kweekruimten. Slechte ventilatie, beschimmeld voedsel en een te vochtige omgeving kunnen oorzaken zijn. Ook langdurige toediening van antibiotica kan leiden tot schimmelinfecties.

Infectiemogelijkheden:

Onhygiënisch eivoer en andere eiwitrijke producten, meelwormen, pinky’s en slakjes kunnen soms gevaarlijke bronnen van paratyfusbacteriën zijn. Smetstoffen kunnen ook worden overgebracht door muizen of insecten, vooral in de nazomer, herfst en winter wanneer er vaak sprake is van overbevolking en de meeste vogels in groepen worden gehuisvest. Door uitsluitend zaad te voeren en weinig of geen krachtvoer zijn de vogels extra vatbaar vanwege conditieverlies. De hogere luchtvochtigheid en grotere temperatuurschommelingen in deze jaargetijden vormen een extra risico. Een zieke vogel kan dan in korte tijd uw hele volière besmetten. Zowel salmonella als pseudo-tuberculose vertonen vaak een epidemisch verloop, vooral in dichtbevolkte, onhygiënische en ondoelmatig gebouwde volières. Dit betekent niet dat u in andere gevallen geen problemen zult ervaren. Cocidiose, atoxoplasmose, salmonella, pseudo-tuberculose en colibacillose zijn de meest voorkomende ziekten. Probeer vooral deze infecties te leren onderscheiden en behandelen, want ze veroorzaken 50% tot 60% van uw sterfgevallen (bij kanaries en veel Europese vogels).

Geneesmiddelen:

Antibiotica worden gemaakt van de natuurlijke stofwisselingsproducten van schimmels. De meeste hebben een breedspectrumwerking, wat betekent dat ze effectief zijn tegen verschillende soorten bacteriën, zowel gram-positief als gram-negatief. De meest bekende zijn de tetracyclines (Terramycine). Chemobiotica worden langs chemische weg vervaardigd. Ze bestrijden een groot aantal bacteriën maar zijn vooral actief tegen protozoa. De sulfonamiden, zoals Esp3, worden veel gebruikt. Er zijn ook anti-wormmiddelen, anti-schimmelmiddelen (fungiciden) en bestrijdingsmiddelen tegen ectoparasieten (insecticiden).

Geneesmiddelen: Antibiotica

Bij acute sterfgevallen zonder duidelijke ziektekenmerken (behalve diarree) hebben we de beste ervaringen met antibiotica. Houd u zeker aan de opgegeven dosering. U kunt beter iets overdrijven dan te weinig geven. Vogels kunnen meer verdragen dan u denkt. Een te lage dosis zal weinig effect hebben en de bacteriën kunnen resistent worden. Omdat bij acute ziektegevallen de vogel zeer snel achteruitgaat en weinig of niets meer eet of drinkt, is het misschien beter, zeker bij waardevolle exemplaren, een sterk geconcentreerde oplossing met de kropnaald of pipet in de krop of bek in te brengen. Natuurlijk is hier de nodige kennis, handigheid en ervaring vereist. Experimenteer nooit ten koste van uw vogel. Laat dit over aan uw dierenarts of andere ervaren kwekers.

Geneesmiddelen: Chemobiotica (Esb3)

Industrieel chemotherapeuticum tegen:

  • Cocidiose
  • Salmonellose
  • Pasteurellose

Specifiek ontwikkeld voor toevoeging aan drinkwater. Enkele voordelen van Esb3:

  • Gemakkelijk te verdragen door zowel jonge als oudere vogels
  • Geen nevenwerkingen of vermindering van de eitjes
  • Spontane feedback op de groei
  • Geen nevenwerkingen op de vruchtbaarheid
  • Gemakkelijk toe te dienen aan de vogels

Hoeveelheid en manier van toedienen:

  • Drie dagen Esb3: 1 gram op 1 liter water
  • Daarna 3 dagen een vitaminekuur (bijvoorbeeld Alvathil)
  • Daarna weer 3 dagen Esb3: 1 gram op 1 liter water

Ververs dagelijks het water en maak de flesjes schoon. Zorg ervoor dat de vogels na een Esb3-kuur een vitaminekuur krijgen en een goede zaadmengeling, samen met de nodige eivoer. Het geven van een kuur direct voor de aanvang van de kweek wordt ook aanbevolen. Continu kuren, zoals soms gebeurt, wordt niet aangeraden. Het biedt geen garantie dat uw vogels vrij blijven van coccidiose omdat de dosis te laag is en de protozoa resistent kunnen worden. Bovendien kan het de weerstand van de vogel tegen andere bacteriële infecties verminderen. Geef liever een goede kuur wanneer dit echt nodig is, omdat coccidiose tamelijk gemakkelijk te genezen is als u niet te lang wacht voordat u ingrijpt.

Diagnose: Atoxoplasmose.

Geneesmiddel: Esb 30%, 1 g/liter gedurende 7 dagen, vervolgens 1/2 g/liter dagelijks tot na de rui. Verhoog de dosis elke 3 à 4 weken terug tot 1 g/liter. Geef dagelijks een iets groter rantsoen opfokvoer. Ook in het volgende kweekseizoen blijft voorzichtigheid geboden, omdat sommige vogels drager kunnen blijven. Overweeg in dat geval zeker, vanaf de 2e ronde van het daaropvolgende jaar, op dezelfde manier preventief het geneesmiddel te geven. Het is niet nodig dit elk jaar te herhalen. Aangetaste jonge vogels waarbij de protozoa de ingewanden hebben verlaten en zich in de lichaamscellen en bloedbaan bevinden, zullen meestal sterven. Alleen de uitscheiding van oöcysten en besmetting kan met geneesmiddelen worden voorkomen. Hoewel ik geen voorstander ben van continu medicijnen verstrekken, kan het in het geval van bijvoorbeeld atoxoplasmose noodzakelijk zijn om te proberen te redden wat er te redden valt om een goede stam te behouden.

Diagnose: Coccidiose. Geneesmiddelen: Sulfonamiden / Esb3 30%. We gebruiken meestal Esb3 30% (wie niet?) twee of drie keer. 1 g/liter water gedurende 6 dagen, met telkens daartussen een pauze van 3 à 4 dagen met een multivitaminenpreparaat (Alvathil). Bij ernstige gevallen kan het nodig zijn om de dosis de eerste week te verdubbelen en later te verminderen.

Ontsteking van de luchtwegen. Vooral onze geliefde goudvink is er zeer gevoelig voor, maar ook andere vogels en onze kanarievogel kunnen geïnfecteerd raken.

Ziekteverschijnselen: De infectie vertoont veel overeenkomst met chronische bronchitis bij de duiven. De verkouden vogel ademt met ritmisch geopende bek. Soms kan dat gepaard gaan met fluitende en reutelende geluiden. Besmette vogels niezen af en toe, wat ongeveer als volgt klinkt: puft – puft. De lokroep is hees en sommigen verliezen volledig hun stem. Ademhalingsstoornissen kunnen nog vele andere oorzaken hebben, zoals pseudo-tuberculose, paratyfus, aspergillose, luchtpijpmijten en gaapwormen. Probeer deze ziektebeelden van elkaar te onderscheiden. Vooral in de herfst, met zijn sterk wisselende temperatuur, treedt de infectie veelvuldig op. Het verschil tussen dag- en nachttemperatuur kan in sommige volières enorm verschillen. Zorg hier altijd voor een tochtvrij verblijf en, wat zeker zo belangrijk is, een erg droge bodembedekking die regelmatig wordt vervangen door nieuwe droge bedekking. Zorg bij deze bodembedekking altijd voor voldoende vogelgrit. Het is ook enorm belangrijk om de ziekte in een vroeg stadium op te merken. Vogels die al langere tijd ziek zijn, kunnen nog wel genezen maar hervallen erg snel. Geef naast een geneesmiddel een beetje warmte aan zo’n vogel en houd de vogel weg van een vochtig verblijf. Zo kan de vogel met deze hulp er bovenop geholpen worden. U ziet dat vogelziekten voorkomen niet altijd meevalt, maar door goed te observeren en te verzorgen, kunnen veel ziekten en narigheden in ons vogelverblijf worden voorkomen. Men moet er tijdig bij zijn en uiteraard ook de vogel willen verzorgen; wij zijn tenslotte niet voor niets vogelliefhebbers. Het zal duidelijk zijn dat vogels die regelmatig in de winter (rust) periode ziek worden, het best kunnen worden uitgesloten voor de kweek om verdere teleurstellingen tijdens de kweek te voorkomen.

Slot: Ik hoop dat ik met deze uiteenzetting een leidraad heb gegeven over vogelziekten, voor zover mogelijk met mijn ervaring van 45 jaar kanariekweek. Ook bij mij komen er jaarlijks wel eens problemen om de hoek kijken, maar dit hoort waarschijnlijk bij de vogelhobby.

Wout van Gils

De Albino

Albino

De Albino

Door de introductie van de ino- of satinetfactor krijgen we vogels met rode ogen. Afhankelijk van de grondkleur worden ze albino-wit, lutino-geel en rubino-rood genoemd. Voor onze witte kanaries is er eigenlijk niet veel te vertellen, behalve dat netheid hier een vereiste is en van het grootste belang. Als de vogel een goede vorm en houding heeft, kom je al heel ver. ALS JE ZE DAN OOK NOG KAN WASSEN, EN NIET ONBELANGRIJK, JE ZE KAN BRENGEN ZIT JE GOED.

Over wasproducten wordt veel gezegd en gedaan, maar het echte spul “Super White” is bijna niet meer verkrijgbaar, tenzij je het probeert te bemachtigen via Engeland. Een goed alternatief is “Glow White” in vloeibare vorm en is nog steeds verkrijgbaar in een Engelse winkel langs de kanten van Leuven. Ook ik vind dat als je niet te vroeg begint met het kweken van witte kanaries, ze witter blijven en minder hard hoeven te worden gewassen. Of je nu een jonge witte op stok hebt in januari of je eerste in april, dat zijn maar liefst 4 maanden waarin je vogel sneller verontreinigd kan raken. Hiermee bedoel ik het grauwe op de vogel dat je er met gewoon wassen bijna niet meer afkrijgt. Iemand die witte kweekt, zal dat wel begrijpen.

Verder is een zeer goede bevedering gewenst en geen bontheid in hoorndelen en bevedering. Kweektip: gebruik soms eens een mooie gele vogel om als model te dienen voor onze witte vrienden, split/wit ja van die oranje. Wit x wit kan na verloop van tijd ervoor zorgen dat de vogels wat inboeten wat betreft model. Dit is slechts informatief, en je kunt ermee doen wat je wilt.

Wout van Gils

 

Cursus deel 32 : Herkennen man of pop.

man
Man

pop
PoP

 

HERKENNING VAN MAN EN VROUW

Voor veel kanariekwekers is het herkennen van het geslacht vrij goed te doen. Meestal geeft de kleur of de erfelijkheid al een indicatie of het een mannetje of vrouwtje is. Toch kunnen zelfs ervaren kwekers zich vergissen, vooral na de rui en de daaropvolgende periode waarin de vogels moeilijker te identificeren zijn. In dit korte artikel wil ik enkele punten aanhalen die het voor velen wellicht gemakkelijker maken om het geslacht van hun kanaries vast te stellen.

Vogels scheiden na het broedseizoen:

Het is altijd beter om jonge en oudere vogels, indien mogelijk, van elkaar te scheiden. Dit vermindert vechtpartijen en verenpikken. Oudere mannetjes worden vaak voorzien van een extra knijpring, zodat het in het voorjaar gemakkelijker is om ze te identificeren. Oudere popjes krijgen geen knijpring en worden het best gescheiden gehouden van oudere mannetjes in bijvoorbeeld de volière. Jonge vogels worden apart gehouden in een afzonderlijke volière of ruimte voor een duidelijk overzicht.

Herkennen van man of vrouw aan de hand van kleur:

Bij veel soorten kanaries, zowel tamme als in het wild, kan het geslacht worden vastgesteld aan de hand van de kleur. Bij sommige vogels is dit eenvoudiger dan bij andere, en het vereist enige kennis van de standaardeisen. Hier zijn enkele voorbeelden:

  • Mozaïekkanaries zijn goed te onderscheiden: Type 1 voor popjes en Type 11 voor mannetjes.
  • Bij Phaeo-kanaries is er een duidelijk verschil in tekening tussen mannetjes en vrouwtjes.
  • Bruine kanaries vertonen een kleurverschil.
  • Agaten vertonen lichte kleurverschillen op het rugdek, waarbij popjes iets meer bruin vertonen.
  • Parelmoerkanaries tonen ook een verschil in kleur.
  • Vogels in de zwarte reeks hebben meestal popjes met iets meer bruin op het rugdek.
  • Bij opaalvarianten laten popjes meestal iets meer bruin op het rugdek zien.
  • Bij geelvetkanaries vertoont het popje meestal een lichte nekschimmel.
  • Roodintensieve kanaries laten ook een lichte nekschimmel zien bij het popje.
  • Bij roodschimmelkanaries vertoont het popje een teveel aan nekschimmel.

Een ervaren kweker of keurmeester kan deze lijst uitbreiden, waarbij kennis en ervaring een grote rol spelen. Het bestuderen van de standaardeisen van een kanariesoort kan ook helpen bij de herkenning.

Rood mozaïek type 2

Andere herkenningspunten:

Er zijn nog enkele andere punten, zoals het fluitgedrag en de houding van de man. Mannetjes zijn vaak fierder, staan hoger op hun pootjes, en zijn agressiever. Vrouwtjes zijn over het algemeen gedrongener, fluiten minder, en kunnen reageren op het fluiten van een man. Ook de kleur kan vaak een goede indicatie zijn.

Geslachtsherkenning van het mannetje:

De geslachtsherkenning van een mannetje is goed te doen wanneer deze in geslachtsconditie is, rond de negen maanden oud en kunstmatig wordt belicht. Het mannetje vertoont een opstaand tapje van ongeveer 5 mm bij het opblazen tegen de stuitbevedering, schuin naar achteren gericht met stuitveertjes. In geslachtsconditie staat dit tapje recht op met een bredere schuine uitloop naar het lichaam toe. Het onderlichaam achter het tapje is licht ingevallen.

Geslachtsherkenning van het vrouwtje:

De herkenning van een vrouwtje is moeilijker als de vogel niet in broedconditie is. Het vrouwtje moet minstens negen maanden oud zijn. In niet-broedconditie vertoont het vrouwtje een lichte verdikking, geen tapje, maar een iets bredere opstaande verdikking van het onderlichaam (cloaca) bedekt met licht dons. In broedconditie verdwijnt de lichte verdikking volledig, en het uiteinde van de cloaca neemt de vorm aan van het stompe gedeelte van een ei. Het onderlichaam is bijna kaal, wat de broedvlek wordt genoemd, zodat het vrouwtje haar lichaamswarmte beter kan overdragen aan de eieren.

Tot slot:

Rood mozaïek type 1

Bij twijfel tijdens de aankoop of koppeling van vogels kan het handig zijn om de leeftijd op te vragen en de beslissing te baseren op kleur. Het weghalen van de stuitbevedering bij zowel mannetjes als vrouwtjes wordt niet aangeraden, omdat deze dient als geleider voor een goede bevruchting. Het herkennen van het geslacht is goed te doen, maar ondanks ervaring maken kwekers af en toe nog fouten. Een vogel met de juiste leeftijd en een goede voorbereiding op de kweek zal over het algemeen duidelijk laten zien of het een mannetje of vrouwtje is. Ik hoop dat dit artikel de herkenning iets gemakkelijker maakt. Veel succes met het herkennen van mannetjes en vrouwtjes.

Wout van Gils

Gekiemde Zaden Maken

geweekt20zaad

Gekiemde Zaden Maken:

Met kiemzaad moet je erg voorzichtig zijn omdat er zich heel snel schimmels op het kiemvoer kunnen ontwikkelen. Deze schimmels zijn vaak niet met het blote oog te zien. De meningen over de toegevoegde waarde van vers kiemzaad zijn verdeeld. Als je mijn artikels hierover leest, ben ik ook niet direct een voorstander van kiemzaad. Maar toch kan het mits een zeer goede discipline met het aanmaken en voeren hiervan.

Er zijn mensen die beweren dat de vitaminen die de vogels tot zich nemen door kiemzaad te eten beslist niet meer zijn dan de vitaminen die de vogel binnen zou krijgen bij het eten van verse groenten zoals sla, boontjes, enzovoort. Anderen beweren juist dat door het kiemproces een explosie aan goede vitaminen en mineralen in de kiem vrijkomt die, mits op de juiste manier aan de vogel verstrekt, ontzettend gezond zijn.

De meeste vogels zijn gek op kiemzaad, maar ze moeten het vaak wel eerst leren eten!

Waarom Gekiemde Zaden Geven?

Niet voor niets wachten heel veel kromsnavels met het broeden op de regenperiode. Tijdens de regenperiode vinden de vogels volop gekiemde zaden die ze graag aan hun jongen voeren. Gekiemde zaden bevatten 2 tot wel 7 keer zoveel vitaminen, eiwitten en mineralen als gewone zaden. Bovendien bevatten gekiemde zaden veel minder vetten.

kiemzaadKiemzaad Kun Je Zelf Maken:

De basis is natuurlijk goed en niet al te oud kiemzaad. Verse kiemzaden kiemen snel en bijna allemaal. Bij oude zaden (meer dan 6 maanden oud) kunnen de kiemresultaten tegenvallen. Je kunt eventueel ook gewoon zaadvoer nemen en laten kiemen (test gelijk hoe vers het zaadvoer is). Ook duivenvoer is vaak een goed en goedkoop kiemzaad.

Was de zaden grondig en leg ze gedurende ongeveer 24 uur volledig onder water op een donkere plaats. De zaden kunnen zich dan goed volzuigen met vocht zonder te ontkiemen. Doe de zaden in een fijne zeef en spoel ze grondig af met koud water. Laat de zaden (eventueel in de zeef) bij kamertemperatuur en daglicht kiemen. Nooit in direct zonlicht; spoel de zaden zo nu en dan even met lauw water af (ongeveer 3 keer per dag).

Zodra de zaden kiemen, zie je witte puntjes (zaadspruiten). Laat die niet te ver doorgroeien, want de kracht zit juist in die witte spruiten. En hier gaat het vaak mis! Het is heel belangrijk dat de gekiemde zaden heel goed gespoeld worden, want er kunnen zich heel makkelijk schimmels op de gekiemde zaden ontwikkelen. Schud na de laatste spoelbeurt het overtollige water uit de zaden en laat het geheel uitlekken op keukenpapier; dep eventueel met extra keukenpapier de kiemen droog.

Wil je eventuele bacteriën- en schimmelgroei actief tegengaan, dan kun je 5 minuten voor het spoelen de kiemen inspuiten met wat “appelazijn”. Appelazijn doodt de bacteriën en schimmels die eventueel op de kiemen aanwezig zijn. Spoel daarna de zaden nog even met schoon water. Het azijn doodt niet alleen de bacteriën maar remt ook het verdere kiemproces af. Plaats het dan in de koelkast.

De vers gekiemde zaden kun je zonder problemen ruim twee dagen in de koelkast bewaren. Invriezen is ook mogelijk; als je de kiemen in een dunne laag op een platte plaat invriest en tussendoor even met de vork losmaakt, kun je de ingevroren kiemen naderhand in een diepvriesdoos stoppen. Naar behoefte kun je er dan kiemen uithalen. Ingevroren kiemzaad altijd volledig ontdooid en op kamertemperatuur aan de vogel(s) serveren. Ongeveer 3 uur het niet opgegeten kiemzaad weghalen en weggooien. Eventueel kun je dit kiemzaad nogmaals goed spoelen en in het laatste spoelwater wat appelazijn toevoegen. De hoeveelheid die je de vogel geeft, is afhankelijk van hoe graag hij het eet… Niet alle zaden kiemen even snel, maar geweekte zaden zijn ook prettig en gezond eten voor de kromsnavel en andere.

Kiemzaden Kun je Op Verschillende Manieren Serveren:

  1. Zaden die na een aantal uren weken geweeld zijn.
  2. Zaden deels gekiemd met 1 tot 2 mm lange kiemen (heel gezond).
  3. Zaden met grote kiemen van 1 tot 1 1/2 cm lengte (veel voedingswaarde verloren gegaan).

Tips:

  • De gekiemde zaden moeten fris ruiken! Verzuurde zaden kun je beter weggooien!
  • Geef altijd te weinig kiemzaad aan de vogels! (doordenkertje!)
  • Lange doorgeschoten kiemen kun je beter weggooien.

Andere Handige Manieren: Doe vers duivenvoer of kiemzaden in een oude nylonkous en week het gedurende 24 uur. Spoel de geweekte zaden in de nylonkous grondig schoon. Hang de nylonkous met de vochtige geweekte zaden net boven de bodem van een afgesloten emmer; het uiteinde van de nylonkous wordt door het deksel van de emmer vastgeklemd. Oude jam- of pindakaaspotten met als deksel een stuk nylonkous of horrengaas zijn ook handig. Met een stevig elastiek kun je het gaas prima vastmaken, of je maakt een of meerdere gaten in het deksel met tussen het deksel en de pot wat gaas geklemd. Het voordeel van dit systeem is dat je heel handig de zaden kunt spoelen en daarna zet je eenvoudig de pot op z’n kop weg. Maar de te koop zijnde kiemzaadbakjes zijn ook zeer aan te bevelen.

Veronderstelde Voedingswaarde van Verse Kiemen (1 tot 2 mm):

  • Na 24 uur weken zit het zaad vol licht verteerbare suikers en eiwitten.
  • Zodra de kiem net zichtbaar is, is er een verhoogde concentratie van: vitamine C, vitamine B2 B5 B6, vitamine D, ijzer, magnesium, koper, calcium en fosfor.

Wout van Gils

Spirulina.

spirulina

Spirulina.

Wat is Spirulina?

Spirulina is een eetbare blauwgroene micro-algensoort, verkrijgbaar in droge poedervorm. Het is een microscopisch plantaardig voedingsmiddel dat de veerkleur en glans versterkt, broeden stimuleert, de vruchtbaarheid verhoogt, en aanzienlijk bijdraagt aan het weerstandsvermogen. In Mexico en Afrikaanse landen is Spirulina een traditioneel voedingsmiddel. Het wordt gekweekt als menselijke voedingsstof door een biotechnisch bedrijf in Californië, U.S.A. Met een aminozuurgehalte van 62% is Spirulina ‘s werelds rijkste bron van vitamine B12 en het antioxidant bètacaroteen (20 keer hoger dan in wortelen). In Oost-Afrika is wilde Spirulina een belangrijke voedselbron voor grote vluchten wilde flamingo’s in superalkaline meren. Eetbare Spirulina wordt onder gecontroleerde omstandigheden gekweekt, wat het verschilt van wilde algen. Het wordt op speciale waterfarms door wetenschappers en hoogopgeleide technici geteeld, geoogst, verwerkt en verpakt in een erkende gezondheidsvoedingsfabriek, waar elke partij grondig wordt getest op zuiverheid voordat het wordt vrijgegeven voor verkoop.

Het voeren van Spirulina.

Spirulina Platensis, een microscopisch plantaardig voedingsmiddel, kan waardevolle voedingswaarde toevoegen aan het dieet van uw vogels. Recente wetenschappelijke bevindingen tonen aan dat Spirulina het immuunsysteem van vogels aanzienlijk verhoogt. Dit heeft de interesse gewekt van dierenartsen, vogelliefhebbers en fokkers van verschillende vogelsoorten. Het voeren van Spirulina is gekoppeld aan snelle genezing bij vogels met chronische infecties en biedt bescherming tegen antibiotica-resistente bacteriën zoals Staphylococcus Aureus en E. Coli.

Studie “Immunomodulatory Effects of Spirulina in Chicken’s” door M.A. Qureshi geeft aan dat een dagelijkse dosis van 1%, toegevoegd aan het dagelijkse vogeldieet, voldoende is. Vergelijkbare bevindingen zijn gemeld door Russische, Chinese en Japanse wetenschappers. Spirulina Platensis wordt onderzocht als een veilig eetbaar breedspectrum vaccin tegen bacteriën en microben, en het beschermt ook tegen andere epidemie-veroorzakende microben en kankergezwellen. Wetenschappers over de hele wereld onderzoeken nu de medische voordelen van Spirulina als een puur natuurlijk plantaardig voedingsmiddel en een veilig alternatief voor antibiotica.

Medische voordelen:

Verschillende medische rapporten in wetenschappelijke literatuur benadrukken de voordelen van Spirulina, waaronder aanzienlijke verbetering van het immuunsysteem. Voor broedende vogels is dit van groot belang, aangezien jonge vogels worden beschermd tegen dodelijke bacillen door antilichamen in het eigeel. Spirulina versnelt de opbouw van het cellulaire immuunsysteem, verhoogt de antilichaamproductie en beschermt tegen contact met bacillen. Wetenschappers hebben Spirulina ook bestudeerd in relatie tot antibiotica-resistente bacteriën en hebben vastgesteld dat het bescherming biedt tegen deze resistente stammen.

In 1979 ontdekten Russische wetenschappers dat Spirulina-extract Yershina (verwant aan de bacterie die de builenpest veroorzaakt) actief maakte. Deze gramnegatieve bacterie is dodelijk bij mensen en dieren, maar bij dieren gevoerd met Spirulina werd de afbraak van het immuunsysteem gestopt. Het immuunsysteem vernietigde snel de Yershina-bacterie, zonder bijwerkingen. Kwekers melden dat chronische infectieproblemen verminderen na drie weken gebruik van Spirulina. Er zijn gevallen bekend waarbij de combinatie van antibiotica en Spirulina een chronische infectie volledig heeft genezen.

In 1989 deden professor Enest Poss van de universiteit van Hawaï en Warren Dominy van het Oceanologisch instituut een studie naar kwartels met Spirulina-supplementatie. Ze meldden dat kleine hoeveelheden Spirulina de vruchtbaarheid van kwartels aanzienlijk verhoogden tot niveaus veel hoger dan bij kwartels gevoed met het gebruikelijke dieet.

Spirulina heeft recentelijk patent gekregen in Rusland voor de behandeling van stralingsziekten, waarbij kinderen uit de Chernobyl-regio aanzienlijk herstelden van hun aangetaste immuunsysteem na het gebruik van Spirulina.

Andere wetenschappelijke studies tonen aan dat Spirulina de T-cellen en thymusfuncties verbetert, terwijl het macrofagen stimuleert om effectiever bacteriën te vernietigen. Spirulina “supergeladen” het immuunsysteem van vogels, waardoor ze meer immuun zijn voor infecties en kanker.

Hoe bouwt Spirulina het immuunsysteem op? Het is zeer voedzaam, bevat alle essentiële aminozuren, en is rijk aan ontstekingsremmende GLA-vetzuren, antioxidanten en andere fytochemicaliën. Twee unieke natuurlijke stoffen geven het immuunsysteem een “superlading”: het briljantblauwe eiwit Phycocyanin, dat alleen voorkomt in blauwgroene algen, en een polysaccharide met vergelijkbare effecten. Deze stoffen stimuleren de groei van het immuunsysteem, verbeteren de productie van antilichamen en beschermen tegen bacteriën, microben en zelfs kanker. Spirulina heeft de aandacht getrokken van wetenschappers in de Verenigde Staten die behandelingen onderzoeken voor HIV-positieve en AIDS-patiënten.

Andere voordelen:

Spirulina is een van de meest geconcentreerde natuurlijke voedingsbronnen, met alle essentiële aminozuren en rijk aan chlorofyl, bètacaroteen (20 keer meer dan wortelen) en andere fytochemicaliën. Het is ook de enige bron van GLA-vetzuren in groenvoer, wat de groei kan stimuleren en de bevedering zacht en duurzaam maakt. GLA heeft ook ontstekingsremmende eigenschappen, wat soms verlichting kan bieden bij reumatische aandoeningen. Spirulina verbetert de darmflora, wat vaak problemen met E. Coli en andere Candida albicans vermindert.

Conclusie voor de liefhebber:

Veel kwekers melden verbeterde vruchtbaarheid en gezondere jongen na het gebruik van Spirulina. Vogels zijn minder ziek, herstellen sneller en vertonen minder zelfbeschadigend gedrag. De veerkwaliteit en kleuring verbeteren vaak opvallend, en sommige vogels vertonen voor het eerst kleur na het gebruik van Spirulina. Dierenartsen merken een versnelde respons bij infecties en wondgenezing. Het “superladen” van het immuunsysteem met Spirulina draagt bij aan betere ziekteresistentie en verhoogde vruchtbaarheid bij vogels.

Gebruik en onderhoudsdosering:

Voeg Spirulina toe aan eivoer, universeelvoer, of vruchtenpatee. Het kan ook aan nectar worden toegevoegd, maar is minder oplosbaar in water. Het wordt aanbevolen om Spirulina in nectar goed te roeren, omdat het enige tijd nodig heeft om op te lossen. De onderhoudsdosering is slechts 1% (10 gram per kilo voer).

Physical Properties: Algehele Analyse:
Compositie: 100% poeder Eiwitten 55g -70%
Voorkomen: fijn poeder Koolhydraten 15 – 25%
Kleur: blauw-groen Vet (Lipiden) 06 – 08%
Reuk & Smaak: mild zeewier Mineralen 07 – 13%
Bulkdichtheid: 60 mesh through Vezels 08 – 10%
Vitaminen: per 10 g Mineralen: per 10 g
Vitamine A 23.000 IE Calcium 70 mg
Beta Caroteen 14mg IJzer 15 mg
Vitamine D 1200 IE Fosfor 80 mg
Vitamine E 1 mg Jodium 00 mg
Vitamine K 200 µg Magnesium 40 mg
Biotine 0,5 µg Zink 0,3 mg
Inositol 6,4 mg Selenium 10 µg
Vitamine B1 0,35 mg Koper 120 µg
Vitamine B2 0,4 mg Mangaan 0,5 mg
Niacine 1,4 mg Chroom 25 µg
Vitamine B6 80 µg Molybdeen 00 mg
Foliumzuur 1 µg Natrium 90 mg
Vitamine B12 20 µg Kalium 140 mg
Panthoteenzuur 10 g Germanium 60 µg
Aminozuren (essentiële) Aminozuren (non essentiële)
per 10g/% totaal per 10g/% totaal
Isoleucine 350 mg / 5,6% Alanine 470 mg / 7,6%
Leucine 540 mg / 8,7% Arginine 430 mg / 6,9%
Lysine 290 mg / 4,7% Aspartaanzuur 610 mg / 9,8%
Methionine 140 mg / 2,3% Cystine 60 mg / 1,0%
Phenylalanine 280 mg / 4,5% Glutaminezuur 910 mg / 14,6%
Threonine 320 mg / 5,2% Glycine 320 mg / 5,2%
Tryptofaan 90 mg / 1,5% Histidine 100mg / 1,6%
Valine 400 mg / 6,5% Proline 270 mg / 4,3%
Natuurlijke pigment phytonutrients per 100g/ % totaal
Phycocyanin (blauw) 1400mg / 14%
Gammalinolzuur essent. vetzuur 130 mg / 4,5%
Chlorophyl (groen) 100 mg / 1,0%
Glycolipiden glycolipiden 200 mg / 5,2%
Carotenoiden (oranje) 37 mg / 0,37%
Sulfolipiden lipiden 10 mg / 1,5%
Polysaccharide koolhydraten+suiker 450 mg / 6,5%
Natuurlijke caretenoiden kleur: per 100g/ % totaal
Xanthophylles geel 22 mg / 0,22%
Caretenoiden oranje 25 mg / 0,25%
Mycoxanthophyl geel 9 mg / 0,09%
Beta-caroteen oranje 21 mg / 0,21%
Zeaxanthine geel 8 mg / 0,08%
Andere caretenoiden:
Cryptoxanthine geel 1,00 mg / 0,01%
Echineone geel 1,00 mg / 0,01%
Andere Xanthophylen geel 3,00 mg / 0,03%
oranje 47,0 mg / 47%

Diepgaande Informatie over Het Aanzuren van Drinkwater

Diepgaande Informatie over Het Aanzuren van Drinkwater

aanzuren drinkwater

U kunt nog iets extra’s doen voor de gezondheid van uw vogels door het drinkwater aan te zuren. Veel vogelliefhebbers hebben ontdekt dat het aanzuren van drinkwater aanzienlijke voordelen biedt en de gezondheid van de vogels zeker ten goede komt. De reden hiervoor is eenvoudig: bacteriën en/of micro-organismen gedijen slecht in een zuur milieu.

Normaal kraanwater heeft een pH-waarde (zuurgraad) van 7 tot 8. Het aanzuren van drinkwater is niet moeilijk. U kunt een zwak zuur (verdund zoutzuur, appelazijn of citroenzuur) aan kraan- of bronwater toevoegen om het een lagere zuurgraad (pH-waarde) te geven. Als u bijvoorbeeld 1,5 milliliter van een 10% zoutzuuroplossing* toevoegt aan 1 liter drinkwater, daalt de pH naar ongeveer 5,5. Bij deze zuurgraad wordt het aantal bacteriën met een factor 3000 verminderd.

Met citroenzuur* bereikt u hetzelfde resultaat met een dosering van 1 gram per liter drinkwater. Doordat de vogels het wat zuurdere water drinken, zullen ze niet alleen minder vatbaar zijn voor darminfecties, maar ook voor infecties aan de krop en slokdarm.

Dit alles leidt niet alleen tot een betere gezondheid, maar ook tot een algehele afname van het antibioticagebruik bij onze gevleugelde vrienden! Belangrijk: Let goed op de doseringen en controleer de sterkte van het zoutzuur. Er zijn namelijk sterkere varianten van zoutzuur op de markt die niet geschikt zijn voor dit doel!

Bereiding: Appelazijn Variant

Deze is het eenvoudigst te bereiden. Neem 10 milliliter appelazijn en vul aan met kraan- of bronwater (zonder koolzuur) tot 1000 milliliter (= 1 liter). Appelazijn is verkrijgbaar bij de supermarkt of reformwinkel. Houdbaarheid: Deze oplossing kunt u twee dagen in de koelkast bewaren.

Zoutzuur Variant

Neem 1,5 milliliter 10% zoutzuuroplossing. Vul aan met kraan- of bronwater tot 1000 milliliter (= 1 liter). Vraag in uw apotheek een doseerspuitje, zodat u de benodigde hoeveelheid zoutzuur gemakkelijk kunt opzuigen. Houdbaarheid: Deze oplossing kunt u één week in de koelkast bewaren. Zoutzuuroplossing 10% = acidum hydrochloricum dilutum (dit is een vloeistof, verkrijgbaar in de apotheek).

Citroenzuur Variant

Weeg 1 gram citroenzuur af en los dit op in 1 liter kraan- of bronwater. U kunt het citroenzuur zelf afwegen op een brievenweegschaal of dit door de apotheek laten doen. Houdbaarheid: Deze oplossing kunt u één week in de koelkast bewaren. Citroenzuur = acidum citricum (kristallen of poeder, verkrijgbaar in de apotheek). Doseerspuitje: Het onderstaande doseer- of injectiespuitje kunt u bij de apotheek kopen.

Voor- & Nadelen van het Aanzuren van Drinkwater

Het nadeel van het gebruik van antibiotica is dat het gifstoffen achterlaat in het vogellichaam en infecties door schimmels en gisten verergerd, die organen kunnen aantasten en later weer ziekten kunnen veroorzaken. Het overmatig gebruik van antibiotica is een van de redenen dat onze vogels vaak vroegtijdig sterven. Het toedienen van antibiotica breekt de weerstand van de vogel af. Het is belangrijk om de vogel zoveel mogelijk natuurlijke weerstand te laten opbouwen, zodat hij ziekten zelf kan bestrijden. Als dit niet mogelijk is, kan het zieke exemplaar nog steeds worden behandeld met antibiotica. Bij langdurig gebruik van ESB3 30% zijn er grote nadelen, zeker bij generaties lang en continu gebruik. Het breekt vitamine K (bloedstollingsvitamine) af, wat extra vitamine K nodig maakt. De vorming van de eischaal wordt geremd (dunne eischaal), en het bevruchtingspercentage daalt.

Het immuunsysteem van moderne mensen en dieren wordt vaak onvoldoende getraind, waardoor het niet optimaal kan functioneren. In de natuur is alles erop gericht ziekten te voorkomen, en vogels weten hier goed mee om te gaan. Omdat we de natuur niet kunnen nabootsen, zijn we genoodzaakt aanvullingen te doen aan ons eivoer en/of water om verschillende ziekten bij onze vogels te voorkomen, zoals het aanzuren van het drinkwater. We moeten echter onderscheid maken tussen sterke en zwakke zuren. Meestal wordt aan het water een zwak zuur toegevoegd, zoals appelazijn, molkosan (melkzuurconcentraat) of citroenzuur (conserveringsmiddel E330), met als doel het water een lagere zuurgraad (pH-waarde) te geven. Salpeterzuur en zoutzuur zijn sterk geconcentreerde zuren met een pH van 1-2 (zeer agressief). Voorzichtigheid is geboden bij gebruik, bijv. voor brandwonden op de huid. Een pH-waarde van 1-14 wordt gebruikt; hoe lager het getal, hoe zuurder. Drinkwater heeft over het algemeen een pH-waarde van 7-8, dit noemen we neutraal. Onder een pH van 7 is zuur en boven een pH van 7 is basisch.

Geef de voorkeur aan het toevoegen van medicinaal zoutzuur 10% verdunning, 1,5 ml op 1 liter water. Na langdurig gebruik van zoutzuur 10% met goede resultaten bij kanaries werd het aan Europese vogels gegeven, voornamelijk putters, een vogelsoort met een grote ziektegevoeligheid. Het gebruik draagt positief bij aan het welzijn van onze vogels, mits goed gedoseerd. U kunt het dagelijks zonder problemen geven, maar de meeste mensen beperken zich tot 3 dagen per week. Door het aanzuren van het drinkwater ondersteunt u de vertering van het opgenomen voedsel, omdat het de afgifte van diverse verteringssappen stimuleert, waardoor het opgenomen voedsel beter en sneller verteerd wordt. Dit noemen we de stofwisseling. U remt de groei van micro-organismen (ziekteverwekkende bacteriën) of doet de ontwikkeling ervan teniet, beginnend in de krop wanneer de vogel het aangezuurde drinkwater opneemt. Het werkt eetlustopwekkend, ontslakkend en weerstandsverhogend. Vogels die gewend zijn aan zoutzuur hebben minder last van coccidiose. Door het aanzuren van het drinkwater nemen vogels meer grit op, vermoedelijk omdat het grit onder invloed van zuur sneller oplost. Het belangrijkste is misschien dat zoutzuur een lichaamseigen stof is die door kleine kliertjes in de maag wordt afgescheiden. Het gebruik van ESB3 kan minder vaak worden toegepast of helemaal worden gestaakt. De gevreesde megabacterie (schimmel) krijgt mogelijk minder kans als de dosering wordt nageleefd. Het is echter geen garantie dat u ervan wordt gespaard. U kunt ook 1,5 ml zoutzuur / 1 liter water toevoegen om uw kiemzaad te laten weken, aangezien kiemzaad bij onjuiste kieming een bron van infectie kan zijn. Bij laboratoriumonderzoek was geen enkele bacterie of schimmel aanwezig in het water.

Het is waarschijnlijk dat in intensieve pluimvee- en varkensveeteeltbedrijven preventief geen antibiotica meer mag worden toegepast. Er is een middel (combimix) dat gecoate organische zuren bevat, zoals mierenzuur, propionzuur, azijnzuur, citroenzuur, melkzuur, ammoniumzuur en andere ingrediënten. Dit is een breedspectrum middel van verschillende organische zuren voor preventieve behandeling. Het product is volledig biologisch afbreekbaar; misschien is combimix het middel van de toekomst. In zaden kunnen ook organische zuren voorkomen, hoewel hier nog te weinig onderzoek naar is gedaan. Sesamzaad is een zaad waarvan dit is vastgesteld. Sommige vogelliefhebbers voegen kwark of caseïne toe aan hun eivoer (pH +/- 5.5); dit is ook een geschikt middel om de pH-waarde te verlagen. Gemiddelde zuurwaarde in het spijsverteringskanaal:

Zuurwaarde PH

Werkzaame enzymen

Krop

4,5

amalyse, portease

Kliermaag

2,3

aanmaak enzymen zoals pepsinogeen

Spiermaag

1,5 – 2

pepsine (intrisic factor)

Dunne darm

4 – 6

trypsine, gal met galzuren taurocholzuur en glycocholzuur

Zoutzuur 10%

2

Appelazijn puur

4,3

Coca Cola

4

Waarom is het nodig om bepaalde middelen aan onze vogels te geven?

Vogels in de natuur halen essentiële stoffen, zoals zuren, uit hun omgeving voor een goede gezondheid. Veel van deze stoffen stimuleren de productie van maag- en darmsappen maximaal, wat zorgt voor een gezonde stofwisseling. Helaas kunnen we de natuur niet exact nabootsen, maar we kunnen onze vogels wel een goed natuurlijk alternatief bieden. Als u overweegt om het drinkwater aan te zuren, is het verstandig om te beginnen met een dosering van 1 ml per 1 liter water, gedurende 5 dagen per week, met 2 dagen gewoon kraanwater, dit voor een periode van 2 weken. Daarna kunt u overgaan op 1,5 ml per 1 liter water, bijvoorbeeld op vrijdag, zaterdag en zondag. In het begin kunnen uw vogels enkele dagen wat dunne ontlasting hebben, maar dit gaat vanzelf over, het vogellichaam moet er even aan wennen.

PH-waarden (1 soeplepel is 10 ml):

  • 1,5 ml appelazijn op 1 liter water = PH 7.2/7.3
  • 5 ml appelazijn op 1 liter water = PH 6
  • 10 ml appelazijn op 1 liter water = PH 5.5
  • 20 ml appelazijn op 1 liter water = PH 5.2
  • 30 ml appelazijn op 1 liter water = PH 5
  • 50 ml appelazijn op 1 liter water = PH 4.8

Bij een PH van 5 is het water zo zuur dat uw vogels het mogelijk minimaal of helemaal niet zullen opnemen. U zou appelazijn puur moeten geven om de PH-waarde van de krop te evenaren.

PH-waarden van zoutzuur 10% medicinaal:

  • 1 ml op 1 liter water ≈ PH 4.8
  • 1,5 ml op 1 liter water ≈ PH 4.2
  • 2 ml op 1 liter water ≈ PH 3.9
  • 2.5 ml op 1 liter water ≈ PH 3.6

Het keerpunt van de zuurgraad ligt bij ongeveer 3.2 PH. Dit betekent dat ongeacht hoeveel zoutzuur we nog aan het water toevoegen, de PH-waarde niet lager kan worden. U kunt ook zoutzuur 1 N (neutraal) geven, 6 ml op 1 liter water (10-14 dagen). Bij stress wordt er minder maagzuur geproduceerd, waardoor vogels vatbaar worden voor ziekten. Tijdens het kweekseizoen kunt u gedurende 3 dagen achter elkaar zoutzuur 10% geven, en in de rustperiode 2 dagen per week achter elkaar. Voordat het kweekseizoen begint, geeft u uw vogels 2 dagen per week paardebloemextract, en tijdens de rustperiode 2 dagen per week brandnetelextract. Voer uw vogels dagelijks gezond voedsel volgens dit schema, en ze zullen stralen van gezondheid. Deze voedingsmethode is gebaseerd op het opbouwen van weerstand op een vogelvriendelijke wijze. Antibiotica kunnen nooit de natuurlijke weerstand van uw vogels opbouwen. Met een goede weerstand kunnen vogels zelfs virussen overwinnen en antistoffen opbouwen, iets wat met antibiotica niet gebeurt. Het is van belang dat uw vogels voldoende weerstand kunnen opbouwen om te voorkomen dat ze ziek worden.

De verschillende micro-organismen gedijen het best bij verschillende PH-waarden. E.coli, natte nesten en salmonella groeien het best bij een PH van 6-7.5. Deze bacteriën kunnen zich niet ontwikkelen in een zuur milieu. Een effectieve manier om deze pathogene bacteriën te bestrijden, is door de PH in het drinkwater te verlagen. Het ideale PH-bereik voor de groei van micro-organismen is:

 

Organismen

Minimaal

Optimaal

Maximaal

bacterie

3,0 – 4,0

6,0 – 7,5

9,0 – 10,0

gist

2,0 – 3,0

4,5 – 5,5

7,0 – 8,0

schimmel

1,0 – 2,0

4,5 – 5,5

7,0 – 8,0

Bron: Wout Van Gils & Paul van der Vliet

De eitjes.

eitjes kanarie

De Eitjes – Met Dank aan Hr Albrechts

Normaal gesproken legt de vogel één ei per dag, en het broeden begint zodra het laatste ei gelegd is. De eitjes komen na ongeveer 13 dagen uit, afhankelijk van de vogelsoort. Een handig hulpmiddel hiervoor is een broedkalender. Vogels leggen doorgaans tussen de 1 en 6 eieren. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden, zodat het vrouwtje kan eten en drinken.

Als de eitjes bevrucht zijn, veranderen ze na een week van kleur. Als je dit niet ziet gebeuren, is het raadzaam de eitjes te schouwen. Gebruik hiervoor een schouwlampje of een klein zaklampje. Schijn het licht in het ei en kijk of je kleine rode adertjes ziet die zich vanuit de kiem aan de rand van de dooier verspreiden. Onbevruchte eitjes zijn doorschijnend. Je kunt ook het kleine kloppende hartje van het embryo zien wanneer je kijkt naar een klein rood puntje dat snel op en neer gaat. Na 7 dagen wordt het ei binnenin donkerrood, en kun je het embryo niet meer zien.

Gooi geen eieren weg die onbevrucht lijken; mogelijk zit de vogel nog niet zo lang te broeden als je denkt. Onbevruchte eieren kunnen verschillende oorzaken hebben, waaronder het feit dat de vogels niet in de juiste broedconditie verkeren. Het is essentieel dat beide vogels broedrijp zijn, wat te zien is aan een glad en schoon verenpak, geen vuile poten of veren rond de stuit, en heldere ogen. Het mannetje zal zingen, en beide vogels mogen niet te vet zijn. Tevens kunnen leeftijd, gebrek aan rustperiode, gebrek aan vitamines, ongeschikte zitstokken, of eerdere koppelingen aan andere vogels mogelijke oorzaken zijn.

Erfelijke oorzaken moeten ook in overweging worden genomen, vooral bij het kweken naar standaarden en het ontwikkelen van nieuwe mutaties. Let op erfelijke eigenschappen zoals bevedering en structuur, die waardevol kunnen zijn voor de kweek maar ook problemen kunnen veroorzaken. Te weinig lichturen per dag en te lage temperaturen kunnen eveneens invloed hebben op de vruchtbaarheid van de vogels.

Voor optimale kweekresultaten is het belangrijk om de vogels langzaam naar een broedcyclus te brengen, met 1 extra uur licht per dag tot een totaal van 15 à 16 uur, en deze verlichting stabiel te houden (gebruik een tijdklok). Een goede zaadmengeling, kwalitatief eivoer met natuurlijke vitaminen, grit, regelmatige toegang tot badwater en dagelijks schoon drinkwater zijn ook cruciaal.

Wout van Gils

 

 

eiontwikkeling

Piel Negra (Zwarthuid kanarie)

Piel negra

 

 

 

 

 

 

 

zwarthuid 1

Samenstelling van zaden.

Verschillende Zaden in Vogelvoeding

Maanzaad, negerzaad, raapzaad, lijnzaad, hennepzaad, zonnepitten en koolzaad behoren tot de groep vetrijke zaden. Een kwalitatief zaadmengsel voor vogels dient hoofdzakelijk uit gierst, millet en kanariezaad te bestaan. Vooral kanariezaad is van groot belang in de zaadmengsels. Tijdens de winterperiode is het ook essentieel dat het mengsel enkele procenten aan vetrijk zaad bevat.

Gepelde haver, beschikbaar gesteld tijdens de kweek, kan van betekenis zijn omdat het de paardrift stimuleert. Gepelde haver bevat ook extra mangaan, hoewel het toevoegen van mineralen aan het eivoer een betere en goedkopere bron van mangaan kan zijn. Ongepelde rijst (paddy) wordt verstrekt vanwege de rijkdom aan vitamine B. Gras- en klaverzaden zijn gunstig in het zaadmengsel. Grondnoten (pinda’s) kunnen in beperkte mate worden gegeven, hoewel ze het giftige alfatoxine bevatten, maar rijk zijn aan vitamine K.

Raapzaad of koolzaad is gunstig tijdens de koude periode, waarbij koolzaad wat moeilijker te pellen is dan raapzaad. Lijnzaad moet ook beperkt worden gegeven tijdens de koude periode, waarbij ongeveer 2% in het zaadmengsel tijdens de ruiperiode goed volstaat. Hennepzaad kan ook beperkt worden gegeven; enkele zaadjes tijdens de kweektijd kunnen gunstig zijn.

Blauwmaanzaad moet vooral beperkt worden tijdens de kweek- en ruitijd, omdat het verstopping kan veroorzaken. Negerzaad bevat, net als haver, extra mangaan, wat gunstig kan zijn tijdens de kweekperiode.

Zonnepitten hebben als voordeel dat het eiwit een gunstige aminozuursamenstelling heeft.

Wout van Gils

De samenstelling van zaad

Zaadsoort Eiwit Koolhydraten Vetten
Koolzaad   14 16 31
Hennepzaad  16.2 15.8 32.5
Lijnzaad 23 17.5 40.8
Millit 15 60.4 5
Negerzaad  17.4 17 32.5
Witzaad  13.5 50.8 5
Zomerraapzaad 19 10.4 40.2
Haver  12 60 5
Blauwmaanzaad 21 50
Gierst 14 5
Zonnebloempitten 15 29.8

Quinoa zaad.

Quinoa

Samenstelling van Quinoa Zaad

Quinoazaad is omhuld met een coating die saponines bevat, een groep glycosiden met een bittere smaak. Deze componenten maken het zaad minder aantrekkelijk voor vogels. Voor consumptie moeten de saponines worden verwijderd (Coulter et al, 1990).

De samenstelling van rauwe quinoa is ongeveer als volgt:

  • Eiwit: 15%
  • Vet: 6%
  • Zetmeel: 60%
  • As: 4%
  • Vezel: 3%
  • Water: 12%

In vergelijking met andere granen is quinoa rijk aan eiwit, vet, as en vezels.

Quinoa: Het Graan van de Toekomst?

Eigenlijk mogen de kleine, plat-ronde, geel-witte zaadjes geen ‘graan’ heten; quinoa is een andere naam voor gierstmelde en behoort tot de familie van de suikerbiet. Al 5000 jaar voor het begin van onze jaartelling werd quinoa verbouwd op de hoogvlaktes van de Andes door de Inca’s. Het werd vooral gegeten als aanvulling op aardappelmaaltijden. De oude Inca’s hadden het blijkbaar niet slecht gezien, want toen NASA op zoek was naar geschikt voedsel voor astronauten, kwam quinoa al snel op het menu.

In Nederland is quinoa nog vrij onbekend, hoewel supermarkten en natuurvoedingszaken het inmiddels aanbieden. In Amerika groeit het verbruik snel, passend bij de gezondheidstrend.

Quinoa is uiterst voedzaam. De korrel bevat veel hoogwaardige aminozuren en bevat ook veel industrieel bruikbaar zetmeel. Dit zetmeel kan dienen als vetvervanger in slasauzen of bijvoorbeeld als smaakversterker in vla.

Wout van Gils

Reactie op de entstof

kan enten

Laatste Update over het Vaccin voor Kanaries, door Constant van Santen

Onlangs heb ik contact opgenomen om te informeren wanneer de laatste productie van Poulvac P Canary beschikbaar komt in Nederland. Er wordt nog een bericht verwacht.

Het product zal volgens de Cascade-regeling in Nederland beschikbaar worden gesteld. Omdat het een vaccin is, zou het officieel door een dierenarts aan het dier moeten worden toegediend. Echter, er is een afwijkend artikel in de wetgeving dat de dierenarts het product aan de eigenaar van het dier mag verstrekken, maar dan blijft het onder de verantwoordelijkheid van de dierenarts. Volgens de wetgeving kunt u dus zelf enten.

Wij zijn momenteel in overleg met het Bureau Diergeneesmiddelen om Poulvac P Canary op een meer toegankelijke manier in Nederland beschikbaar te krijgen. De resultaten van deze contacten zullen zeker niet dit jaar worden bereikt.

Mocht Poulvac P Canary beschikbaar komen, dan zullen wij u hiervan op de hoogte stellen.

Met vriendelijke groet,

Constant van Santen.


Kanarie Vaccinatie – 8 november 2012

Vandaag, 6 november 2012, ontvingen wij het bericht dat het vaccin tegen Pokken bij Kanaries en andere vinkachtigen beschikbaar is. Op dit moment is POULVAC beschikbaar in België.

Het is belangrijk om te weten dat het geen Nederlands product is en officieel niet in grotere hoeveelheden naar Nederland geïmporteerd kan worden. Elke geïnteresseerde vogelliefhebber kan naar zijn of haar dierenarts gaan en vragen naar het vaccin POULVAC. De dierenarts kan het vervolgens via de Cascade-regeling bij de AUV in België bestellen.

In België is het te koop, maar met verzending en rekening houdend met vooruitbetaling voor verzending naar Nederland zal het aankoopbedrag hier zeker hoger liggen dan in België. Houd daar alvast rekening mee.

Verdere inspanningen met betrekking tot de registratie in Nederland zullen zeker worden voortgezet.

Groeten,

Bart Braam.

Nieuws over de entstof

pokken spuit

Nieuws over de entstof

Beste allemaal,

In de afgelopen periode hebben we opnieuw contact gehad met Pfizer, de registratiehouder in Nederland, over de Canary Poulvac P, de vaccinatie voor kanaries. Op basis van deze contacten zijn we verplicht u het volgende te melden:

Canary Poulvac P is enkele jaren geleden uit de registratie in Nederland gelopen. Tot dat moment had dit product een Nederlandse registratie volgens de diergeneesmiddelenwet. Na die tijd is het, voor zover ons bekend, geproduceerd via een interim-regeling. Vervolgens kreeg Canary Poulvac P een Belgische registratie, en volgens de informatie van Pfizer is het product geen UDA maar een UDD-product geworden.

Een UDA-product is een diergeneesmiddel dat door de dierenarts aan de klant mag worden verstrekt, zodat deze het zelf aan het dier kan toedienen. Een UDD-product is een diergeneesmiddel dat niet door de dierenarts mag worden verstrekt en dat de dierenarts zelf aan het dier, in dit geval onze kanaries, moet toedienen.

In het verleden vormden kanariefans een groep om collectief Canary Poulvac P bij de dierenarts in te kopen, wat resulteerde in een gunstigere prijs. Deze gezamenlijke inkoop is nu niet meer mogelijk, en vaccinaties moeten officieel door de dierenarts worden uitgevoerd. Een dierenarts die in de toekomst Canary Poulvac P afgeeft, overtreedt de regels, en klanten die het product willen afnemen en op de hoogte zijn van deze regel, kunnen medeplichtig worden gesteld.

Hoewel er veel verhalen circuleren, kunnen wij geen verantwoordelijkheid nemen voor uitspraken zoals het mogelijke soepele beleid van Belgische dierenartsen. Over het algemeen wordt gesteld dat de toepassing van de wet en de controle daarop in Nederland strikter plaatsvindt.

Pfizer heeft de fabriek in Weesp moeten sluiten, waardoor de productie van Canary Poulvac P naar een andere fabriek is verplaatst, naar ons bekend is, naar de Verenigde Staten. Pfizer verwacht niet dat de beschikbaarstelling van Canary Poulvac P soepeler zal verlopen dan vorig jaar en dat het zeker niet eerder beschikbaar zal zijn. Dit betekent dat, wanneer het product beschikbaar komt, het ministerie eerst toestemming moet geven om het onder de Cascade-regeling in Nederland te laten vallen, zodat een niet in Nederland geregistreerd product toch beschikbaar kan worden gesteld uit het buitenland, indien nodig in het belang van het dier.

Als gevolg hiervan verwachten we dat Canary Poulvac P pas in de loop van juni via de dierenarts beschikbaar komt. Ter voorbereiding hierop wil ik u waarschuwen dat het vaccineren door een dierenarts niet eenvoudig zal zijn. De risico’s die we ervaren bij het vaccineren met betrekking tot sterfte door stress en mogelijk gebroken vleugels, zullen bij een dierenarts zeker niet minder zijn. Dit zijn aansprakelijkheden van de dierenarts die niet kunnen worden uitgesloten, zelfs als er een verklaring wordt ondertekend.

De dierenarts zal echter, bij gebrek aan voldoende vaccinreactie, de vogels opnieuw moeten vaccineren. Naar onze mening is dat een handeling waarvoor de dierenarts geen vergoeding kan ontvangen. Hoe u verdere afspraken met de dierenarts maakt over de vaccinatie van uw vogels, is een overeenkomst tussen u en uw zorgverlenende dierenarts.

Vertrouwend erop dat we u voldoende hebben geïnformeerd, verblijf ik met vriendelijke groet,

Constant van Santen.

Wat meer over Ornitrose.

ornitrose

Oorzaken: Ornithose. (ingezonden)

De meest bekende en veelvoorkomende ziekte bij duiven is ornithose, wat letterlijk ‘vogelziekte’ betekent. Deze ziekte is al lange tijd bekend en treft niet alleen duiven maar ook diverse andere vogelsoorten. Ornithose wordt veroorzaakt door een virus. Tegenwoordig spreekt men van het ornithose-complex, omdat is gebleken dat niet alleen dit virus (dat nu de naam Chlamydia heeft gekregen), maar ook bacteriën en mycoplasma medeverantwoordelijk zijn voor ontstekingen en veranderingen van de slijmvliezen van ogen, neus, keel en darmen. De ziekte is niet dodelijk. Als duiven in een goede omgeving worden gehouden (warm en zonder tocht), zullen ze vanzelf herstellen. Omdat dit echter vier dagen tot drie weken kan duren, kunnen jonge duiven dit langzame herstel niet afwachten tijdens het vliegseizoen, omdat ze dan de aansluiting op verdere vluchten missen. Oude duiven die lijden aan het ornithose-complex worden natuurlijk thuisgehouden omdat ze geen goede conditie hebben en niet in vorm zijn. Het ornithose-complex staat ook bekend als de verkoudheid van duiven, omdat de symptomen lijken op een verkoudheid bij mensen, hoewel de veroorzaker heel anders is.

Het ornithose-complex wordt veroorzaakt door verschillende ziekteverwekkers samen (verschillende bacteriën en virussen) die normaal gesproken in elk duivenhok voorkomen en meestal geen kwaad doen. Wanneer duiven echter onder stress komen (dit wordt stress genoemd), kan de duif ziek worden en lijden aan het ornithose-complex. Bijvoorbeeld na een vermoeiende reis, slechte voeding, een vochtig en koud hok of blootstelling aan tocht. Ook kan de duif al lijden aan een andere ziekte (wormen, coccidiose, enz.). Maar ook, en dit is heel belangrijk, kan de duif ziek worden als er te veel van deze ‘normaal’ voorkomende ziekteverwekkers aanwezig zijn. Dit kan gebeuren als er al duiven in het hok aanwezig zijn die lijden aan het ornithose-complex.

Het eerste teken dat een duif lijdt aan het ornithose-complex is verminderde vlieglust. Dit is niet specifiek voor deze ziekte; bij bijna alle ziekten zal dit merkbaar zijn. Naarmate de ziekte vordert, wordt de ademhaling bemoeilijkt; duiven zijn snel vermoeid en hijgen bij de geringste inspanning met open snavel.

Ziektebeeld

De eerste duidelijke afwijking is te zien aan de ooglidranden; de witte (of lichtroze kleur) wordt dan grijs tot bruin, en de randen worden dikker. De oogbol, die normaal glanst en enigszins vochtig is, wordt troebel. Omdat de afvoerbuis, die overtollig oogvocht afvoert, verstopt is, zal het vocht als tranen uit het oog stromen en onder het oog een natte, ontstoken plek veroorzaken. Bij ernstig zieke duiven kan het bovenste ooglid aan het onderste ooglid verkleven. De neusdoppen, normaal krijtwit, worden grijzer van kleur en lijken ook vochtig. Het neusslijmvlies is ontstoken, wat resulteert in neusuitvloeiing. Duiven zullen ook gaan niezen. Door de irritatie die de ontstoken slijmvliezen veroorzaken, zal de duif aan de kop krabben. De snavel is meestal iets geopend omdat de ademhaling bemoeilijkt wordt door de verdikte slijmvliezen van neus, keel en luchtpijp. Bij langdurige ziekte kunnen de ontstekingen in de luchtpijp zo ernstig zijn dat er een vernauwing ontstaat die bij elke ademhaling een geluid produceert dat ‘reutelen’ wordt genoemd. Door ontsteking van de darmen is de ontlasting vaak niet meer vast, maar dun. De duif is ziek en zal ‘bol’ gaan zitten, er wordt geen dons meer uitgegooid.

Samengevat zijn de symptomen van het ornithose-complex verminderde vlieglust, donkere, dikke of samengeklonterde oogleden, veel vocht op de oogbol, donkere neusdoppen met mogelijk neusuitvloeiing, niezen, moeizame ademhaling met reutelen en soms dunne ontlasting. Sommige liefhebbers zetten hun duiven graag in één mand zonder duiven van andere liefhebbers, wat begrijpelijk is. Tocht is ook een omstandigheid waardoor de ziekte snel kan optreden. Soms zien we dat de afwijkingen aan ogen en neusdoppen aan één kant voorkomen, bij verschillende duiven in één hok, allemaal aan dezelfde zijde van de kop. Blijkbaar is er dan tocht (door verkeerde luchtopeningen) in dat hok. De Engelsen noemen deze ziekte terecht ‘verkoudheid aan één oog’ (the one eye cold).

Overbrenging

Het ornithose-complex is besmettelijk, wat betekent dat een zieke duif andere duiven ziek kan maken doordat de verschillende ziekteverwekkers, de bacteriën, enz., van de zieke naar de nog gezonde duif gaan. Dit kan gebeuren via drinkwater, het opnemen van besmette ontlasting, maar ook via de lucht. In een duivenhok waarin één of meerdere duiven lijden aan het ornithose-complex, zullen die zieke duiven de andere besmetten. Meestal zit er enkele dagen tussen het besmet raken en het uitbreken van de ziekte; zo kan het gebeuren dat de eerste zieken alweer beter zijn terwijl andere duiven juist symptomen gaan vertonen. Een gezonde postduif heeft een redelijke weerstand tegen het ornithose-complex. Als de omstandigheden van de duiven echter niet optimaal zijn (bijvoorbeeld te veel duiven in één hok, slechte voeding, tocht in het hok, sterke vermoeidheid, enz.), zullen de duiven vatbaarder zijn voor deze ziekte. Jonge duiven zijn gevoeliger voor het ornithose-complex dan oudere vogels die blijkbaar weerstand hebben opgebouwd. Elk jaar, na de 2e of 3e vlucht (jong of oud), zien we de meeste ornithosepatiënten. Ze zijn waarschijnlijk tijdens het transport besmet en hebben een vermoeiende vlucht gehad, waardoor ze bijzonder vatbaar zijn voor deze ziekte. Jonge duiven zijn bijzonder gevoelig voor het ornithose-complex. De meeste verliezen zijn, afgezien van de weersomstandigheden, grotendeels te wijten aan het ornithose-complex. Veel jonge duiven worden ingekorfd in een toestand waarvan men nog niet kan zeggen ‘deze duif is ziek’, maar toch wel zo dat zo’n duif geen kans heeft op een behoorlijke vlucht. Zulke duiven zijn dan een gevaar van besmetting voor andere duiven, zeker wanneer er te veel duiven in één mand zitten, de temperatuur en vochtigheid te hoog zijn en het om langere transporten gaat.

Voorkomen

Ondanks dat we nog niet alles over deze ziekte weten, weten we wel hoe we deze ziekte moeten voorkomen. De eerste maatregelen zijn: niet te veel duiven bij elkaar in een te kleine ruimte, een goed geventileerd hok en een even goed geventileerd transportmiddel. Verder is goede hygiëne belangrijk, dus een schoon hok en een schone auto. Regelmatig ontsmetten met bijvoorbeeld Koudijs droogontsmetter. Vochtige, klamme lucht versnelt de verspreiding van de ziekte. Het blijkt ook dat jongere duiven die worden geplaatst bij oudere duiven gevoeliger zijn en dus sneller ziek kunnen worden. Daarom is het sterk aan te bevelen om nooit andere jongere duiven (of duiven uit een ander hok) tussen de jonge duiven te plaatsen. Dit is een veelvoorkomende fout die wordt gemaakt. Jonge duiven zullen dan besmet raken en (soms niet eens zichtbaar) gaan lijden aan het ornithose-complex, met als gevolg matige tot slechte prestaties en grote verliezen. Zorg er dus voor dat u één ronde jonge duiven in het jonge duivenhok hebt, zonder latere toevoegingen, zelfs als het bijzonder goede duiven zijn.

Behandeling

Het behandelen van de ziekte kan op twee manieren gebeuren: door medicatie en door rust en warmte. Duiven die lijden aan het ornithose-complex kunnen worden behandeld met een injectie (bijvoorbeeld met antibiotica) of met een kuur waarbij het geneesmiddel aan het drinkwater wordt toegevoegd. Inenten tegen het ornithose-complex is niet mogelijk. Er zijn echter medicijnen die de aandoening goed bestrijden; injecties, een kuur via het drinkwater, en eventueel een oogpoeder. Deze medicijnen zijn antibiotica en mogen alleen worden gebruikt of voorgeschreven door een dierenarts. Als liefhebbers elk jaar te maken hebben met het ornithose-complex, wordt aan de dierenarts gevraagd om hun duiven voor het vliegseizoen te behandelen (dus niet enten) tegen ornithose. Doordat dan veel ziekteverwekkers worden gedood, is de kans kleiner dat deze duiven in de eerste periode last krijgen van het ornithose-complex.

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils

Meer over het ei.

De Eitjes. Met dank aan Hr Albrechts.

Normaal gesproken legt de vogel één ei per dag, en het broeden begint zodra het laatste ei is gelegd. De eitjes komen na 13 dagen uit, afhankelijk van de vogelsoort. Een handig hulpmiddel hiervoor is een broedkalender. Vogels leggen doorgaans 1 tot 6 eieren. De pop broedt meestal, maar de man kan ook broeden, zodat de pop kan eten en drinken. Bevruchte eitjes worden na een week donker van kleur. Als je niet kunt zien dat de eitjes donker worden, moet je ze schouwen. Gebruik hiervoor een schouwlampje of een klein zaklampje. Schijn met het lampje in het ei en kijk of je kleine rode adertjes ziet die zich vanuit de kiem aan de rand van de dooier verspreiden. Onbevruchte eitjes zijn doorschijnend. Je kunt ook het kleine hartje van het embryo zien kloppen wanneer je kijkt naar een klein rood puntje dat snel op en neer gaat. Na 7 dagen is het ei binnenin donkerrood en kun je het embryo niet meer zien. Gooi geen eieren weg die onbevrucht lijken; mogelijk broedt de gel nog niet zo lang als je denkt. Onbevruchte eieren kunnen verschillende oorzaken hebben:

  • De pop en man zijn niet in broedconditie. Het is de taak van de kweker om te zien dat beide vogels broedrijp zijn, met een glad en schoon verenpak, geen vuile poten of stuitveren en heldere ogen. Het mannetje zal zingen. De pop en de man mogen niet te vet zijn.
  • De vogels zijn te jong. Ze moeten een rustperiode hebben gehad, vogels van tentoonstellingen komen vaak vermoeid terug, evenals pas aangekochte vogels.
  • Een gebrek aan vitamines kan ook een oorzaak zijn.
  • Te dunne, losse of te hoog geplaatste zitstokken kunnen ook onbevruchte eieren veroorzaken omdat de pop zich niet goed kan vasthouden tijdens de paring.
  • Het kan zijn dat de vogels al gekoppeld zijn aan een andere man of pop; dit kun je vaststellen door te luisteren naar de lokroep van de pop en het antwoord van de steeds reagerende man.
  • Erfelijke oorzaken spelen ook een rol; door te kweken naar de standaard en het creëren van nieuwe mutaties kunnen natuurlijke eigenschappen verloren gaan.
  • Vogels met een lange bevedering en goede structuur zijn waardevol voor de kweek, maar deze bevedering kan ook in de weg zitten bij het paren. Om dit te voorkomen, moeten de pluimpjes rond de stuit voorzichtig worden uitgetrokken, niet weggeknipt.
  • Te weinig lichturen per dag kunnen de kweekresultaten beïnvloeden. De vogels hebben een dagritme van 15 à 16 uur licht per dag nodig.
  • Vogels kunnen ook te koud zitten. Voor optimale kweekresultaten moeten de vogels langzaam naar een broedcyclus worden gebracht met 1 lichtuur per dag tot 15 à 16 uur, en hierna mag hier niets meer aan worden veranderd (tijdklok). Een goede zaadmengeling, hoogwaardig eivoer aangevuld met natuurlijke vitaminen, grit, regelmatig badwater en dagelijks schoon drinkwater zijn essentieel.

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils

 

 

 

 

 

 

Bio ritme.

Bio Ritme

Naar aanleiding van uw schrijven, Hr J.P.M Graafmans, wil ik graag reageren op de punten die u heeft aangehaald. Allereerst felicitaties voor het introduceren van het onderwerp “Bio-Ritme” tijdens uw vergaderingen; dit zal ongetwijfeld de vergaderingen interessanter en leerzamer maken. Wat betreft de gestelde vragen in uw brief, kan ik op dit moment geen volledig antwoord geven. Ik heb de Bio-Ritme theorie nog niet volledig toegepast en bestudeerd.

Hoewel ik destijds het artikel heb doorgenomen en daarin veel punten herkende die ik al toepas in mijn kanariekweek, heb ik de theorie niet grondig onderzocht.

Enkele van deze toegepaste principes zijn:

  1. Begin jaarlijks op dezelfde periode met kweken.
  2. Let goed op de leeftijd van vogels, geboortedatum en erfelijkheid.
  3. Koppel de vogels inderdaad na ongeveer 7 dagen.
  4. Zorg goed voor jongen uit koppels met regelmatig bevruchte eieren, laat ze groeien zonder te plukken, etc.
  5. Het bijhouden van een gedetailleerd kweekboek is van groot belang.
  6. Bereid goed voor met de juiste voeding en het instellen van de lichturen.

Hoewel ik de Bio-Ritme theorie niet volledig toepas zoals beschreven, kan ik me er wel in vinden. Ik moet echter benadrukken dat voeding, gezondheid, conditie en het instellen van de lichturen ook een belangrijke rol spelen, zoals altijd het geval is.

Bij mij beginnen de poppen met leggen voor de tweede ronde rond dag 36 tot 40. Dit komt doordat ik de jonge vogels na ongeveer 18 dagen op de bodem van de kooi plaats en de ouders op de oude locatie een nieuw nest geef. Dit heeft voordelen, waaronder het verminderen van verenpikken en een goede bevruchting.

Op de vraag of deze theorie ook bij andere vogels zou gelden, kan ik geen bevestigend antwoord geven omdat ik de theorie wel heb gelezen maar niet volledig toepas.

Conclusie:

Het onderwerp Bio-Ritme is interessant, maar veel genoemde zaken zijn normaal bij het kweken van vogels. Het streng selecteren, een goede administratie en het gebruik van geboortedatums zijn belangrijk, naast de juiste voeding, gezondheid en voorbereiding. Het beheersen van Bio-Ritme is niet alleen voldoende; andere genoemde aspecten zijn ook cruciaal. Mijn persoonlijke selectiecriteria omvatten bevruchting, nestgrootte, goed voeren, groei, vorm, kleur en grootte.

Ik ben het eens met Hr Graafmans dat we wat langer zitten dan de dagen die Hr Coster opgeeft, vooral wat betreft de paring, die volgens mijn ervaring tussen de 4 en 9 dagen voor het leggen van de eieren plaatsvindt.

In conclusie benadruk ik dat het noteren in een kweekboek essentieel is, zoals Hr Coster ook aangeeft. Theorie en praktijk zullen altijd verschillen, maar uitzonderingen bevestigen de regel. “Verander nooit een winnend elftal,” maar bouw wel een ander elftal op, waarbij de Bio-Ritme Theorie je zeker kan helpen.

Hr Coster

Wout van Gils

E-mail uit New zeeland.

 

Rood mozaïek type 2 d

Bernard Reinen (Nieuw-Zeeland)   31-08-2012 Ontvangen.

Heeft onlangs onze goede vriend Wout van Gils in België bezocht. Wout is een man die al zijn energie, hart en ziel in de bevordering van de Kanarie hobby en kweek in al zijn facetten heeft gestopt. En tevens heeft hij door het delen van zijn rijkdom aan kennis met allen en iedereen een grote bijdrage geleverd aan de verbreiding en instandhouding van onze hobby. Bernard was een beetje treurig omdat er zoveel van de gekleurde Kanaries die we proberen te kweken bij hun gewoon in Nederland en België in overvloed voor liefhebbers beschikbaar zijn. Hij vond het ook onwaarschijnlijk dat we ooit deze rijkdom aan vogels zouden kunnen importeren naar Nieuw-Zeeland en Australië. Ik besloot om een opsomming te maken van welke bedragen hier dan mee gemoeid zouden zijn. Zelfs als Biosecurity Australië vandaag de invoering van deze vogels zou goedkeuren dan zouden de kosten ervan enorme gevolgen hebben. Huidige vergoedingen voor quarantaine op Australisch grondgebied alleen al zouden oplopen tot $17.000 voor een zending van één enkele Kanarie. Een zending van 200 Kanaries zou iets meer voordeel opleveren, want dat zou ongeveer $33.000 moeten kosten. Echter, als één van de vogels sterft zou er een sterke kans bestaan dat de hele zending zal worden vernietigd. Als er zeventig procent kans is dat één van de vogels zou sterven, dan zou dat de kosten van de te isoleren 200 vogels dichter bij $100.000 brengen, oftewel zouden de kosten $500 per vogel bedragen! Verder dient er nog rekening te worden gehouden met bijkomende kosten met betrekking tot de aankoop van de vogels, de vrachtkosten, de tijdelijke huisvesting en dan ook nog de kosten voor de beoordeling door bioveiligheid alsmede de kosten van diensten in het land van oorsprong, zoals zijnde de pre-quarantaine. Geen wonder dat de smokkel van deze vogels naar Australië en Nieuw-Zeeland zo lucratief is. Dat komt mede door de invoering van de PMV-1, dat maakt het praktisch onmogelijk om aan vogels te kunnen komen via import. We staan er werkelijk helemaal alleen voor.

Sportieve groeten, Herman Kamp.

Importing Canaries

Bernard Reinen (New Zealand) has recently visited our dear friend Wout van Gils in Belgium – this I had also heard from Wout himself – a man who has poured his heart and soul into promoting the canary fancy in Europe and beyond by sharing his wealth of knowledge with all and sundry. Any way Bernard was ruefully pointing out how some of the coloured canaries that we are trying to breed are readily available in their hundreds in Holland – a “land of plenty” for bird fanciers. He also considered it unlikely that we would ever be able to import birds into New Zealand and Australia again. I decided to do some sums. Even if Biosecurity Australia were to approve the general imports of birds today the cost implications would be formidable. Present fees for quarantine on Australian soil alone would amount to $17,000 for a consignment of one single canary. A consignment of 200 canaries would attract large economies of scale and cost $33,000. However, if one of the birds died there would be a strong chance that the whole consignment would be destroyed. If there is a seventy percent chance of one of the birds dying, the cost of quarantining 200 birds would be closer to $100,000 or $500 per bird! There are further charges to be taken into account – purchase of birds, freight, lodgment/assessment by Biosecurity as well as the cost of pre-quarantine services in the country of origin. Little wonder that bird smuggling into Australia has become so lucrative and sadly exemplified by the introduction of PMV-1. We truly are on our own.

Sportive greetings, Herman Kamp.

 

De Konyx Stef Smeets @ – 1

Konyx

De Konyx, een nieuwe kleur die nog niet erkend is bij onze kleurkanaries

Het combineren van verschillende factoren en/of mutaties in één vogel is al jaren aan de gang. Zolang we vogels kweken, zullen er liefhebbers zijn die nieuwe verschijningsvormen willen creëren. Maar altijd moet de vraag worden beantwoord: “Is deze nieuwe kleur echt een aanwinst voor onze hobby?” De Konyx is zo’n nieuwe kleur, waarbij ik doel op een onyx met de kobaltfactor. In het verleden zijn vaak nieuwe kleuren gekweekt die niet werden opgenomen in vraagprogramma’s omdat ze niet mooi waren of onvoldoende herkenbaar. Een andere reden was dat het combineren van twee mutaties in één vogel niet werd geaccepteerd omdat daardoor de bestaande kleuren niet meer zuiver zouden zijn. Maar als we teruggaan in de tijd, moeten we concluderen dat we ongeveer 100 jaar lang niets anders hebben gekweekt dan met mutaties onderling, en zo zijn gekomen tot ons hedendaagse kleurenscala. Er is ruimte genoeg voor liefhebbers die de bestaande kleuren zuiver willen houden. Gelukkig openen sommige nationale vogelorganisaties deuren waar veel mogelijk is. Zo wordt er in het vraagprogramma van de NBvV – dat geldt voor het tentoonstellingsseizoen 2007/2009 – een hoofdgroep 28 opgenomen waarin het toegestaan is om verschillende factoren met elkaar te combineren. Daarbij wordt wel geëist dat ‘de verschillende factoren duidelijk herkenbaar moeten zijn in de combinatie’.

Vererving

Uit de koppeling zuiver kobalt x zuiver onyx kweekt men klassieke vogels split voor kobalt en split voor onyx. Het volgende jaar kan men – door deze jongen onderling te koppelen – konyxen verwachten. Zowel de kobalt- als de onyxfactor vererven niet geslachtsgebonden en recessief ten opzichte van hun wildvorm. Onderling vererven ze intermediar, voor zover ik dat nu kan beoordelen.

Verschijningsvorm

In deze vogel zitten de kenmerken van de kobalt (doorgekleurde broekveren) en de kenmerken van de onyx (donkergrijze melanine tussen de bestreping en op het kopje doorlopend in de driehoek schouders en nek). Het zou dus kunnen dat de kobaltfactor in de broek domineert en de onyxfactor op de kop en het rugdek. Dat is hoe ik er momenteel over denk. Als anderen andere inzichten hebben, zijn deze uiteraard welkom. Daarom stel ik voor om de naam “konyx” (ko van kobalt en nyx van onyx) te gebruiken voor de samenvoeging van deze twee mutaties.

De konyx kan worden gekweekt in de lipochroomkleuren wit, geel of rood. Het bruin dat bij de kobalt aanwezig is, zal plaatsmaken voor zwartgrijs. Vooral de vleugel- en staartpennen zijn goed zwartgrijs tot zwart doorgekleurd. Sommigen stellen dat de kobaltfactor een plusmutant is en dat de donkere broekveren het gevolg zijn van een toename van bruine phaeomelanine. Ik heb echter microscopisch kunnen vaststellen dat er in de baardjes en de haakjes van de broekveren geen melanine aanwezig is, hoewel de schacht in de vleugelpennen meer melanine bezit. Op dit moment zijn er al kobalten met doorkleurde broekveren die geen bruin phaeomelanine meer in hun rugdek laten zien. Daarom denk ik dat de kobaltfactor meer een structuurfactor is.

Toekomstverwachtingen

In de toekomst hoop ik de melanine tussen de rugbestreping te optimaliseren, zodat er geen contrast ontstaat met de bestreping.

Tot slot

Door een goede selectie kan deze mutatie een prachtige verschijningsvorm krijgen. Hierbij nodig ik uit om deze uitdaging aan te gaan. © Stef Smeets

Wout van Gils.

Ornicure

Ornicure.

Behandeling van luchtweginfecties, ornithose, mycoplasmose en oogaandoeningen bij siervogels, veroorzaakt door doxycycline-gevoelige micro-organismen.

BEVAT DOXYCYCLINE – HYCLAAT: verkrijgbaar in een doos met 8 zakjes en een voordeelverpakking met 24 zakjes.

Hoge activiteit tegen zowel gram-positieve als gram-negatieve bacteriën. Snelle en volledige absorptie. Hoge penetratie in de weefsels. Langwerkend antibioticum van de tweede generatie, tetracycline.

Gebruiksaanwijzing:

Vinkachtigen:

  • 1 zakje ORNICURE per 2 liter kalkvrij water of op het eivoer gedurende 5 tot 8 dagen.

Kromsnavels:

  • 1 zakje ORNICURE per 0,5 liter kalkvrij water of op het eivoer gedurende 5 tot 8 dagen.

Bij ernstigere besmetting en ornithose (papegaaienziekte) behandelen gedurende 4 tot 6 weken.

Bij de aankoop van kromsnavels tijdens quarantaineperiodes wordt een langdurige behandeling met ORNICURE aanbevolen.

Wout van Gils.

Chiazaad – Goede voedingswaarde

chiazaad

Chiazaad: Veelzijdig zaadje met bijzondere voedingswaarde

Chia bevat maar liefst 23% meervoudige vetzuren, waarvan 18% linolzuur, en is daarmee het zaad met het hoogste gehalte aan omega-3 vetzuren. Omega-3 vetzuren zijn essentiële vetzuren die van levensbelang zijn voor zowel mens als dier. Wanneer je een handvol chiazaad in een glas water mengt, zal het water na enkele minuten gevuld zijn met een pectineachtige slijm. Deze slijmstoffen hebben een positieve invloed op het stofwisselingsproces. Ze kunnen tot twaalf keer hun eigen gewicht aan water binden, wat snel de kwaliteit en samenstelling van de uitwerpselen verbetert bij stofwisselingstoornissen. De mucopolysacchariden vormen ook een soort lijmlaag op de darmwand, waardoor ziekteverwekkende bacteriën weinig schade kunnen aanrichten en het herstel van het darmslijmvlies bij darminfecties wordt bevorderd.

Bovendien heeft chia een goede basis van hoogwaardige eiwitten met een zeer goed aminozurenpatroon. Daarnaast is chia ook rijk aan mineralen, waaronder 0,65% calcium. Een ander belangrijk aspect is dat chia een veel aangenamere smaak heeft dan lijnzaad. Het wordt beter gegeten door vogels uit gebieden in Midden-Amerika, waar nogal wat Amerikaanse soorten voorkomen.

Wout van Gils.

Gradaties schimmel en intensief.

schimmel voorbeelden

 

Gradaties in Schimmel en Intensief.

Sterk intensief: Heldere diepe kleur, kleine gestalte (in vergelijking met een even grote schimmelvogel), schrale bevedering met meestal open plekken zoals een oogstreep.

Normaal intensief: Heldere diepe kleur, mooie strakke, gladde en goed gesloten bevedering zonder enige vorm van schimmel.

Matig intensief: Hier beginnen schimmelsporen zich te manifesteren op de rug, nek, keel en de flanken.

Zwak intensief: Schimmelvogels variërend van licht tot zwaar schimmel.

Bij schimmelvogels, zoals eerder vermeld, is de carotenoïde kleurstof niet doorgedrongen tot in de baardtoppen. Deze zijn kleurloos, waardoor er over de vogel een witte waas komt te hangen, schimmel genoemd. Deze moet zo gelijkmatig mogelijk verdeeld zijn over het hele lichaam, maar meestal zien we op bepaalde plaatsen, vooral in de nekstreek, sterkere schimmelconcentraties dan elders. De borst en de kop vertonen daarentegen meestal minder schimmel.

Schimmelvogels zijn langer en dikker bevederd en tonen daarom groter en forser dan intensieve vogels.

Wout van Gils.

De kweekruimte

Het volgende artikel is een vertaling van de website van Wout van Gils. Hierin benadrukt hij het belang van het afstemmen van onze fokaspiraties op praktische realiteiten – een realiteitscheck!

De Kweekruimte – De toegestane ruimte is vaak onvoldoende (Met dank aan Wout van Gils)

Ruimte, indeling, verlichting en de hoeveelheid licht bepalen uw mogelijkheden voor fokken. Deze factoren zullen het aantal kweekparen bepalen dat u ideaal gezien kunt huisvesten, rekening houdend met het aantal jonge vogels dat u aan het einde van het broedseizoen kunt verwachten.

Het verdubbelen van het aantal kweekparen betekent niet noodzakelijkerwijs het verdubbelen van het aantal jongen. Voor elke kweekopstelling is er een optimaal aantal kweekparen – beperk de beschikbare ruimte en/of het aantal vogels. De resultaten zijn afhankelijk van veel factoren. Het is aan de liefhebber om zijn optimum te bepalen en op dat niveau te blijven. Dit zal helpen veel problemen in de toekomst te voorkomen.

Allereerst moet rekening worden gehouden met de volière of het kweekgebied. Vul niet alle beschikbare ruimte met kweekparen, aangezien u hetzelfde nodig zult hebben voor de jonge vogels. De nestkasten mogen nooit meer dan de helft van de beschikbare ruimte innemen. Het is niet mogelijk om een optimaal aantal vogels per vierkante meter te geven. Dit hangt af van het aantal vogelsoorten dat wordt gefokt en ook van de manier waarop de vogels worden gehuisvest, bijvoorbeeld in nestkasten of volières.

Ten tweede is er de hoeveelheid tijd en ruimte die u beschikbaar heeft om voor uw vogels te zorgen. Dit is waarschijnlijk de factor die de meeste liefhebbers onderschatten. Naar mijn mening hebt u ‘s ochtends één tot anderhalf uur nodig voor 10-20 kweekparen en nog eens twee uur ‘s avonds. Dit aantal mag niet worden overschreden als extra tijd schaars is.

Denk niet dat 3½ uur per dag voor 20 koppels overdreven is. Ik ga ervan uit dat de vogels de beste zorg krijgen en deze zorg is essentieel voor goede resultaten. Hier is een beknopte samenvatting. Dagelijks de nestvoerbakjes grondig reinigen. Controleren of er geen nestvoer aan de zitstokken is blijven plakken en nauwlettend volgen hoe de nesten worden gebouwd en hoe het broeden verloopt. Ook twee keer per dag schoon water, zaden en nestvoer verstrekken, en af en toe wat groenvoer en wat tonische zaden. Bovendien moet u de vogels observeren en aantekeningen maken over de kweekparen; jongen moeten worden geringd en anderen moeten van hun ouders worden gescheiden. Tegelijkertijd moeten nestkasten worden opgeruimd en ernstig vervuilde nesten worden verwijderd. De gezondheid van de vogels moet dagelijks worden gecontroleerd en ook om te zien of de gescheiden jongen het goed doen. Controleer of de hennen de jongen goed voeden en verwijder de eerste drie gelegde eieren.

Kortom, noteer alles wat u dagelijks voor uw vogels moet doen en wijs er een tijd aan toe; u zult zien dat iemand die fulltime werkt het moeilijk zal vinden om te fokken met meer dan 15-20 koppels.

Als je begint met het houden van 30 of zelfs 50 koppels, wordt het allemaal te veel. U wordt beperkt door constant heen en weer te haasten. Een goede observatie van de vogels gebeurt niet meer en als een jong valt, wordt het pas dagen later op een vieze vloer onder in de kooi dood gevonden. Verwacht niet dat u met 50 koppels vier keer meer jonge vogels op de stok zult hebben. Ik ken fokkers die veel minder jongen hebben dan andere fokkers en dit komt vaak door onvoldoende tijd om de juiste zorg en aandacht te geven.

Controleer dit zelf. Bent u een van de fokkers die geen plezier meer beleeft aan de hobby omdat u er geen tijd meer voor heeft? Wees eerlijk – als dit het geval is, probeert u misschien uit te broeden uit te veel koppels.

Wout van Gils

Oprollen als een bal

Oprollen als een bal – Wout van Gils

Vroege signalen:

Vaak kan de vogel opgezwollen worden gezien aan de onderkant van de kooi. Helaas duidt dit erop dat de vogel al erg ziek is en dat succesvolle behandeling mogelijk niet meer haalbaar is.

Vroege observatie, diagnose en directe actie zijn daarom essentieel voordat de vogel zich oprolt tot een bal.

Dit zijn:

  1. Waterige ogen.
  2. Vogel brengt meer tijd door bij de zaadbak.
  3. Moeizame ademhaling met staartbeweging.
  4. Produceert een piepend/ratelend geluid.
  5. Bleke snavel en poten.
  6. Bevuilde cloaca.
  7. Opgezette veren.
  8. Bevuilde poten en nagels.
  9. Vang de vogel bij een van bovenstaande tekenen en controleer het volgende:

kanarie geel ziekPiepende ademhaling

Vergrote lever of milt Rode en gezwollen darmen Scherpe borstkas die spierverlies aangeeft

Vogels met het recessieve witte factor kunnen waterige ogen en/of zeer bleke snavels en poten vertonen. Als een van bovenstaande situaties van toepassing is, kan de meer ervaren liefhebber snel een diagnose stellen en met de behandeling beginnen. Stop onmiddellijk met het gebruik van groenvoer, verplaats de vogel naar een isolatiekooi en controleer het volgende:

Controleer uw eivoer – wordt het ranzig. Zijn de vogels blootgesteld aan vochtigheid of tocht. Waterige en plakkerige uitwerpselen

 

Wout van Gils

Vogels vast houden

Vogels vastpakken (Met dank aan Wout van Gils)

vasthouden-kanarie 02Soms is het noodzakelijk om een vogel vast te houden. Bij tamme vogels kan dit zonder het gebruik van dwang gebeuren, bijvoorbeeld wanneer de vogel is getraind om op een stok of vinger te zitten. In dat geval levert een eenvoudige inspectie geen problemen op. Vogels die niet gewend zijn om vastgehouden te worden, vereisen echter meer beperking. Het belangrijkste is om te voorkomen dat de vogel bijt of gestrest raakt, wat betekent dat zijn kop goed moet worden vastgezet.

Om te voorkomen dat de vogel bijt, is het raadzaam om de kop vanaf de achterkant vast te houden. Het vastpakken van de kop aan beide zijden met duim en wijsvinger net onder de ogen voorkomt dat de kop draait. Redelijke druk kan worden uitgeoefend zonder schade te veroorzaken, omdat dit overeenkomt met de locatie van het onderste kaakbeen. Het is echter essentieel om te onthouden dat vogels bijzonder kwetsbare dieren zijn, met holle botten die gemakkelijk kunnen breken. Onjuiste behandeling kan ook de ademhaling belemmeren, omdat vogels lucht krijgen door hun borstbeen te bewegen. Het te strak vastpakken van de staart kan verstikking veroorzaken.

Voor kleine vogels zoals kanaries, agapornissen en grasparkieten kan het lichaam worden gewiegd in de palm van één hand. Op deze manier voorkomt men vleugelschade en blijft de nek gestrekt. De andere hand kan dan worden gebruikt om medicatie toe te dienen. Bij grotere vogels zoals kaketoes, amazones en grijze roodstaarten wordt het hoofd met één hand vastgehouden, terwijl de andere hand de vleugels en poten vasthoudt. De vogel mag niet kunnen fladderen of bijten en moet op een ontspannen manier worden vastgehouden (behalve het hoofd, dat stevig moet worden vastgehouden) om stress te minimaliseren en de vogel onbelemmerd te laten ademen. Het is niet raadzaam om vogels vast te pakken bij hoge temperaturen.

Wout van Gils

Tip 1: Verenpikken

Recessief wit a

Wie kent het niet: ‘s ochtends een mooi nestje jongen en ‘s avonds zijn ze volledig kaal geplukt. Ja, om bij te huilen. Maar over dit probleem kreeg ik de volgende tip, die ook nog zou helpen. Wanneer de jongen ongeveer 10 dagen oud zijn, heb ik bij deze pop de man teruggezet zodat hij de pop kon bevruchten. Daarna heb ik de man weer weggenomen, en wat bleek: het verenpikken was zo goed als gestopt.

Verenpikken in de volière komt ook veel voor, meestal als gevolg van verveling of te veel vogels in één ruimte. Om dit probleem flink te verminderen, kunnen de volgende maatregelen helpen:

  1. Niet te veel vogels in één ruimte.
  2. Regelmatig badwater aanbieden.
  3. Oude vogels scheiden van de jonge vogels.
  4. Geplukte vogels met bloed apart zetten.
  5. Zorg ervoor dat halfrijpe maïs altijd beschikbaar is in de volière.
  6. Geef je vogels goed trosgierst; ze vermaken zich er graag mee.

Hier is een tip die zou moeten helpen:

Snijd een half gekookte aardappel in de lengte doormidden en leg deze in stukken in de volière. Volgens velen zou dit het probleem van verenpikken voor 80% oplossen. Kook de aardappel half en geef ze dat ter beschikking, met schil eraan. Als de vogels het eenmaal kennen, zijn ze er dol op. Het is zeker het proberen waard.

Wout van Gils

Tip 2: Mozaiek kop tekening

Masker typ 2

Kwekers van mozaïekvogels,

Voor een prachtige vleugeltekening is het het beste om de drie kleine veren van de vleugel uit te trekken wanneer de vogels 3 weken oud zijn. Deze veren bevinden zich vlak tegen de romp van de vogel en zullen ook met de vogel ruien. Aangezien mozaïeken pas op kleur beoordeeld mogen worden na ongeveer zes weken, zijn de veren al halverwege teruggegroeid. Op dat moment zijn alleen de toppen wit en het onderste deel rood, wat resulteert in een mooie, rechte aftekening van het mozaïekpatroon.

Ook op de schouders kun je een beetje van de bovenliggende witte veertjes verwijderen. Hierdoor komt het rood beter tot zijn recht. Ik ben van mening dat het verzorgen van de vogel, vooral een mozaïek, een belangrijk onderdeel is. Ongeveer 30% van het mozaïekpatroon moet je zelf creëren. Sommige kwekers werken ook aan de grenslijn van het masker, maar hiervoor moet je natuurlijk wel kunnen werken met een epileerpincet.

Wout van Gils

Oogstreep 1a

Oogstreep 1

tekening Mozaik koppel

 

Trichomonas Gallinea (flagellaten)

flaggaten

Trichomonas gallinae (‘t GEEL)

Bij siervogels zijn er diverse soorten protozoaire parasieten of flagellaten die ziekten kunnen veroorzaken. Trichomonas gallinae komt vooral voor tijdens de zomermaanden bij kanaries. Vogels kunnen elkaar besmetten door te snavelen, via de drinkfontein, enzovoort. Symptomen zijn onder andere apathie, lusteloosheid, waterige ogen, spelen met de tong, kortademigheid, overmatig drinken, en verminderde voedselopname. Uiteindelijk verzwakken ze en sterven ze.

Behandeling: Curatief (bij ziekte): Bij protozoaire maagdarmontstekingen (Trichomonas gallinae): 1 zakje (maatje) TRICHO PLUS (Oro Pharma) op 1 liter water gedurende 7 dagen. Belangrijk: Behandel altijd alle vogels tegelijkertijd en ververs dagelijks het water met TRICHO PLUS. Tricho Plus is verkrijgbaar op voorschrift van de dierenarts. Tip: Als voorzorgsmaatregel dient men Tricho Plus twee keer per jaar preventief aan het gehele bestand te geven. Bij voorkeur minstens zes weken voor aanvang van de kweek en ook na de kweek in de maand augustus. (van een collega kanarioloog)

Wout van Gils

Controleer ook de uitwerpselen

kanarie geel ziek

Controleer ook eens de uitwerpselen …(ingezonden)

Het is zeer aan te raden voor elke vogelbezitter om regelmatig naar de uitwerpselen van de vogel(s) te kijken. Veranderingen in het ontlastingpatroon of in de uitwerpselen kunnen namelijk duiden op diverse ziekten.

De uitwerpselen van vogels bestaan uit 3 componenten: de feces (=ontlasting), de urine en uraten, en worden gezamenlijk uitgescheiden via de cloaca. De ontlasting van de parkiet is wormvormig en is bij zaadeters vaak donkergroen van kleur. Bij grasparkieten die enkel pellets eten is deze vaak bruin gekleurd. Natuurlijk kunnen bepaalde voedselsoorten zoals bessen een verkleuring van de ontlasting geven. Als een parkiet 24 uur niet eet, treedt er ook een kleurverandering op: de ontlasting wordt dan een bijna teerachtige substantie en is donkergroen tot zwart. Dit wordt veroorzaakt door de stof bilirubine. Soms komt het voor dat er meer vocht in de uitwerpselen zit dan normaal. Als de feces (=ontlasting) nog gevormd is, spreken we niet van diarree. Bij dit soort “natte” uitwerpselen is slechts sprake van een toegenomen urine uitscheiding. Als het “groene gedeelte”, de ontlasting, niet gevormd is, is er echter wel sprake van diarree. De urine wordt uitgescheiden door de nieren. Hoe meer een grasparkiet drinkt, hoe meer urine hij of zij zal produceren. Ook vogels die wat vaker fruit eten, zullen meer urine uitscheiden vanwege het hoge vochtgehalte van het fruit. Vogels die enkel pellets eten, zullen uiteraard minder vocht uitscheiden. Het derde zichtbare bestanddeel in de ontlasting zijn de witachtige uraten. Deze stof wordt door de nieren uitgescheiden en is een afbraakproduct van de eiwitten die de vogel tot zich neemt. Als een grasparkiet te veel eiwitten tot zich neemt, kan het zijn dat de nieren dit niet kunnen verwerken. Jicht of niervergiftiging is dan mogelijk. De vogel zal in dat geval veel gaan drinken. Veranderingen in de kleur van de uraten kunnen duiden op ziekte. Groen of geel kan duiden op een leverziekte. Ook bepaalde infecties kunnen kleurverandering teweeg brengen. Een groot misverstand is dat vogels diarree krijgen van het eten van fruit of groente, met name slablaadjes staan in een kwaad daglicht. Slechts de hoeveelheid urine neemt toe, maar de feces blijft normaal gevormd. Ook bij stress zullen vogels meer vocht uitscheiden: tijdens een bezoekje aan de dierenarts kan als gevolg van een verhoogde bloeddruk de vogel ook meer urine gaan produceren. Om de druk op de bloedvaten te verlagen, zal het lichaam vocht gaan uitscheiden. Ook dit heeft niets met diarree te maken; het is een normale fysiologische reactie.

Ten slotte:

Er zijn veel verschillen in de grootte, hoeveelheid en de frequentie betreffende de uitscheiding van ontlasting. Bloed in de urine kan duiden op loodvergiftiging, of een nierinfectie. Een toegenomen urineproductie kan komen door een toegenomen consumptie van fruit en groenten, maar het kan ook duiden op een infectie, stress, of dorst ten gevolge van een metabole ziekte. Diarree kan veroorzaakt worden door bacteriën, protozoën, virussen, wormen en toxines. Bekijk daarom regelmatig de ontlasting van uw gevederde vriend. Is deze afwijkend van wat “normaal” is voor uw grasparkiet of kanaries, ga er dan mee naar de dierenarts. Leg een paar uur voordat u gaat een schoon stukje plastic op de bodem van de kooi om de uitwerpselen op te vangen. Uw dierenarts kan onder andere door middel van microscopisch onderzoek een eventuele diagnose stellen en tijdig een behandeling uitvoeren.

Bij gele dunne ontlasting en bij vervuiling aan de aars van de vogel de vogels direct kuren en apart plaatsen van de gezonde vogels.

 

 

 

 

 

Giftige planten voor onze vogels.

raapzaad

Hier vindt u een lijst met planten die giftig zijn voor onze vogels. Deze lijst is afkomstig uit het maandblad van de Parkieten Sociëteit. Wees altijd voorzichtig met groenvoer, in welke vorm dan ook. Geef dit met mate en nooit aan jonge nestvogels, aangezien dit vaak leidt tot diarree en darmstoornissen.

Wout van Gils.

Nederlandse naamLatijnse naamOverige informatie

Aronskelk

Arum maculatum

geheel giftig, na koken eetbaar

Adonis

Adonis spec

alle soorten giftig

Aarappel

Solanum Tuberosum

Alle groene delen en de bessen zijn giftig

Bolderik

Agrostemma githago

de zaden zijn giftig

Bosrank

Clematis spec

alle soorten zijn iets giftig

Boterbloem

Ranunculus spec  

diverse soorten iets giftig tot giftig

Bilzekruid

Hyoscyanum niger  

zeer giftig

Bitterzoet

Solanum dulcamara  

giftig

Boksdoorn

Lycium halimifolum  

giftig

Doornappel

Datura stramonium  

vrij giftig, de blaadjes

Dolik Lolium

temulentum

vrij giftig is een blauw groen gras

Eenbes

paris quadrifolia  

hele plant giftig, behalve vruchtvlees

Engbloem

cynanchum vincetoxine

giftig

Gouden regen

laburnum

hele plant giftig, vooral de zaden

Gevlekte scheerling  

Conium maculatum  

zeer giftig

Herfststijlloos

Colchicum autumnale  

Heggenrank

Byronia dioica

Hondspeterselie  

Aethusa cynapium

giftig, voor vogels zeer giftig

Kamperfoelie

lonicera nigra

Kerstroos

Helleborus niger  

Klaproos

Papaver somniferum  

Lijsterbes

Sorbus spec.  

Lelietje van dalen

Convallaria majalis  

Monnikskap

Aconitum spec.  

diverse soorten zwaar giftig

Oosters nieskruid  

Helleborius orientallis

giftig

Oleander

Nerium oleander  

Palmboompje

Buxus sempervirens  

Peperboompje

daphne mezereum

Ridderspoor

Delphinium spec.  

Slangenwortel

Calla palustris  

Stinkend nieskruid  

Helleboris faetidus  

giftig

Salomonszegel

Convallaria polygonatis  

Sumak

Rush toxicedendron

Sering

Syringa spec  

Taxus

Tacus baccata met mooie rode bessen

gedeeltelijk zeer giftig

Tuiniris  

Iris germanica  

heeft enkele giftige delen

Vingerhoedskruid

Digitalis purt purea  

Wrangwortel

Helleborus viridid

Wolfkers

Atropa belladonna  

Waterscheerling

Cicuta virosa  

Zeepkruid

Saponaria officinalis  

wortelstok is zeer giftig

Zwarte gifbes  

Actaea spicita

de zwarte bessen zij zwaar giftig

Zwart peperboompje  

Daphne laureola.

bessen zijn bijzonder giftig

Zijdeplant

Asclepias cornuti  

Zevenboom

Juniperus sabina  

giftig

Zwarte nachtschade

Solanum Nigrum

Bessen zijn bijzonder giftig
  

 

 

 

 

Tip 3 : Rood opvoeren

 

Het Opfokken van Rode Kanaries – Ingestuurd Artikel

Voor het opfokken van rode kanaries deel ik een artikel: neem een pot  Rood Intensief van 500 gram en meng daar 100 gram canthaxantine onder. Voeg aan 1 kilo eivoer, bestaande uit 500 gram Succes en 500 gram beschuitmeel, 12 gram van het eerder genoemde mengsel toe. Dit lijkt wellicht veel, maar het is belangrijk te realiseren dat  slechts half zo sterk is als pure canthaxantine en bovendien betacaroteen bevat. Dit komt zonder twijfel de kleur ten goede. Er wordt geen extra kleurstof aan het drinkwater toegevoegd.

P.S.: Bij het uitkomen van de jongen geef ik vanaf de eerste dag een beetje Nutribird met een spuitje. Nutribird is kant-en-klare babyvoeding voor vogels. Ik maak er een papje van en voeg 1 gram van de rode kleurstof toe. Dit herhaal ik tot de vleugelpennen doorkomen, en je zult verbaasd staan over de voorsprong die deze vogels hebben op vogels waarbij je dat niet doet. Bedankt, Dirk.

Naam: Wout van Gils

Tip 4: Ringen van nestjongen

poten

Ringen van Nestjongen

Het ringen van jonge vogels is altijd een bevestiging dat alles goed verloopt, maar het kan ook spannend zijn. We weten dat bij het ringen er een kans is dat een van de ouders het ringetje aanziet voor mest en zo het jong uit het nest gooit, met alle gevolgen van dien. Ik pas al vele jaren de volgende methode toe en kan gerust stellen dat ik zelden jongen uit het nest heb zien gooien. Wanneer ik de vogels ring, strooi ik een laagje vogelzaad op de bodem van het nest zodra ik het nest terugplaats. Meestal beginnen de ouders dan het nest schoon te maken, maar al snel realiseren ze zich dat het te veel werk is en stoppen ermee. Het resultaat is geen problemen meer met het uit het nest gooien van jongen. Probeer het eens uit. Succes!

Naam: Wout van Gils


Ingestuurde Reactie

Elders op internet las ik uw tips om te voorkomen dat vogels hun geringde jongen uit het nest gooien. Hiermee kon ik een nest van 5 goudvinkjes redden. Het camoufleren van de ringen met ventielslang of leukoplast was onvoldoende bij mijn vogels. Het strooien van zaad onder en rond de jongen werkt echter uitstekend. Ik gebruik witte kardoenzaden die ongeveer zo groot zijn als vogelkeuteltjes, en door hun heldere kleur vallen ze meer op dan de gecamoufleerde ringen. Bij elk nestbezoek verwijdert de pop plichtsgetrouw een paar zaden, en gaat vervolgens weer op de jongen zitten. Ik hoef alleen maar twee keer per dag wat nieuwe zaden toe te voegen.

Wout, bedankt voor de tip. Pierre Ramakers

 

 

Tip 5: Gladde, Glanzende en Strakke Bevedering

rozenwater

Gladde, Glanzende en Strakke Bevedering

Voor witte vogels of vogels met een witte ondergrond is het belangrijk om ze voor een tentoonstelling goed te wassen. Iedereen heeft zijn eigen methode hiervoor, maar een handige tip is om in het laatste spoelwater een eetlepel azijn toe te voegen. Dit zorgt ervoor dat de bevedering superglad en glanzend wordt. Voor een nog beter resultaat is het aan te raden om de vogels de dag na het wassen licht te benevelen met een bloemenspuit waarin 50% rozenwater en 50% water is gemengd. Het resultaat zal perfect zijn, mits de bevedering van de vogel niet te lang is. Dat zou je moeten weten. Veel succes!

Naam: Wout van Gils

Tip 7: Vroeg Kweken?

nest jongen rood

Vroeg Kweken

Natuurlijk zijn er redenen voor vroeg kweken, zoals vakanties of werkplanning. Maar brengt vroeg kweken eigenlijk voordelen met zich mee? Natuurlijk, je bent klaar met de kweek als het goede weer eraan komt, en dat is toch mooi meegenomen. Ook kan het te maken hebben met andere verplichtingen. Maar voor degenen zonder strikte verplichtingen, zijn er voordelen aan vroeg kweken? Mijn mening is nee.

Vogels die in januari worden geboren, zullen tegen medio september in volle conditie zijn. Echter, deze vogels zullen op de komende tentoonstellingen eerder in conditie achteruitgaan dan verbeteren, en ze zullen ook eerder in de rui vallen het volgende jaar. Mijn standpunt hierover is dat vogels die later worden gekweekt, eerder en beter door de rui komen dan die van de vroege kweek. Bovendien kunnen deze vogels ook langer meedoen aan tentoonstellingen. Het is goed om hier rekening mee te houden!

Naam: Wout van Gils

Tip 8: Bijvoeren van Nestjongen

Handvoeding kanaries.

Bijvoeren van Nestjongen.

Hoewel het bijvoeren van nestjongen niets nieuws is, kan het toch het leven van enkele achterblijvers redden. Wanneer je besluit bij te voeren, zijn er echter enkele zaken om in gedachten te houden. Het is verleidelijk om direct de achterblijver bij te voeren, maar dat is niet altijd de juiste aanpak. Als je overdag de achterblijvers voert, zullen de goed groeiende jongen door de ouders worden gevoerd omdat zij het beste bedelen. Daarom moet je het andersom doen: voer de goed groeiende jongen wat extra bij. Zij zullen niet meer gapen, terwijl de minder goed groeiende jongen nu het voer van de ouders krijgen.

Er is niets beter dan wat de ouders zelf produceren met hun kropsappen. Hierdoor zullen de zwakkere jongen sneller herstellen en beter gaan groeien. Geef deze jongen ‘s avonds, voor het donker wordt, nog wat extra voeding en je zult merken dat bijvoeren effectief is en dat de achterblijvers weer op krachten komen.

Naam: Wout van Gils

De Luchtpijpmijt en meer

De Luchtpijpmijt en meer

De mijt, Oternostoma tracheacolum, komt voor bij diverse vogelsoorten en vestigt zich in de luchtpijp en luchtzakken, wat ademhalingsmoeilijkheden veroorzaakt. Ze zijn herkenbaar aan een knarsend geluid, gorgelend geluid en het regelmatig schudden van het kopje.

Ziekteverschijnselen: De mijten veroorzaken ontstekingen door zich met hun klauwen vast te haken in slijmvliezen en bloed, resulterend in verlies van conditie, boller zitten van de veren, verlies van stem (bij zangvogels), ademhalingsmoeilijkheden, zichtbaar happen naar lucht met knarsende en piepende geluiden. Zware infecties kunnen leiden tot sterfgevallen.

Aantonen van de luchtpijpmijt bij de levende vogel: Mijten bevinden zich in de luchtpijp, longen en luchtzakken, ingebed in slijm. Bij levende vogels kunnen ze waargenomen worden door de veren van de hals vochtig te maken, een strook onbevederde huid aan beide zijden van de hals te creëren en deze naar de borstzijde uit te trekken. Bij blootstelling aan een lampje zijn de mijten als zwarte puntjes zichtbaar in de luchtpijp.

Besmetting met de mijten: Zowel volièrevogels als vogels in de vrije natuur kunnen langdurig dragers van de mijt zijn zonder ziek te worden. De besmetting kan weken tot maanden onopgemerkt blijven en kan door externe omstandigheden plotseling acuut worden. Besmetting van andere vogels gebeurt door jonge mijten in de neusholte. Voeding, omgevingswisselingen en sociale stress kunnen de ziekte verergeren.

Bestrijding van Luchtpijpmijt met Bogena anti-luchtpijpmijt: Om de mijt effectief te bestrijden, is het belangrijk alle mijten te bereiken, inclusief diepere delen van het luchtzaksysteem of de buikholte. Beaphar heeft daarom gekozen voor het spot-on systeem, waarbij het middel direct op de huid wordt aangebracht. De vloeistof dringt door de huid, wordt opgenomen in het bloed en doodt alle aanwezige mijten in het lichaam.

  • Werkzamestof: Ivermectine 0,12%

Bij constatering van luchtpijpmijt dienen alle vogels in de volière behandeld te worden. Breng een druppel per vogel aan op de onbevederde huid in het halsgebied of onder de vleugel. Herhaal de behandeling na 4 weken om eventuele gemiste gevallen aan te pakken. Als luchtpijpmijt regelmatig in uw bestand voorkomt, behandel dan bij voorkeur vogels 1-2 maanden voor de kweekperiode.

Na de behandeling kan er nog wat geluid overblijven, maar als de mijten schade hebben veroorzaakt aan de luchtpijp en longen zal dit blijvend zijn. Bij tijdig ingrijpen is behandeling echter effectief. Bij goed observeren en tijdig ingrijpen komt dit probleem nauwelijks voor.

Wout van Gils.

 

Groenvoer blijf waakzaam.

geweekt20zaad

Groenvoer: Blijf Waakzaam, Geef het Met Mate

Er is al veel geschreven in de vogelwetenschap over groenvoer. Een ding is zeker: veel vogels zijn dol op groenvoer in diverse vormen. Kanaries, tropische vogels en wildzang genieten graag van een groen blaadje. Wanneer we spreken over groenvoer, bedoelen we over het algemeen hele planten of delen daarvan, evenals natuurlijk voorkomende rijpe en halfrijpe zaden. Deze kunnen als aanvulling op het dagelijkse menu van pas komen. Gelukkig hoeven we niet meer door schade en schande wijs te worden, aangezien er al veel kennis beschikbaar is. Natuurlijk delen we deze ervaringen met elkaar, want daarom zijn we lid van een vereniging.

Als we groenvoer willen geven, moeten we ons bewust zijn van enkele zaken. In alle voeders, dus ook in groenvoer, zitten bepaalde stoffen. Deze stoffen hebben allemaal hun eigen invloed op de vogels, zowel positief als negatief. Met negatief bedoel ik niet meteen dat de vogels eraan zullen overlijden, maar het kan wel kleurinvloeden hebben. Bij roodfactorige vogels zal dat niet hinderen, maar bij gele (of dominant witte) vogels kan dat nadelig zijn. De kleurstimulerende werking van onkruidzaden kan de kleur zogenaamd “te warm” maken of de kleur onzuiver doen lijken. Hier moeten we ons goed bewust van zijn. Als we groenvoer geven, moeten we dat ook regelmatig doen; het kan niet zo zijn dat we een poosje wel en dan weer een paar dagen niets geven.

Nu hebben we genoeg aandacht besteed aan de mogelijke negatieve aspecten; laten we de positieve aspecten van groenvoer benadrukken. Allereerst wordt groenvoer gemakkelijk en goed opgenomen door de volwassen vogels. Ze voeren er gulzig mee, wat de voederdrift bevordert. De ouders hoeven weinig moeite te doen om de kropjes van de jongen vol te stouwen. Een nadeel kan dan zijn dat ze niet doorvoeren als er voedsel is dat minder goed opneembaar is en waar ze meer moeite voor moeten doen. Ook de jongen krijgen gemakkelijk verteerbaar voer en zullen al snel vragen om meer.

In veel onkruidzaden en bladgroen zitten veel vitamines die voor jonge vogels van groot belang kunnen zijn. Vooral sporenelementen zijn aanwezig, wat essentieel is voor de opbouw van het jonge leven en het in stand houden van het ouderlichaam.

We hebben al kort gesproken over de positieve bijdrage aan de voederdrift. In sommige gevallen kan het geven van onkruiden of bladgroen een uitkomst zijn als de oude vogels niet willen voeren. Juist omdat het zo gemakkelijk opneembaar is, wordt er goed mee gevoerd, wat een prikkel kan zijn om door te gaan. Niets is immers zo verdrietig als oude vogels die hun jongen laten verhongeren. Als we dat kunnen voorkomen, zullen we dat zeker doen. Maar pas op, groenvoer heeft zijn goede kanten, maar vogels zijn geen konijnen.

Ingezonden stuk.

 

 

Nieuwe mutatie Beryl?

buryl mutatie 1Exploratie van een nieuwe mutatie met de naam ‘BERYL’

Tijdens een bezoek aan de Diamond Bird Show in de nieuwe evenementenhal ‘De Populier’ te Zandhoven (B) op zaterdag 13 oktober jl., werden we door Herman Clijmans (keurder K.B.O.F.) erop geattendeerd dat er ter plaatse enkele vogels te bewonderen waren als nieuwe ‘Phaeomutant’. Een half dozijn exemplaren was apart tentoongesteld met de aanduiding ‘BERYL – nieuwe mutatie’. Onze verbazing was groot toen we de indrukwekkende extreem sterk opgebleekte verschijning zagen van de Phaeogeel en Phaeowit-dominant, met een nagenoeg zilver-grijsbeige enigszins streperig gevormd melaninepatroon. Vooral de mutant in het wit met zijn parelgrijs-beige uitmonstering was bijzonder charmant. In eerste instantie leek deze nieuwe verschijningsvorm te wijzen op een gecombineerde mutatie van de Phaeofactor met één, of misschien zelfs meerdere, reeds bestaande melaninereducerende en/of melaninebelettende factoren. Echter, volgens Jan Van Overvelt bleek dit een achterhaalde gedachte. Er blijkt intussen veel meer aan de hand… Phaeo-Beryl, een nieuwe ster aan het kleurenfirmament voor de verre toekomst? (lees vervolgens hieronder) Een speciaal woord van dank aan Dhr. Jan Van Overvelt (voorzitter TC Kleur – K.B.O.F.) voor het ter beschikking gestelde beeldmateriaal en bijbehorende tekst (auteur M. Brosens) ten behoeve van de vele bezoekers van mijn site.

buryl mutatie

Groot was mijn verbazing toen in 2010 uit een koppel volbruine Phaeo’s een zeer lichtgekleurd Phaeo-jong bleek te liggen. Wat was dit? Een pastel-Phaeo? Een isabel Phaeo? Ik heb toen deze bruine Phaeo wit dominant man gepaard aan andere poppen, met als resultaat nog 3 mutanten. Na de rui bleken alle vier deze mutanten poppen te zijn, dus lijkt het erop dat deze factor geslachtsgebonden vererft. In het kweekseizoen 2011 werd de vader tegen zijn dochters gezet met als resultaat naast gewone Phaeo’s 6 mutanten, 4 poppen en 2 mannen. De vader werd ook nog gepaard aan een bruin split Phaeo pop. Hieruit kwam onder andere ook één bruin split Phaeo met deze nieuwe mutatie voort. Omdat ik wilde weten hoe deze factor vererft, werd deze man ook nog gebruikt tegen vier klassieke bruin-gele poppen. Hieruit kwamen 26 jongen, allemaal bruin split Phaeo. Waarschijnlijk zijn enkele van de jonge mannen uit deze koppeling split voor de nieuwe mutatie. Aangezien geen enkele jonge pop isabel of pastel was, was het voor mij zeker dat ik niet te maken had met pastel of isabel. De mutanten waren dus zeker geen pastel-Phaeo of isabel-Phaeo. Dit kweekseizoen (2012) ga ik proberen deze mutatie uit de Phaeo te kweken. Ik ga een volle mutant man koppelen aan klassieke bruinen en klassieke zwarten. Als het resultaat hiervan is dat alle jongen klassiek zijn, zou dit kunnen betekenen dat deze mutant alleen via de Phaeofactor zichtbaar wordt. De toekomst en veel proefparingen zullen nodig zijn om uit te zoeken hoe deze nieuwe kleur zich gedraagt en vererft. Intussen heeft men de gekweekte vogels van 2011 besproken in de technische commissie kleurkanaries KBOF, en alle aanwezigen waren ervan overtuigd dat het hier ging om een duidelijk herkenbare mutatie. Samengevat werd het volgende genoteerd: Werking factor: Met zekerheid kunnen we zeggen dat deze mutatie werkt op de Phaeomelanine. Deze wordt verdund en heeft een grijsachtige waas over het geheel, en de typische Phaeotekening wordt meer streperig. Omdat de mutatie ontstaan is uit Phaeokanaries die bijna geen eumelanine meer bezitten, is het te vroeg om iets over de werking op de eumelanine te zeggen. Dit zal verder moeten worden onderzocht. Vererving: Het is ook nog te vroeg om met 100% zekerheid te zeggen hoe deze mutatie vererft, maar alles wijst erop dat deze mutant geslachtsgebonden vererft. Ook bestaat het vermoeden dat deze mutatie op één of andere manier gekoppeld ligt aan de Phaeofactor. Dit zal met proefparingen verder moeten worden uitgeklaard.

Tekst: Martinus Brosens – Nieuwmoer-Kalmthout) (B) Alle foto’s Phaeo Beryl: Jan Van Overvelt en Herman Clijmans (K.B.O.F).

Pinkies voeren?

Pinkies

Pinkies.

Pinkies zijn de meest gebruikte diepgevroren insecten. Als vogels de keuze hebben, gaat hun voorkeur vaak uit naar dit insect. Het is een larve met een zachte huid en bovendien smakelijk. Pinkies zijn de larven van de groene vleesvlieg. De naam “pinkies” is afgeleid van het Engelse woord “pink,” wat staat voor roze. Wanneer de maden zichzelf reinigen voor ze verpoppen, nemen ze een roze kleur aan.

De vier stadia van het insect zijn: vlieg – ei – larve – pop.

De vlieg kan tussen de 10 en 14 mm lang worden en is herkenbaar aan de metaalachtige blauwgroene of gouden kleuring met zwarte markeringen op de rug. De groene vleesvlieg leeft voornamelijk als larve (made) van vlees van dode en levende dieren. Ze staan bekend om het veroorzaken van Myiasis in de veehouderij, waarbij onder andere schapen levend worden opgegeten. Deze vlieg legt haar eitjes op warme en vochtige plaatsen, vaak in de wol van schapen. Binnen enkele uren tot dagen komen er maden uit de eitjes, die zich met mondhaken vastzetten aan de huid van het schaap. Hier voeden de maden zich met het vlees uit de huid. Wanneer er veel maden op een schaap zitten, kan het schaap binnen een week sterven. Vanwege de eigenschap van de larven om vlees op te eten, worden deze larven gebruikt bij mensen met helende wonden in de madentherapie.

Daarom is het niet aan te raden om levende pinkies aan dieren te geven. Als de larve niet in de bek wordt stukgemaakt, kan deze inwendig schade veroorzaken, zoals kropperforatie bij jonge vogels. Veel kanariekwekers voeren daarom pinkies vanaf de leeftijd van ongeveer vier dagen oud bij de jongen en geven 4 tot 6 stuks pinkies per koppel met jongen. Te veel is echter ook niet goed, dus houd hier rekening mee.

Wout van Gils

 

Invloed van licht op de vogels

Invloed van het licht op vogels

Europese vogels, inclusief onze tamme gedomesticeerde kanaries in al hun kleuren en vormen, zijn sterk verbonden met de jaargetijden. Velen hebben wellicht al ervaren hoe het aantal uren licht een effect heeft op deze gevleugelde wezens. Als we naar de natuur om ons heen kijken, zien we dat alles zich jaarlijks perfect herhaalt.

  • Winter = ontbering, honger, koude, dorst; enkel de sterkste en slimste overleven deze zware periode.
  • Lente = alles staat in het teken van de kweek.
  • Zomer = overvloedig voedsel om reserves aan te leggen. Aan het einde van de zomer beginnen de vogels met de rui.
  • Herfst = voor trekvogels een route vol gevaren, waar alleen de sterksten en slimsten slagen.

tijdklok dimmer nieuwIn het voorjaar worden de dagen langer, onkruidzaden ontkiemen, insecten ontwaken uit hun winterslaap. Hierdoor kunnen vogels niet alleen meer voedsel opnemen, maar ook een eiwitrijker dieet verkrijgen, wat leidt tot een perfecte conditie. Naarmate het aantal uren licht toeneemt, wordt de hypofyse geactiveerd.

Werking van de hypofyse

De hypofyse, een klein orgaan ter hoogte van de tussenhersenen, wordt groter bij toenemend licht. Dit orgaan stuurt hormonen naar de geslachtsdelen, wat resulteert in een vergroting van deze organen bij de mannen en de ontwikkeling van eierstokken bij de vrouwtjes. Kortom, de vogels komen in broedconditie. Half april bereikt dit een hoogtepunt: mannetjes baltsen en zingen uit volle borst, druk bezig met het verdedigen of veroveren van een territorium. Bij de vrouwtjes wordt de broedvlek zichtbaar (pluimpjes op buik en onderborst vallen uit), waardoor eieren en kleine jongen optimaal van warmte kunnen profiteren.

Alles in de natuur streeft naar voortplanting om de soort te laten voortbestaan. Dit voorrecht is voorbehouden aan slimme en sterke vogels, terwijl zieke, zwakke, en domme vogels geen plaats vinden in de natuur. Dit noemt men natuurlijke selectie. Bij de mens bestaat dit niet meer, met resultaten die voor zich spreken. Europese vogels hebben geen keuze wat betreft hun broedperiode. Een pop die in het midden van de winter bij strenge vorst eieren zou leggen, is ten dode opgeschreven. En zelfs als het haar zou lukken om eieren te leggen, zouden de jongen een zekere dood tegemoet gaan door onderkoeling of ongeschikte voeding. Zolang de mens zich er niet mee bemoeit, weet de natuur overal een antwoord op en laat niets aan het toeval over.

Vogels hebben ook geen keuze wanneer de kansen zich voordoen om succesvol te broeden. Ze moeten er klaar voor zijn. De enige uitzondering onder onze Europese vogels is de kruisbek, waar het aanbod van dennenzaad de broedperiode bepaalt. Een rare snuiter met een gekruiste snavel die midden in de winter zijn jongen grootbrengt.

Voor alle andere Europese vogelsoorten, inclusief onze tamme kanarie, kunnen we zeggen dat ze leven volgens de jaargetijden.tl lamp

Niet alle vogels over dezelfde kam scheren

Uit het voorgaande hebben we geleerd dat Europese vogels en kanaries in broedconditie komen door de lengte van de dagen. Het verkorten van de daglengte stimuleert hen daarentegen om te ruien. Binnenshuis kunnen we het licht naar wens regelen, wat betekent dat we in principe op elk moment van het jaar met deze vogels kunnen kweken.

Maar bij andere vogelsoorten, vooral die in de tropen voorkomen, heeft de daglengte minder invloed naarmate ze dichter bij de evenaar leven. Zelfs soorten die al vele generaties hier zijn gedomesticeerd, zoals zebravinken, padda’s, Japanse meeuwen en gouldamadinen, reageren nauwelijks op het aantal uren licht per dag. Dit komt door het constante aantal lichte uren gedurende het hele jaar rond de evenaar. Desondanks hebben deze vogels daar ook een broedperiode. Neem bijvoorbeeld zebravinken in de droogste gebieden van Australië. Deze vogels beginnen onmiddellijk met nestbouw wanneer het begint te regenen, omdat ze instinctief weten dat na regen alles opnieuw begint te groeien, vooral de onkruiden die essentieel zijn om hun jongen groot te brengen. Met andere woorden, voor zebravinken breekt er een periode aan waarin ze succesvol hun jongen kunnen grootbrengen. Als het bijvoorbeeld een heel jaar niet regent, zullen zebravinken niet eens proberen te broeden. Maar als er daarna een gunstige periode volgt met regelmatige regenval, kunnen zebravinken meerdere nesten achter elkaar grootbrengen. Wat nog opmerkelijker is, de jongen beginnen zelf al aan gezinsuitbreiding zodra ze zelfstandig zijn. Dit geldt niet alleen voor zebravinken, maar ook voor andere Australische prachtvinken. Afrika, met vele interessante vogelsoorten, is ook een werelddeel met een enorme oppervlakte dat de evenaar doorkruist. Hetzelfde fenomeen doet zich voor, waarbij de temperatuur, dag- en nachtlengtes gedurende het hele jaar gelijk zijn, maar dan dichtbij de evenaar. Men moet alle Australische, Amerikaanse, Aziatische en Afrikaanse vogels niet over dezelfde kam scheren; een blik op een wereldkaart of wereldbol zal snel duidelijk maken dat deze vogels diversiteit vertonen. Bij het houden van deze vogelsoorten in kooien of volières moet men hier rekening mee houden. Met name vogelsoorten die in de natuur het hele jaar door 16 uur licht hebben, kunnen problemen ondervinden in onze korte dagen als er geen bijverlichting wordt gegeven. Veel vogelliefhebbers beschouwen de kweekperiode als een rustperiode. Stel dat je geen extra verlichting geeft tijdens de winter, dan moet je weten dat je in november-december nauwelijks 10 uur daglicht hebt. Het gevolg is dat vogelsoorten die 16 uur licht nodig hebben, problemen ondervinden in onze korte dagen, omdat ze daardoor 6 uur per dag minder voedsel kunnen opnemen, wat leidt tot ondervoeding. In plaats van een rustperiode raakt hun conditie hopeloos in de knoei.

Voor liefhebbers die Afrikaanse prachtvinken kweken, zoals wiener-, aurora-, melba- en granaatastrilden, vuurvinken, tijgervinken, parelhalsamadinen, vuurvinken, bandvinken, roodkopamadinen, enz., is bekend dat deze kweek niet altijd soepel verloopt. Gelukkig zijn er klassieke uitzonderingen die de regel bevestigen, en vaak kweken deze liefhebbers dan ook veel. Toch zien we steeds dezelfde problemen opduiken: vogels raken niet in broedconditie, eieren zijn onbevrucht, en als er toch eieren zijn, worden ze niet bebroed. Eieren of jongen worden uit het nest gegooid, en de jongen worden slecht of helemaal niet gevoerd. Kortom, de meeste kwekers van prachtvinken houden voor alle zekerheid een aantal koppels Japanse meeuwen als pleegouders, voor het geval het misgaat. Er zijn ook liefhebbers die zweren bij natuurbroed, gelukkig maar.

Helaas is het ook zo dat als Afrikaanse prachtvinken ziek worden, ze zo goed als zeker ten dode zijn opgeschreven; slechts zelden zijn ze te genezen. Het is en blijft dus een niet al te gemakkelijke kweek. Dit terwijl Afrikaanse prachtvinken in de natuur uitstekende kweekvogels zijn. Velen worden gepara-siteerd door wida’s, die hun eieren tussen de astrilden leggen, en de jongen groeien dan samen op. In jeugdkleed lijken de jongen sprekend op elkaar, zelfs de papillen die kenmerkend zijn voor de verschillende prachtvinken zijn identiek aan prachtvinken. De natuur is werkelijk een wonder.

Terugkerend naar onze kweekhokken met Afrikaanse prachtvinken die het vaak zo slecht doen: er is duidelijk iets mis in het huishouden van deze vogels, zoals huisvesting, voeding, ziekten en het aantal uren licht. Als we samenwerken en onze gegevens delen, moeten we in staat zijn betere resultaten te behalen. Het is noodzakelijk om toekomstige liefhebbers de kans te geven een even grote variëteit aan vogels te kweken zoals wij die nu hebben.

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils

Tip 9: Eivoer is goed maar niet te veel

eivoer

Te veel eivoer tijdens de voorbereiding van de kweek: Eivoer moet je niet te overvloedig geven; dat is immers nergens goed voor. Bovendien is het ook te duur, en te veel eivoer maakt je vogels ongetwijfeld te vet. Dus, wees voorzichtig met eivoer tijdens de winter. Het geven van eivoer in die periode is echter belangrijk, omdat de vogels het goed moeten opnemen om het later goed aan hun jongen te voeren. Geef het echter niet meer dan tweemaal per week en niet meer dan ze in één uur kunnen opeten. Dus, houd het gerantsoeneerd!

Ook met zaden zoals nigerzaad, perilla, gepelde haver, zonnepitten en hennep moet je niet te kwistig zijn. Hoewel dit zaden zijn die ze graag eten, kan een overvloed ervan hun voeding uit balans brengen, waardoor ze te vet worden. Dit kan leiden tot minder of zelfs geen bevruchte eieren en problemen bij het voeden van de jongen.

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils

Hoe kanarievogels voorbereiden op tentoonstellingen.

Hoe kanarievogels voorbereiden op tentoonstellingen.

Ik verwijs naar een artikel dat ik een hele tijd geleden heb geschreven (‘t Geelgorsje van Jan-Feb 2007) en waarin ik beloofde mijn ervaringen te delen over hoe ik mijn kanarievogels voorbereid op tentoonstellingen.

Selectie.

Een goede voorselectie begint al bij het nest. Vogels die opvallen qua grootte en kleur worden met een + genoteerd in mijn kweekboek na het ringen. Vogels met een bonte pen of hoornbont gaan, zodra ze zelfstandig zijn, direct naar de handel.

Zes weken voor de eerste TT.

Dan beoordeel ik de uitgeruide vogels op zicht en selecteer degene die naar mijn mening geschikt zijn voor de TT. Ik maak daarbij gebruik van de standaard voor de betreffende kanariekleurslag. Dit is essentieel. Als je hier niet genoeg kennis van hebt, vraag dan hulp aan iemand in je club die er verstand van heeft. Selecteer streng en bespaar jezelf werk met het verzorgen en africhten van vogels die niet geschikt zijn voor de TT. Dit bespaart je tijd.

Vervolgens neem ik alle geschikte vogels in de hand en controleer ze op gebroken pennen in de vleugels en staart. Als er slechte zijn, verwijder deze dan voorzichtig. Let op: als je pennen aan de linkerkant verwijdert, doe dit dan ook met dezelfde pen aan de rechterkant om ongelijke pennen te voorkomen, wat bestraft kan worden. Roodfactorige vogels moeten weer worden opgevoerd, anders wordt de pen kleurloos. Let ook op bontheid (broek), nagels, hoorndelen en eventuele schimmelsporen bij de intensieve vogels, en bij de schimmelvogels op de verdeling ervan. Als je dit hebt gedaan, plaats dan de vogels per 3 à 4 stuks in de kweekkooi en laat ze daar een week of 3 herstellen. Geef een goede zaadmengeling, regelmatig eivoer, wat gepelde haver en/of negerzaad, en af en toe wat blauw maanzaad. Zorg ook voor regelmatig badwater. Vraag in deze periode ook een bevriende kanariekweker of iemand uit de vereniging om je vogels te beoordelen. Misschien ziet hij nog iets dat je ondanks je goede zorgen over het hoofd hebt gezien. Na deze 3 weken gaan de vogels de TT-kooi in.

Keur je vogels eenmaal opgekooide kritisch op de volgende punten:

Kleur en tekening

Hoewel de meeste punten in deze rubrieken te verdienen of te verliezen zijn, ga ik hier niet verder op in. Er zijn standaarden opgesteld die iedere liefhebber kan lezen om de vogels te beoordelen. Maar toch, wordt er wel voldoende gekeken naar de vogels? Als je ziet dat er nog steeds vogels zijn op tentoonstellingen met bontheid, onherstelbare kleurfouten of missende teennagels, vraag ik me soms af: hebben deze liefhebbers genoeg tijd en zorg besteed aan hun vogels voor de tentoonstelling, of weten ze het wel maar doen ze het bewust? Als je dan maar 75 punten krijgt, lijkt me dit niet erg bevredigend. Duidelijke zichtbare fouten kan elke liefhebber zelf zien, en je moet niet doen alsof. Het is beter zulke vogels thuis te houden.

De houding

Het aantal fouten dat in deze rubriek kan voorkomen, is voor een groot deel onder dezelfde noemer te brengen. Er zijn blijkbaar veel liefhebbers die geen belang lijken te hechten aan het africhten van TT-vogels en er zelfs trots op zijn dat ze een goed resultaat hebben behaald met een vogel die rechtstreeks uit de volière is gehaald. Natuurlijk bevestigen uitzonderingen de regel, maar geloof me, dit is eigenlijk niet normaal. Natuurlijk komt het voor dat een vogel een rustige aard heeft die niet overeenkomt met zijn normale gedragswijze, maar over het algemeen zal dit weinig voorkomen. Het kan ook blijken dat die kalmte wel degelijk erfelijk is, en dit moet dan zeker in het nageslacht worden vastgelegd. Maar meestal hapert er dan nog iets aan een andere factor, zodat je de vogel toch moet africhten. Er zijn ook liefhebbers die veel moeite doen om de vogels af te richten, zodat ze kalm zijn als hij er zelf voorstaat, maar als er een vreemde komt, is het een schuwe vogel. Hoe kun je dat voorkomen? Plaats je vogels om te beginnen in een ruimte waar veel beweging is en waar ze regelmatig vreemde personen en handelingen zien. Plaats ook een radio in deze ruimte en laat de poes er af en toe rondlopen. Omdat de vogel van de volière en kweekkooi nu in de TT-kooi terechtkomt, is dat ook een overgang. Normaal vliegt de vogel van stok naar stok, maar nu moet hij springen en dat leidt wel eens tot neiging tot vlinderen. Begrijp me niet verkeerd dat ik nu stel dat de reden is van vlinderen, zeker niet, maar in het beginstadium van opkooien heeft het er wel iets mee te maken. Je kunt dit voorkomen door de stokjes in de kweekkooi ongeveer op dezelfde afstand te zetten als in de TT-kooi, en dit voor altijd, dus ook tijdens de kweek. Zorg ook voor de juiste dikte van zitstokken, 15 mm, en maak ze ruw door er bijvoorbeeld met een zaagblad overheen te gaan. Te dunne en te dikke stokken zullen ook houdingfouten veroorzaken. Om de vogel de juiste houding aan te leren, kun je het volgende doen. Plaats de kooien de eerste dagen met de fronten tegen elkaar en breng ze elke dag iets verder van elkaar weg tot de kooien naast elkaar staan. Als de vogels tegen de tralies blijven komen, maak dan aan de binnenzijde van de tralies een doorschijnend plastic voorfrontje. De vogel zal daar tegenaan willen vliegen maar uiteraard lukt dit niet. Dit gaat zo enkele dagen door en de vogel geeft het op en blijft voortaan op de stok zitten. Hetzelfde kun je doen als de vogel steeds of te veel op de bodem gaat zitten. Plaats van voren naar achteren een plexiglasplaatje schuin erin, en de vogel kan niet meer normaal zitten op de bodem, want ze schuiven steeds weg en leren erg snel dat het op de stok makkelijker zitten is. Als de vogel een gedrukte houding aanneemt, kun je enkele dagen een spiegeltje op de TT-kooi leggen. De vogel ziet zichzelf en zal zich steeds rekken en omhoog komen en zal zeker zijn normale houding weer aannemen. Laat dit spiegeltje echter niet te lang liggen, want dan gaat de vogel een verkeerde houding aanleren, en dat wordt ook weer bestraft. In keurderstermen zegt men dan dat de vogel zich spiegelt, dus nooit langer dan 2 à 3 dagen, je kunt dit zelf vaststellen. Plaats je drinkflesje en het bekende snoepbakje ook zo hoog mogelijk, zodat de vogel zich moet rekken om erbij te kunnen. Dit komt de houding ten goede. De vogel zal een opgerichte houding aannemen. Met het snoepbakje zijn ook wonderen te verrichten, maar ik denk dat je wel weet dat ook onze vogels snel iets lekkers en wat extra’s kennen. Wat ook erg goed werkt bij het rustig worden is de bloemenspuit. Benevel regelmatig de vogels met deze spuit en gebruik hiervoor warm water. Bootst in je ruimte ook even een TT na, verplaats regelmatig je kooien van boven naar beneden, van links naar rechts, ga er met verschillende kleuren kleding naar binnen, met een pet en zonder, kortom, doe zoveel mogelijk verschillende kleren en handelingen met de kooien en vogels. Dit komt zeer ten goede aan de africhting en houding. Met een minimum aan inspanning gedragen onze vogels zich zo dat opmerkingen als onrustig, tralies, bodem, houdingfouten, enzovoort bijna tot het verleden behoren, wat de kansen op een EP (Ereprijs) flink vergroot. Je zult nu ook wel gemerkt hebben dat er een goede voorselectie nodig is, anders is al dit werk tevergeefs geweest als later blijkt dat de vogel bijvoorbeeld een bonte teennagel heeft.

Grootte en Vorm.

Deze twee rubrieken hebben ongeveer hetzelfde principe als de vorige, waarbij de vogel wordt beoordeeld op grootte en vorm tot in alle details. Als je bijvoorbeeld de opmerking “bordertype” op je keurbriefje krijgt, betekent dit niet noodzakelijk dat je vogel op een border lijkt. Het kan ook zijn dat een van zijn lichaamsdelen op dat van een border lijkt en/of geërfd is, wat foutief is. Gebruik geen postuurvogels om de grootte te veranderen; houd altijd soort bij soort en koppel op een manier waarbij de een minder heeft van wat de ander te veel heeft, en dit geldt voor alle rubrieken. Dit is een belangrijke regel in de kanarie- en vogelkweek. De standaardgrootte van een kanarie is 14,5 cm. Bekijk de grootte van de vogel altijd in verhouding tot de rest van het lichaam; dit moet een harmonieus beeld opleveren. Enkele bekende vormfouten zijn een te smalle en/of te dikke kop, een erg doorgezakte en te zware borst, een platte kop, een misvormde bek, een holle en bolle rug, te korte en/of te lange poten, een onjuiste verhouding tussen kop en lichaam, te kleine of te grote ogen, en een scherpe en te smalle borst. Een vogel met een kleine vormfout kan echter nog steeds in de prijzen vallen als de rest, zoals kleur en tekening, uitstekend is. Het is aan jou als kweker/tentoonsteller om te oordelen of de vogel fouten vertoont die al dan niet acceptabel zijn. Als je zo’n vogel toch naar de TT brengt en in de prijzen valt, betekent dit niet direct dat de keurder het niet heeft gezien; wellicht heeft de vogel elders, zoals op kleur en tekening, veel punten gescoord. Kortom, een goede voorselectie is cruciaal, anders kan al je werk tevergeefs zijn als later blijkt dat de vogel bijvoorbeeld een bonte teennagel heeft.

Bevedering.

Ik ga nu niet alle fouten in de bevedering opsommen; dat behoort tot basiskennis. Sommige fouten ontstaan doordat de vogel niet voldoende geruid is, terwijl andere naar voren komen als de vogel nauwelijks of geen badwater krijgt. Zorg ervoor dat TT-vogels regelmatig badwater krijgen en benevel ze ook met de bloemenspuit. Een uitstekend product om aan het badwater of de bloemenspuit toe te voegen, is het nog steeds verkrijgbare BIRDYL. Dit maakt de bevedering zachter en glanzend. Benevel de vogels op de ochtend van het inkorven nogmaals met water met Birdyl. Maak ook de staart en vleugeltoppen schoon met wat warm water, dompel de staart even onder en strijk deze vervolgens glad en droog op een vlakke ondergrond. Houd hierbij de staart goed vast tussen duim en wijsvinger om beschadiging te voorkomen. Zorg dat de flankbevedering zo droog mogelijk blijft. Maak de vogel op de dag van het inkorven nooit helemaal door en door nat; de vogel heeft dan niet genoeg tijd om zijn bevedering op te schonen via het vet van de stuitklier en zo een strakke en glanzende bevedering te krijgen. Het is ook belangrijk om je vogels niet te warm te houden. Als je dit doet en de vogel komt in de TT-zaal waar de temperatuur meestal lager is dan thuis, zullen de vogels over het algemeen losser zitten en dit kan je zelfs strafpunten kosten. Zorg er dus voor dat de temperatuur thuis lager blijft dan in de TT-zaal, ruim lager zelfs. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, komt dit de vogel ten goede. Ik denk dat ik het meeste over de bevedering van de vogels heb verteld. Nu wil ik het hebben over de conditie van de vogel.

Conditie.

Dit is het laatste waar ik over ga schrijven met betrekking tot onze TT-vogels, maar het is zeker een van de belangrijkste aspecten en vaak beslissend. Een gekwetste, zieke, gebrekkige vogel of een vogel met een missend of beschadigd lichaamsdeel dat afbreuk doet aan zijn conditie, heeft daar zelden of nooit schuld aan. De kweker van de vogel draagt bijna altijd de verantwoordelijkheid hiervoor. Hij moet ervoor zorgen dat zijn vogels altijd verkeren in omstandigheden en een verblijf die optimaal voldoen aan de eisen voor een goede conditie. Het vogelverblijf, TT-kooi, opkooikooi, het vervoer, kortom, de totale verzorging moet altijd van dien aard zijn dat de vogels geen kans krijgen zich te beschadigen, vervuilen en/of te verwonden, of erger nog, ziek worden en zo op de TT verschijnen.

Als je op al deze zaken let en ook de kooien goed in orde maakt, zal dit zeker ten goede komen aan de vogel. Met andere woorden, zorg ervoor dat je TT-kooien en/of volières goed in orde zijn. Geef TT-vogels regelmatig badwater met Birdyl, houd je TT-kooi zeer schoon en in orde. Als je de vogels naar de TT brengt, was dan nog even de staart en vleugeltopjes schoon met wat warm water. Zorg ervoor dat de rest van de bevedering niet nat wordt en maak ook de pootjes nog even schoon. Zorg voor goed, zuiver wit of bruin zand in de kooi en breng de vogels weg met een hoesje erover getrokken, zodat de vogels niet aan tocht en andere invloeden worden blootgesteld. Met dit artikel zul je zeker geen kampioen maken van een slechte vogel; dat is niet mogelijk. Maar een goede vogel kan door aandacht te schenken aan een goede verzorging, waar ik je met dit artikel mee heb willen helpen, net dat extra puntje verdienen dat anders ontbrak. Dit is de inspanning meer dan waard, want ik ben ervan overtuigd dat een topvogel bij sommige liefhebbers wordt teruggebracht naar 88 of 89 punten alleen al door een mindere verzorging. Hopelijk draagt dit artikel bij aan het opwaarderen van een vogel die regelmatig 90 punten haalt, naar misschien wel 91 of 92 met een iets betere verzorging. En dat is zeker de moeite waard, want onze vogels verdienen eigenlijk altijd een goede verzorging. Ik hoop met dit artikel hieraan bij te dragen.

Wout van Gils

De droogkast

De Droogkast: (het drogen)

Nadat de vogels zijn gewassen, is het belangrijk om ze snel te laten drogen. Dit kan worden gedaan in de droogkast, waar de temperatuur ongeveer 35 graden is. Na het goed afdrogen van de vogels met wit keukenpapier, leg je ze in de droogkast op wit keukenpapier op de bodem. De temperatuur in de droogkast is ongeveer 38 graden. Sommige vogelkwekers wikkelen de vogel in keukenpapier en leggen deze zo in de droogkast. Ikzelf heb hier minder goede ervaringen mee, dus ik doe dit niet, maar ik wil deze methode zeker niet onthouden.

ziek kooi

Laat de vogels nu rustig drogen. Na ongeveer 15 minuten zie je de vogels al rechtop staan, en sommige zitten zelfs al op de zitstok. Als de vogels beginnen te drogen, gaat het erg snel. Haal de vogels er niet te vroeg, maar ook niet te laat uit. Ik kijk meestal naar het droge kopje en haal dan de vogel eruit, die ik vervolgens overzet in de TT-kooi die op de centrale verwarming staat. Daar droogt de vogel verder door. In deze TT-kooi zit zuiver wit zand, de kooi is uiteraard goed gewassen en mooi wit geverfd. Zorg er ook voor dat de tralies goed schoon zijn gemaakt; vergeet je dit, dan kan dit grote gevolgen hebben voor al het werk dat je hebt gedaan. Zorg er ook voor dat het voer zuiver is en geef niet meer in de zaadbak dan wat de vogel voor een dag nodig heeft, anders gaat de vogel er met zijn snavel door, gooit het zaad op, en kan er vervuiling boven de snavel ontstaan.

Geef als drinkwater het beste spa water om vuile aanslag boven de snavel te vermijden. Zorg ervoor dat het drinkflesje ver genoeg buiten het bereik van de vogel hangt, zodat de vogel er wel bij kan om te drinken, maar niet om zich te wassen in het drinktuitje. Laat de vogel hier normaal verder drogen en schakel het licht niet uit voordat de vogels volledig zijn opgedroogd.

De laatste behandeling:

Op de dag dat de vogels worden binnengebracht voor de keuring, inspecteer de vogel nogmaals op kleine gebreken (vervuiling) en herstel deze indien nodig. Nevel de vogel vervolgens licht in met “PLUME SPRAY” (10 ml op 350 ml water) of gebruik Birdyll. Dit geeft de laatste glans aan de vogel; de rest moet de vogel zelf doen via zijn of haar stuitklier.

Wout van Gils

Middel tegen zwarte stip?

zwarte stip

Een zeer effectief middel tegen ZWARTE STIP bij kanaries. DEEL 2 Door:

In een eerder artikel dat ik rond het jaar 2000 heb geschreven, wil ik hier graag een aanvulling op geven. Sinds het schrijven van dat artikel hebben veel vogelliefhebbers contact met me opgenomen voor informatie over het zogenaamde LOCO-SIGMANYCINE. Ik overdrijf niet als ik zeg dat het aantal telefoontjes nu al boven de honderd ligt. Enkele kwekers hebben teruggebeld om te laten weten dat ze zeer tevreden waren met dit middel, en dat verheugt me natuurlijk als ik een collega-kweker heb kunnen helpen! Ik heb dit middel ongeveer acht jaar gebruikt en was er zeer tevreden over, maar zoals het vaak gaat, als iets goed is, komt er altijd iets tussen en is het voorbij met de pret. Het patent op dit middel was verlopen! Wat nu te doen? Ik ben toen het internet op gegaan in de hoop een alternatief te vinden voor LOCO-SIGMANYCINE. Via de website van Wout van Gils kwam ik al snel bij het middel TYLAN. Ik heb een bedrijf gebeld dat dit kon leveren, maar ik moest een grote hoeveelheid afnemen, en omdat ik geen dierenarts ben, was dat geen optie. Ik heb vervolgens verschillende dierenartsen in het hele land gebeld en kwam uit bij een arts in Putten. Daar kon ik kleinere hoeveelheden kopen, en dit middel heb ik enkele jaren gebruikt. Ik heb mensen ook naar dit middel doorverwezen. Het was niet zo’n wondermiddel als LOCO-SIGMANYCINE, maar het was een goede vervanger. Toen hoorde ik toevallig van de heer De Graaf uit IJsselmuiden dat er een vergelijkbaar middel op de markt was, maar met een andere naam: FLAGELLAMIX!

Een andere naam maar met dezelfde werkzame stoffen als LOCO-SIGMANYCINE, en verrassend genoeg: een jaar lang gebruikt en 115 jonge vogels zonder problemen! 2009. (er waren slechts één of twee jongen met stip en geen natte nesten) Dit is voor mij het oude vertrouwde middel zoals eerder beschreven. Helaas is dit middel naar mijn weten niet in Nederland te koop. Ik bestel FLAGELLAMIX nu in België bij Dr. Peter Couteel, werkzaam bij Dierenartscentrum TRIGENIO.

Bij de eerste bestelling moet je vooraf betalen, waarna het wordt verzonden. Bij de tweede bestelling wordt het met de kwitantie opgestuurd en heb je het binnen twee dagen thuis. Voor bestellingen kun je bellen naar: 0030-380 00 30. Je kunt ook per e-mail contact opnemen: info@trigenio.be of de website bezoeken: www.trigenio.be

J.W. van Dijk. Informatie: 038-3323549 J.W. van Dijk

Kampen, 10 maart 2010

Zwarte stip door Dr J.Vanderborght

“Zwarte stip” – Afgeleid van een artikel door Dr. J. Vanderborght (België)

Zwarte vlekken worden veroorzaakt door het circovirus, zoals uiteengezet in een artikel van Dr. J. Vanderborght uit België. De meeste volwassen vogels hebben al een competents immuunsysteem wanneer ze geïnfecteerd raken, waardoor ze beschermende antilichamen kunnen ontwikkelen gedurende enkele weken, waarna het lichaam uiteindelijk vrij wordt van het virus.

Jonge kuikens zijn echter zeer vatbaar tijdens een uitbraak, vooral als de moeder onvoldoende beschermende antilichamen heeft gegenereerd om door te geven aan haar eieren. Omdat de hen het virus nog niet heeft geëlimineerd, vermenigvuldigt het zich in het ei, wat het immuunsysteem aantast. Elke secundaire infectie kan dan fataal zijn voor het pasgeboren kuiken.

Stress is een belangrijke bedreiging voor een gezond immuunsysteem, omdat het immuunonderdrukking veroorzaakt. Het begin van het broedseizoen introduceert vaak stress in de broedruimte. Hoewel maatregelen voor immuunstimulatie gunstig zijn, moeten ze in lage doses en intermitterend worden toegediend.

black dot

Secundaire infecties kunnen het immuunsysteem verder verzwakken. Hoewel E. Coli een natuurlijke bewoner is van de darmflora van vogels, is vastgesteld dat gedomesticeerde vogels hogere niveaus vertonen dan hun wilde tegenhangers. Deze niveaus kunnen worden verminderd door prebiotica, probiotica en een robuust hygiëneprotocol. Bovendien heeft de toevoeging van 5-10% eigeelpoeder aangetoond dat het het aantal E. Coli vermindert, waarschijnlijk vanwege de beschermende antilichamen die het bevat.

In de meeste gevallen is zwarte vlek niet rampzalig, tenzij er sprake is van massale uitbraken, die eerder uitzondering dan regel lijken te zijn. Momenteel is er geen vaccin beschikbaar. Het begrijpen van de ziekte is cruciaal voor preventie en het interpreteren van waargenomen verschijnselen.

 

Het houden van kanaries (Beginners Deel 1)

Het houden van kanaries (Beginners Deel 1)

voliere6

Wanneer men vogels gaat houden, zijn er verschillende manieren om dit te doen, zoals in een gezelschapsvolière, een binnenverblijf in een kleine kamervolière, of in kweekkooien op diverse plaatsen. Elk van deze verblijfsmethoden heeft verschillende doelstellingen en vereist verschillende benaderingen voor verzorging, voeding, bodembedekking, vitaminen en medicamenten. In dit artikel wil ik kort enkele systemen onder uw aandacht brengen om de verschillen aan te geven. U zult dan zelf ontdekken waar de verschillen groot of klein, zo niet gelijk zijn.

1. Gezelschapsvolière

Meestal worden hierbij een aantal koppels van verschillende soorten vogels in een volière (vlucht) gehouden. Dit kan zowel met een binnenhok, wel of niet verwarmd, of voorzien van een buitenhok. Veel vogelsoorten zullen hier nooit of zelden tot broeden overgaan vanwege territoriale gevechten bij het samenbrengen van meerdere koppels in dezelfde ruimte. Sommige soorten vereisen grote aantallen voordat ze aan voortplanting denken, en deze vogelsoorten gedragen zich in een groep meestal monogaam. In zo’n volière treft men vaak allerlei soorten vogels aan. Meestal is dit een liefhebber die niet aan tentoonstellingen deelneemt, maar alles meer ziet als een gezelschapsvolière. In de meeste gevallen is zo’n volière voor de kweek niet ideaal, omdat er vaak gevechten, nestverstoringen en eierenpikkerij plaatsvinden. De grote variëteit onder de diverse soorten leidt tot onrust en veel ziekten, veroorzaakt door verschillen in voeders, bodembedekking en ontlasting. Ook zijn muggenbeten veelvoorkomend. Door de grote ruimte worden de vogels minder individueel gecontroleerd, en problemen vallen vaak pas op wanneer een vogel zich terugtrekt in een hoekje. Helaas is het dan vaak te laat, en is de vogel al ernstig ziek en vrijwel verloren. Als u echter goed overlegt en de soorten redelijk op elkaar afstemt, kan een gezelschapsvolière toch mooi zijn.

2. Kleine vluchten (1m²)

Dit systeem wordt regelmatig toegepast, vooral in de kanariekweek. Veel vogelsoorten zijn echter niet geschikt voor zo’n beperkte ruimte, voornamelijk omdat de meeste vogels sterk monogaam zijn. Tropische vogels die worden geïmporteerd, worden vaak in kleine ruimtes geplaatst, vooral als men het verschil tussen mannen en poppen wil vaststellen. Vooral de mannen vertonen vaak agressiever gedrag in een bepaalde periode, wat helpt bij het vaststellen van hun geslacht. Deze kleine vluchten worden meestal gebruikt voor het tijdelijk loslaten van TT (tentoonstellings) vogels tijdens het TT-seizoen. Ze worden het meest gebruikt bij vogels die polygaam zijn. In zo’n geval plaatst men een man met drie poppen in deze ruimte (vlucht). Men zorgt voor goede bodembedekking en voorziet in alles wat de vogels nodig hebben. Het belangrijkste aandachtspunt is om altijd het dubbele aantal nestbakken op te hangen om problemen te voorkomen. Meestal zal de man toch een popje kiezen waarmee hij samen het nest bouwt, broedt en de jongen verzorgt. Met de andere poppen heeft hij na de paring een vluchtig contact. Deze poppen moeten vaak zelf voor hun jongen zorgen, en hoewel de man soms nog wat meebrengt, moet men hier niet te veel op rekenen. Bij dit soort kweeksystemen komen regelmatig gevechten en onregelmatigheden voor. Vaak willen twee poppen hetzelfde nest gebruiken en breken elkaars nest af. Omdat de poppen niet altijd gelijktijdig hun eieren leggen, kunnen er in zo’n vlucht oudere jongen aanwezig zijn die op hun oorspronkelijke nest slapen, dat met hun ontlasting vervuild wordt of andere eieren beschadigt. Desondanks is deze kweekmethode met de nodige aandacht goed uit te voeren.

3. Wisselbroed

Dit systeem wordt veel toegepast door kwekers die zich richten op slechts enkele soorten vogels, meestal gedomesticeerde soorten. Bij de kanariekweek wordt een man gekoppeld aan een drietal poppen die elk hun eigen aparte kweekkooi hebben. De man verhuist regelmatig van de ene pop naar de andere en wordt, zodra de pop het tweede ei heeft gelegd, bij haar weggehaald. Dit heeft als voordeel dat men minder vogels (mannen) nodig heeft, waardoor het eenvoudiger wordt om een stam op te bouwen en te registreren. Het nadeel is dat het moeilijk kan zijn om de mannen op de juiste tijden over te zetten, vooral als men moet werken zoals de meeste mensen. Het vereist voortdurende aandacht. Desalniettemin kan dit kweeksysteem perfect werken met minder vogels, wat voordelig is, vooral voor gespecialiseerde kwekers.

4. Paarsgewijs broeden

Dit is veruit de meest voorkomende en hygiënische methode onder onze kanariekwekers en ook bij veel andere soorten. De broedkooien zijn ingericht in hokjes van 45x45x45 cm, of aangepast aan de vogelsoort. Deze zijn voorzien van een voorfront met een uitneembare zandlade en zitstokjes. Deze kooien kunnen goed worden afgesloten, gereinigd en behandeld tegen ongedierte. Kortom, in zo’n kweekhok is alles goed mogelijk. Deze methode, zoals eerder vermeld, is het meest gangbaar. Vooral bij vogels waarbij men een weloverwogen keuze heeft gemaakt van de ouders, omdat men specifieke erfelijke factoren in het nageslacht goed kent en wil vastleggen voor de gehele stamkweek. Het enige kleine nadeel is dat men over meer vogels moet beschikken, maar minder tijd heeft. Het is echter een goede, prachtige en overzichtelijke methode die veel wordt toegepast, niet alleen bij kanariekwekers maar ook bij parkietenkwekers, Europese vogels, enzovoort. Alleen worden de broedkooien vaak vervangen door grotere ruimten die zijn aangepast aan de specifieke vogelsoorten.

5. Hygiëne bij onze vogels

Over dit onderwerp valt veel te schrijven, maar dat was niet mijn intentie in dit artikel. Ik wil wel benadrukken dat hygiëne een cruciaal onderdeel is van het vogelverblijf en van de verzorging van de vogels dat nooit over het hoofd mag worden gezien. Alle aspecten dragen bij aan de hygiëne, ongeacht de vorm en het materiaal van het vogelverblijf. Het is van groot belang hoe het vogelverblijf schoongemaakt en onderhouden kan worden. Ook moet er rekening worden gehouden met mogelijke verontreinigingen van buitenaf tijdens de bouw.

6. Wanden en onderkomen van een vogelverblijf

Houten wanden, schotten, slaaphokjes en kweekbakken gemaakt van minder duurzame houtsoorten zijn over het algemeen moeilijk schoon te houden, vaak vol scheurtjes en barstjes, vooral na herhaaldelijk nat en droog te zijn geworden. Met name hardboard en spaanplaat moeten vermeden worden. Als het budget het toelaat, is het aan te raden altijd duurzame materialen te gebruiken voor het vogelverblijf en/of kweekhokken. Minder kieren en barsten, en harder materiaal verminderen de kans op het vinden van luizen en ander ongedierte. Het materiaal moet goed afwasbaar zijn en gemakkelijk te verven met bijvoorbeeld latex. Zorg ook voor voldoende ventilatie in de kweekruimte en houd rekening met lichtinval en zonlicht. Hoewel geplastificeerde kooien of bouwpakketten niet per se hygiënischer zijn dan goede houtsoorten, zijn ze over het algemeen wel iets gemakkelijker te onderhouden. Hygiëne van de liefhebber is hierbij ook belangrijk. Voor kwekers met bestaande volières en kweekbakken van goede houtsoorten wordt aangeraden de hokken te behandelen met een twee-componentenverf die tegenwoordig verkrijgbaar is. Deze verf is bijzonder resistent tegen lichtinval, chemicaliën, ontlasting en externe invloeden. Hoewel het iets duurder is, kan het op de lange termijn kosteneffectief zijn. Voor het verven is het aan te raden de naden goed af te kitten om de kans op het binnendringen van ongedierte te verminderen.

7. De zitstokken in het vogelverblijf

Ook zitstokken kunnen, als ze niet goed zijn gemaakt of gemonteerd, een bron van verontreiniging en besmetting zijn, wat leidt tot talloze problemen. Zitstokken zijn vaak de dragers van ziekten in het vogelverblijf, omdat vogels veel met hun snavel langs deze stokken wrijven. Het is essentieel om de zitstokken goed schoon te kunnen houden. Ze moeten van hardhout zijn gemaakt, en de vogel moet de stok net niet kunnen omklemmen. Dit heeft ook als voordeel dat de vogels hun teennagels redelijk op een normale manier kunnen afslijten. Als de zitstokken te dik of te dun zijn, kan de vogel een slechte houding ontwikkelen, en de kans op onbevruchte eieren wordt ook vergroot.

8. Drinkwater bij ons vogelverblijf

Drinkwater moet te allen tijde beschikbaar zijn en altijd schoon en fris. Vooral voor kanaries en tropische vogels is het fataal als ze langer dan 12 tot 16 uur zonder drinkwater zitten. Kanaries drinken aanzienlijke hoeveelheden, ongeveer 5 ml per vogel van 20 gram, regelmatig. Het geven van drinkwater in een open bak wordt echter afgeraden, omdat dit water snel bedorven raakt door baden en ontlastingen, vooral als het zich onder een zitstok bevindt. Hoewel de meest gebruikte drinkfonteintjes over het algemeen zuiver zijn, dragen sommige vogels toch vuil mee in het tuitje, wat resulteert in verontreinigd drinkwater. In de afgelopen jaren is er steeds meer overgestapt op drinkflesjes die ook worden gebruikt voor kleinvee, namelijk de flesjes met een kogeltje. Dit is de zuiverste manier van water geven, maar het vereist wel aanzienlijke aandacht.

9. Badwater

Badwater is net zo belangrijk als drinkwater voor vogels, zowel voor hygiëne als voor vochtregulering tijdens het broeden. Het is belangrijk om badwater, zeker 2 tot 3 keer per week (behalve bij vorst), na 1 tot 2 uur weg te halen. Geef in de avond of in de winter geen badwater. Laat de vogels voldoende tijd om op te drogen na het baden. Als je medicatie in het drinkwater gebruikt, moet je extra aandacht besteden aan het schoonmaken van de flesjes. Het is belangrijk om hier goed op te letten, zoals bij alle andere aspecten in dit artikel.

10. Voederbakjes (zaadbakjes)

De grootte en vorm van de voerbakjes zijn natuurlijk afhankelijk van het type vogelverblijf of kweekhok. Grote bakken of schalen worden vaak gebruikt in grote volières en kunnen snel vervuild raken door de omgeving. Ernstige problemen ontstaan wanneer de liefhebber de bakken niet regelmatig schoonmaakt, en het wordt nog erger als, zoals vaak voorkomt, de liefhebber achtergebleven zaad verzamelt, de lege schilletjes wegblaast en het oude voer opnieuw aanbiedt. Hierdoor kunnen problemen ontstaan, niet alleen bij buitenvolières, maar ook bij kweekhokken of andere hokken. Het is het beste om de vogels zoveel voer te geven als ze op een dag kunnen opnemen. Hierdoor krijgen ze alle benodigde voedingsstoffen binnen, en je voorkomt dat de vogels selectief alleen het lekkerste voedsel eten, wat de vogels eenzijdig en vatbaar voor ziekten kan maken. Maak de bakjes regelmatig leeg en schoon om schimmelvorming te voorkomen. De beste plek voor onze voederbakken is aan de buitenzijde van de volières of kweekhokken. Als de voerbakjes toch in de ruimte worden geplaatst, zorg dan voor een afdak erboven zodat ontlasting of regen het voer niet kan vervuilen.

11. Kiemzaadbakjes

Dit kwam me net in gedachten en daarom schrijf ik er ook een stukje over. Voor kiemzaadbakjes geldt in nog sterkere mate dat goede hygiëne essentieel is. Gezonde kiemzaden zijn eiwitrijk (18-21%). Ze worden meestal met vocht (water) gemengd, wat optimale omstandigheden biedt voor bacteriën en schimmels om zich te ontwikkelen. Het dagelijks grondig wassen en spoelen van deze bakjes wordt sterk aanbevolen, waarbij je ze met kokend water goed naspoelt en laat drogen voordat je opnieuw kiemzaad gaat bereiden.

12. Bodembedekking

Bodembedekking is een cruciaal aspect in de vogelkweek dat niet onderschat mag worden, omdat hier alles zich verzamelt en het begin kan zijn van verschillende ziekten en symptomen in onze vogelsport. Kwekers die hier strikt op letten, blijven doorgaans gespaard van ziekten en andere problemen. Helaas beseft niet iedereen dit. Uit onderzoek is gebleken dat in kweekhokjes waar dagelijks de bodembedekking werd gereinigd en vernieuwd, het aantal bacteriën in de verse ontlasting sterk afnam, totdat een situatie werd bereikt waarbij aërobe kiemen vrijwel uit de ontlasting verdwenen. Bij gezonde passeriformen en psittaciformen kunnen, bij een goede bodemhygiëne, schoon drinkwater en voer, geen aërobe kiemen geïsoleerd worden uit de ontlasting. De aanwezigheid van Entero bacteriacea (coccidiose) wijst altijd op een zeer slechte hygiëne in ons vogelverblijf. Het klinkt misschien ingewikkeld, maar een gewaarschuwde kweker telt voor twee.

In geval van een bacteriële infectie zoals coccidiose, is het raadzaam eerst de aandacht te vestigen op de bodembedekking voordat de vogel of het voer de schuld krijgt. Dit kan worden gedaan door dagelijks de bodembedekking te vervangen en de vogels op kranten of een draadrooster te zetten. Fijn zilverzand en rivierzand zijn niet slecht, maar ze nemen relatief weinig vocht op, wat de groei van bacteriën kan bevorderen. Dit kan worden opgelost door 50% kattenbakvulling toe te voegen. Men kan ook volledig overschakelen op deze vulling, maar let er dan op dat er altijd een bakje met schelpengrit en maagkiezel beschikbaar is. Bij een goed, droog hok is het voldoende om na ongeveer 14 dagen te vervangen; dit kun je zelf het beste beoordelen. Buitenvolières zijn moeilijker te onderhouden en vereisen extra aandacht, vooral bij een zandbodem. Hier moet ervoor worden gezorgd dat oud zaad regelmatig wordt opgeruimd, vers drinkwater beschikbaar is, en voeding indien mogelijk alleen binnen wordt gegeven. Een betonnen bodem die iets schuin afloopt voor gemakkelijke reiniging is een optie. Als zwarte aarde wordt gebruikt in de volière, spit dan nooit met zaad en al, maar verwijder het en spit jaarlijks de bodem om tot een diepte van ongeveer 45 cm. Verwijder altijd de bodemverontreiniging voor het omspitten, wat ook helpt bij het voorkomen van coccidiose in een buitenvolière. Als het mogelijk is, overdek de buitenruimte ook met bijvoorbeeld lichtdoorlatende golfplaten.

Wout van Gils

Het ei

Het Ei

Binnenkort begint het weer. Zenuwachtig kijken de kwekers in hun vluchten, vangen dan een man, dan weer een pop, en controleren maar! Zijn de vogels gezond, en wat ook belangrijk begint te worden: beginnen de vogels geslachtsrijp te worden. Ik denk dat we allemaal deze taferelen kennen. Ik wil het hier niet hebben over de voorbereiding, maar over het ei zelf. Menig probleem kan zich afspelen alleen al met het ei, daarom gaan we hier eens wat dieper op in.

Als de vogels geslachtsrijp zijn, d.w.z.:

– 10 maanden oud zijn.
– Goed gezond zijn, heldere ogen en een zuiver glanzend verenpak hebben.
– De man opgezette testikels laat zien, met een licht ingevallen buik.
– De pop de “broedvlek” volledig laat zien.

Dan gaan we onze vogels in de kweekkooi zetten, en na enkele dagen geven we nest en nestmateriaal. Na een goede koppeling zal de man de pop bevliegen. De man drukt zijn tap tegen de cloaca van de pop. Door het samentrekken van bepaalde spieren bij de man worden de zaadcellen bij de pop binnengebracht. Deze gaan dan op weg naar de eileider, en van daaruit naar de eicel om daar samen een “KIEMCEL” te vormen. “Het begin van een nieuw leven!” Het geheel komt naar buiten via een fantastisch proces in de vorm van ons allen bekend als “EI”.

Zoals gezegd gaan we hier wat verder op in.

“HET EI”

Als de oudervogels broedrijp zijn, zullen bij de paring mannelijke zaadcellen en vrouwelijke eicellen vrijkomen.

Vrouwelijk eicellen
Vrouwelijk eicellen

 

 

 

Mannelijke zaadcellen
Mannelijke zaadcellen

 

 

 

Van een zeer groot aantal mannelijke zaadcellen is er maar één nodig om een eicel te bevruchten. Dus bij een legsel van 4 eieren zijn bij een goede bevruchting 4 zaadcellen nodig. Als een zaadcel eenmaal is samengegaan met zo’n eicel, kan een andere (volgende) zaadcel hier niets meer aan veranderen. Het beginstadium van het jong is dan al bepaald. Ook hebben de mannelijke zaadcel en de vrouwelijke eicel al de erfelijke eigenschappen meegekregen. Dus op dat moment is al bepaald hoe de vorm, kleur, man of pop wordt vastgesteld. Hieraan is dus ook niets meer te veranderen. De bevruchte eicel zit nu vast op de dooierwand, en vanaf dat moment zal het ei zich tijdens de broedperiode verder ontwikkelen.

1. Eiwit. – 2. Hagelsnoeren. – 3. Bevruchte eicel die zich zal ontwikkelen tot embryo. – 4. Dooier. – 5. Luchtkamer. – 6. Schaalvliezen. – 7. Kalkschaal.

ei

Nadat het ei ongeveer 12 uur is bebroed, begint de ontwikkeling van het jong. Vanuit dit beginstadium zal een compleet netwerk om de dooier groeien. De dooier komt nu in een compleet levend netwerk te liggen en voorziet “het embryo” van voedsel. Het hele netwerk is nu in enkele dagen voorzien van bloedvaten, die dan weer verbonden zijn met het embryo. Het bloed van het embryo stroomt nu door deze bloedvaten, waaruit dan de voedingsstoffen worden opgenomen die het voor zijn verdere ontwikkeling nodig heeft. Dat de ontwikkeling van het jong maar een klein gedeelte van de dooiervoeding nodig heeft, blijkt wel doordat het jong voor het uitkomen (1 dag) nog maar + 1/4 deel heeft opgenomen. De laatste uren voor het uitkomen wordt het overige voedsel opgenomen, waardoor het jong de eerste levensuren kan doorkomen. Ja, zo makkelijk is dat, in theorie natuurlijk. Al moet toch gezegd worden dat bij goede verzorging en koppeling het meestal toch wel zo is.

 

Nu in het kort over het ei zelf (zie bovenstaande tekening):

DE KALKSCHAAL:
Dat deze hoofdzakelijk bestaat uit kalk en erg poreus is, zal wel geen uitleg meer nodig hebben. Wat wel belangrijk is, is dat we onze vogels voldoende bouwstoffen geven om deze eieren op te bouwen. Bijvoorbeeld, schelpengruis en sepia. Als we dit te weinig geven of helemaal niet, dan is de kans op windeieren zeer groot, en dat moeten we te allen tijde voorkomen.

DE SCHAALVLIEZEN:
Deze hebben een beschermende functie; ze zorgen ervoor dat er geen schadelijke bacteriën door de kalkkristallen heen dringen en toegang krijgen tot de kiem. Voorkom ook dat de kalkkristallen dicht komen te zitten. Let dus op met nestmateriaal en het materiaal waarin we onze eitjes bewaren als we ze rapen.

DE LUCHTKAMER:
Deze ligt tussen de twee vliezen en dient om een luchtreserve aan te leggen voor het jonge leven. Als de vogel uitkomt, breekt deze eerst het binnenste vlies van de luchtkamer, en kan zodoende nog in het ei voor het eerst lucht (zuurstof) inademen om zo voldoende kracht op te bouwen om volledig eruit te breken.

HET EIWIT:
Het ei bestaat uit + 85 á 90% water en verder uit eiwitten. Deze geleiachtige massa dient ter bescherming van de kiem en houdt bovendien het vocht vast binnen in het ei.

DE DOOIER:
Deze gele dooier bestaat uit 50% vetten, eiwitten en andere voedingsstoffen, en voor de rest uit water. Dit is het voedsel waarvan het embryo moet gaan groeien. De witte dooier ligt direct om de kiemschijf en dient ook in de eerste periode als voedsel voor het embryo. Dit is dan ook van een fijnere samenstelling dan die van de gele dooier.

DE HAGELSNOEREN:
Deze zijn verbonden met het dooiermembraan. Dit zijn als het ware elastiekjes die ervoor zorgen dat de kiemschijf van het ei zich steeds aan de bovenkant bevindt. De reden is dat de bovenkant van het ei bij het broeden steeds het dichtst bij de bloedvlek van de pop komt, en zodoende de meeste warmte ontvangt. Maar de pop keert toch ook de eieren, zult u zeggen. Dat klopt, en dit is nu juist de taak van de hagelsnoeren. Deze zorgen ervoor dat steeds, hoe men ook keert of draait, de kiemschijf boven blijft. Waarom dan de eieren draaien, zult u zeggen. Dit om ervoor te zorgen dat deze hagelsnoeren hun functie juist blijven vervullen en niet zullen rekken (uitzakken), en ze zorgen zo voor de op

 

timale warmte van de kiemschijf. Als al deze functies nu goed werken, zal het weinig problemen scheppen voor het jonge leven om uit het ei te geraken. En toch gebeurt het jaarlijks zeer veel, op elke lezing het onderwerp van gesprek “JONGEN DOOD IN HET EI”!

Hierover ook in het kort wat oorzaken van dit probleem:

ONBEVRUCHTE EIEREN:

– Zaadcel man niet levensvatbaar.
– Inteelt te ver doorgevoerd.
– Gebrek aan bouwstoffen (vitaminen).
– Man te oud, geen goede bevlieging, nagels van de man te lang.
– Losse zitstokken, geknoei met medicamenten.
– Lethaalfactor (intensief x intensief).

AFSTERVEN VAN KIEMCEL:

– Eierschaal beschadigd.
– Temperatuurwisseling (muizen – pop heeft nest verlaten).
– Eitjes vast in het nest (kunnen niet gekeerd worden).
– Lethaalfactor.
– Kalkkristallen zitten dicht (eierschaal laat geen zuurstof door).
– Geen goed nestmateriaal (touw bewerkt met giftstoffen).
– Te weinig of te veel vocht.

DOOD IN HET EI:

– Eierschaal te hard (vochtregeling).
– Schaalvliezen te hard.
– Lucht – zuurstofgehalte kweekkooi.
– Vochtgehalte te hoog – te laag.
– Lethaalfactor.
– Erfelijke factoren door bijvoorbeeld te ver doorgevoerde inteelt.
– Eieren niet goed meer gekeerd.

 

BESLUIT:

U ziet dat er veel problemen naar voren kunnen komen, maar indien u met overleg, inzicht, en zeer zeker goede gezonde vogels gaat kweken, zal dit probleem niet overdreven vaak voorkomen. Let er maar eens op. Bij een goed en gezond broedsel liggen de eitjes altijd met de spitse punt tegenover elkaar, met een mooie glans eroverheen. Hopelijk komt zo’n broedsel bij u dit jaar veel voor.

Een goede kweek en tot een volgende keer!

Wout van Gils

 

 

 

Het veren plukken van jonge kanaries

Het Plukken (Veren) van Nestjongen

Een probleem waar veel kwekers mee te maken hebben, is dat tijdens de kweek hun jongen worden geplukt – staartpennen, dons, veertjes, ja zelfs helemaal kaal. Het is echt triest om dit te zien of mee te maken. Veel vragen over dit probleem komen dan ook dikwijls op vergaderingen of via e-mail naar voren. Hoewel het bij sommige vogels (koppels) een vaststaand feit is dat veren pikken voorkomt, zijn er toch wel wat zaken om dit te voorkomen. Ik wil er een aantal aanhalen. Maar een zaak staat vast: sommige koppels blijven het hardnekkig doen, terwijl anderen, gelukkig de meeste, het niet of minimaal doen. Toch moeten we waakzaam zijn en middelen ter beschikking stellen om dit te voorkomen.

Inleiding:

Meestal gebeurt dit bij vogels die aanzet geven om een nest te maken of een nieuw nest willen gaan maken. Ze hebben dan snel de neiging om de zachte pluimpjes en veren van hun eigen jongen te gebruiken. Dit gebeurt voornamelijk als de jongen uit het nest zijn gesprongen; het is zeldzaam dat de jongen al in het nest worden geplukt, maar het komt soms voor. Het is dus van groot belang om ervoor te zorgen dat voordat de jongen uitvliegen, het koppel al de kans heeft gekregen om een nieuw en volledig nest te maken. Als regel moet men eigenlijk stellen: als de jongen uitvliegen, moet de pop eigenlijk op het punt staan om het eerste ei te gaan leggen. Heeft de pop het eerste ei gelegd, dan is de kans erg klein geworden dat de jongen nog worden geplukt. Dus tijdig een nieuw nest geven is van groot belang.

Men kan daarvoor de volgende handeling uitvoeren: plaats het oude nest met jongen op de bodem van het kweekhok, hang een nieuw nest op de oude plaats en voorzie nieuw en voldoende nestmateriaal. Het koppel zal de jongen verder voeden op de bodem van het kweekhok, en tegelijkertijd zal zij beginnen met het maken van een nieuw nest. Het plukken zal dan ook veel minder voorkomen of zelfs niet meer gebeuren. Zodra de jongen uit het oude nest springen en de pop het nieuwe ei al aan het vormen is of al heeft gelegd, is het plukken zo goed als gedaan.

Uiteraard zijn er nog andere methoden die ook aan te bevelen zijn. Iedereen heeft zijn eigen keuze, afhankelijk van zijn kweekruimte, kweekkooien en beschikbare tijd. Maar zoals eerder gezegd, er moet iets worden gedaan om het verenpikken te voorkomen.

Andere Methoden:

Diverse Methoden Babykooien:

Dit is ook een erg goede methode. De jongen worden hierin gezet, en de oudere vogels voeren de jongen door de tralies heen zonder ze te kunnen plukken. Het komt wel eens voor dat er hier en daar een staartpen verongelukt. Meestal gebruikt men een babykooi voor twee kweekhokjes, in het midden de babykooi en links en rechts ervan de kweekkooi. Het is een erg goede manier, maar het vraagt veel meer ruimte. Het voordeel is dat er bijna geen geplukte jongen zijn.

Een andere babykooi die je kunt kopen of zelf maken, is de kooi die je tegen de kweekkooi hangt en waarin je de jongen plaatst. Dit gaat ook goed; de ouders voeren ook door de tralies heen, en het plukken is tot een minimum teruggebracht, afgezien van af en toe een staartpen. Men moet wel zorgen dat de zitstokjes in de babykooi niet te dicht bij de tralies komen, anders komt de staart door de tralies heen, en dan trekt de oudere vogel alsnog aan de staart met alle gevolgen van dien. Het nadeel is dat het niet makkelijk is om de vogels in de kweekbakken te voeren en te verzorgen. Het goed schoonhouden van de babykooien en de vogelruimte vraagt extra aandacht, en het is wat onhandig werken om alles goed schoon te houden, maar het kan wel.

Pleegouders:

Wat ook kan, en je ziet het regelmatig bij wat grotere kwekers, is het gebruik maken van pleegouders. Dit zijn over het algemeen wat oudere vogels (poppen), bijvoorbeeld bonte vogels, zelfs kruisingen met kanariebloed erbij, die men plaatst in een ruimte (hok) van bijvoorbeeld een vierkante meter. Hierin plaatst men de jongen die bijna gaan uitvliegen met het nest op de bodem van deze kooi. Meerdere nesten bij elkaar plaatsen is goed mogelijk, en het is echt fantastisch te zien hoe deze oudere vogels deze jongen voeren. Bij veel kwekers geeft deze methode een onzeker gevoel, wat wel te begrijpen is, maar als je het ooit hebt gezien bij een kweker die dit wel doet, zal dit gevoel snel verdwijnen. Het werkt prima. Het nadeel is dat je niet alle soorten vogels bij elkaar kunt zetten; het is duidelijk dat rode en gele vogels bijvoorbeeld niet samen kunnen worden grootgebracht. Ook neemt dit natuurlijk weer wat extra ruimte in beslag, maar het verenpikken is bijna zo goed als verdwenen.

Besluit:

Verenpikken zal altijd blijven voorkomen, maar er zijn ook veel koppels die het niet doen. Uitselecteren op deze eigenschap kan altijd worden overwogen en misschien zelfs worden aanbevolen. Maar de vogel weinig of geen kans geven om het te doen, is nog altijd de beste methode. Dit kan door goed te blijven observeren, tijdig een nieuw nestgelegenheid te geven en/of het gebruik maken van babykooien en/of het plaatsen bij pleegouders. Iedereen

moet voor zichzelf de beste keuze maken met zijn beschikbare tijd en ruimte. Maar er moet iets worden gedaan om het verenpikken te voorkomen.

Een goede tip is om eens te proberen: kook een aardappel met schil half gaar, snijd hem doormidden en geef de vogels hier van te eten. Je zult zien dat er weinig of geen verenpikken meer is.

Succes.

Wout van Gils

Eitjes Schouwen

eitjes schouwen

 

Eitjes Schouwen

De broedperiode is altijd een spannende tijd. Zodra het nest gereed is, worden we nieuwsgierig naar het aantal gelegde eitjes. Enkele dagen later willen we ook weten of ze bevrucht zijn. Hieronder worden met behulp van drie foto’s aangegeven hoe je dit kunt zien. Het is ook belangrijk, vooral bij veel eitjes, regelmatig te controleren of ze niet te vast komen te liggen. Vooral het middelste ei in het nest is hier gevoelig voor. Daarom is het raadzaam regelmatig te controleren en met een oude gloeilamp door het nest te draaien. Op die manier blijft het nest mooi rond en stevig. Voer deze controle uit bij het begin van de broedperiode en gedurende het broedproces.

Veel succes.

Wout van Gils

Eieren rapen wel of niet doen

Eieren rapen: wel of niet doen?

Binnenkort begint het weer met de kweek van onze kanarievogels. De kooien worden schoongemaakt en ontsmet, enzovoort. We kennen allemaal deze jaarlijkse terugkerende handelingen voordat de vogels naar de kweekbakken en hokken mogen. Het is een drukke en spannende tijd voordat de kweek kan beginnen. Zodra de vogels gekoppeld zijn en enkele weken in de kooien zitten, begint de nestbouw, gevolgd door het leggen van eieren. Op dat moment rijst jaarlijks de vraag: zal ik mijn eieren rapen of laat ik ze in het nest liggen? Het lijkt een eenvoudige beslissing, maar veel leden twijfelen toch over het wel of niet rapen van de eieren. Wat is nu de reden hiervoor?

Een van de redenen is dat sommige leden in ploegendienst werken en ‘s ochtends vroeg weg moeten, waardoor ze de eieren niet kunnen rapen, tenzij hun partner het doet. Een andere reden is dat sommige kwekers van mening zijn dat de eieren ook in het nest bebroed kunnen worden, en de jongen zo ook grootgebracht kunnen worden. Dat zal ik zeker niet ontkennen. Maar ik wil toch benadrukken dat het raadzaam is om, indien de tijd het toelaat, de eieren te rapen en deze tot het vierde ei te vervangen door een kunstei. Dit heeft enkele voordelen in de kweek, zoals:

– De jongen komen gelijktijdig uit.
– Men kan meerdere koppels tegelijkertijd instellen.
– Men kan, indien nodig, de eieren verleggen (volledige nesten maken).
– De voeding van de jonge vogels kan in grotere hoeveelheden worden voorbereid.
– Men kan zelfs bijna de dag regelen waarop de jongen uitkomen, bijvoorbeeld in het weekend.
– Bij problemen, zoals de pop die ziek wordt, heeft men de mogelijkheid om de jongen te verplaatsen.

Dus je ziet, er zijn genoeg voordelen. Met andere woorden, er zijn redenen om eieren te rapen. Hoe gaat dit nu in zijn werk, en waar moet men op letten?

– Raap de eieren op de dag van het leggen, bij voorkeur ‘s ochtends.
– Leg de eieren in een genummerd bakje, overeenkomend met het nummer van het kweekhok.
– Leg de eieren op een schone ondergrond bedekt met watten.
– Plaats ze op een veilige plaats waar geen grote trillingen ontstaan.
– Raap de eieren altijd met schone handen, nooit met vuile handen.
– Leg de eitjes ‘s ochtends terug, bij voorkeur niet ‘s avonds.

Een veelgestelde vraag is of de eieren nog moeten worden gedraaid tijdens de tijdelijke opslag buiten het nest. Het antwoord is eigenlijk NEE. Bij een goed opgebouwd ei zullen de hagelsnoeren zo sterk zijn dat de dooier zeker niet zal uitzakken in de vier dagen dat de eieren worden opgeslagen en aan de eischaal komen vast te zitten of een hagelsnoer zal breken. Maar voor de zekerheid kan men het bakje met de geraapte eieren dagelijks iets schuin plaatsen van links naar rechts. Dit kan geen kwaad. Dus dagelijks het bakje schuin zetten. Ga niet dagelijks de eieren met de hand draaien, met alle risico’s van een vallend of beschadigd ei. Op de vijfde dag legt men de eieren terug, en probeer dit te doen als je zoveel mogelijk koppels als mogelijk aan het broeden hebt. Wacht ook niet te lang, anders bestaat de kans dat de pop stopt met broeden op de echte eieren als de 14 dagen nog niet om zijn. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de eieren.

Ik wil ook via deze weg weer vragen om de nestbakjes voor in de broedkooi te hangen, dit heeft grote voordelen, zoals:

– Er is een uitstekende luchtcirculatie in het nest.
– Controle is gemakkelijk uit te voeren.
– De jonge vogels zullen veel minder bang zijn als het nestbakje aan de voorkant van de kooi hangt, wat later voordelen heeft bij tentoonstellingen.
– Zorg ook voor een vochtpercentage van 70 tot 75% met goede zuurstofcirculatie.

Wat je NOOIT moet doen bij het bewaren van eieren:

– Eieren op scherp zand of andere scherpe steentjes leggen.
– Eieren rapen met vuile, vooral vette handen.
– Eieren plaatsen op een iets donkere, koele plaats, dus nooit in de zon.
– Zet de eieren op een veilige plaats (voorkom omstoten en vallen).

Wanneer je eieren raapt, kom je soms eieren tegen die licht vervuild zijn met ontlasting van bijvoorbeeld andere jongen. Deze vervuiling moet je nooit proberen te verwijderen, omdat de eierschaal dan onmiddellijk kan breken. Haal de vervuiling eraf op de volgende manier: leg het vervuilde ei in een bakje met lauw water en laat het daar enige tijd in weken. Het vuil weekt er vanzelf af. Leg daarna het ei in je bewaarbakje.

Nu, beste kwekers, denk ik dat het duidelijk is dat het rapen van eieren zeker voordelen heeft, maar dat er ook wat extra werk bij komt kijken. Dit loont echter zeker de moeite. Ik hoop dat dit artikel iedereen heeft overtuigd. Ik wens jullie allen een succesvolle kweekperiode. Tijdens de broedperiode let erop: bij een gezond en bevrucht broedsel liggen de eieren altijd met de spitse punt naar elkaar toe. Als dit het geval is, wees dan gerust; je broedsel is kerngezond.

Succes,
Wout van Gils

De wisselbroed

 

De Wisselbroed:

Over deze kweekmethode is al veel gezegd en geschreven. Ook bij voordrachten komt dit onderwerp regelmatig aan de orde, en terecht. Het is namelijk een methode die goed past bij de veel toegepaste stamkweek, zoals De Patro en Matrokliene methode. Daarom wil ik ook over deze methode iets schrijven. Een van de voordelen is dat je met minder vogels (mannen) kunt volstaan, omdat een man bij meerdere poppen kan worden ingezet. Zo kun je van een uitstekende man meer nakomelingen verwachten, als je hem maar koppelt aan verschillende poppen. Hoe gaat dit in zijn werk?

Elke pop heeft bij deze methode een eigen kooi (40*40*40), waarin je de broedrijpe pop plaatst. Het is handig om poppen van dezelfde kleurslag naast elkaar te zetten, waarvan je denkt dezelfde man te koppelen. Dit maakt het overzichtelijk. Meestal werkt men met één man en twee popjes, wat probleemloos kan. Een kooi aan de linkerkant met een pop, een kooi in het midden voor de man (later babykooi), en een kooi aan de rechterkant voor de andere pop. Dit is het beste systeem. Een man met nog meer poppen kan ook, maar dan kan het werken met de babykooi iets moeilijker zijn. Er zijn babykooien die aan de buitenkant kunnen worden gehangen, wat ook goed werkt, maar dit vraagt meer vrije tijd van de kweker. Hoe de kweker de wisselbroed aanpakt, hangt af van zijn beschikbare ruimte.

Wat men eigenlijk niet moet doen, is de man samen met de pop in de kweekkooi plaatsen. De man kan te veel wennen aan deze pop, wat bij de andere pop tot een vechtpartij kan leiden. Het hoeft niet altijd zo te zijn, maar het is goed om te weten. Bij wisselbroed moeten altijd eerst de poppen worden opgekooid. Als ze het nest bijna klaar hebben, voeg je de man toe. Dit geeft het beste resultaat, omdat de pop broedrijp is en zich sneller zal laten bevruchten. Als de pop het eerste ei heeft gelegd, zijn normaal gesproken de rest van de eieren ook bevrucht. De man zou dan eigenlijk niet meer bij de pop hoeven voor bevruchting. De meeste kwekers zetten de man erbij tot het tweede ei is gelegd. Tijdens de rest van de broedcyclus blijft de man weg bij de poppen. Wanneer plaatsen we de man nu terug bij de pop? Dat verschilt per kweker, maar de meeste plaatsen de man terug als de jonge vogels al goed bevederd zijn, en de pop niet meer op de jongen gaat zitten om ze bijvoorbeeld ‘s nachts warm te houden. Eigenlijk op het moment dat de pop weer aanstalten maakt om een nieuw nest te maken. Dit is het beste en duidelijkste teken om de man weer bij de pop te plaatsen.

Op dit moment kunnen de jongen ook in de tussenkooi of babykooi worden geplaatst. De pop en/of de man zullen deze jongen zeker blijven voeden door de tralieopening totdat ze zelfstandig zijn. Ook kan de man bij de pop blijven als deze weer aan het broeden is. Kortom, er zijn veel voordelen aan de wisselbroed. De meeste kwekers zweren erbij, anderen iets minder, maar toch is deze methode de meest toegepaste in onze kanariekweek. Ik hoop dat dit artikel het enigszins duidelijk heeft gemaakt. Een goede kweek met of zonder wisselbroed.

Wout van Gils

Van Ei tot Ringen van Kanaries

Van Ei tot Ringen van Kanaries

Bij de start van de kanariekweek zijn er enkele zaken die voor enige ergernis kunnen zorgen in het kweekhok. Dit begint al bij de ontwikkeling van het ei, en later kunnen er ongelukken gebeuren, bijvoorbeeld bij het ringen van de jonge vogels. In dit beknopte artikel wil ik deze punten onder uw aandacht brengen.

Het Nest:

1. Zorg voor goed en zuiver zacht nestmateriaal.
2. Gebruik stevige, vaste nestbakjes of korfjes.
3. Hang het nestbakje/korf vooraan in de broedkooi.
4. Zorg dat het nest goed is afgewerkt. Werk het nest zelf nog even na met een kapotte lamp.
5. Gebruik nooit gedrenkte koord- en touwvezels.

Kanarie-eieren:

Zoals u hierboven op de tekeningen ziet, komen kanarie-eieren voor in diverse vormen en groottes. Het blijft belangrijk voldoende mineralen, sepia, grit en een goede bodembedekking te geven aan de vogels, met name tijdens de ontwikkeling van de eieren. Deze elementen moeten altijd beschikbaar zijn. Zorg ook voor een goed vocht- en zuurstofgehalte. Controleer regelmatig of de eieren niet vast komen te liggen in het nest.

De Broedperiode (ongeveer 14 dagen):

Mogelijke problemen tijdens deze fase:
– Onjuist vochtgehalte.
– Te weinig zuurstof in het kweekverblijf.
– Eieren zitten vast;
– De pop kan deze niet meer keren.
– Pop verlaat bijvoorbeeld ‘s nachts het nest door schrikreacties, luizen, muizen, enz.
– Lethale factor.
– Verkeerde koppeling van de ouder vogels.
– De Voeding

Als deze elementen goed worden opgevolgd en uitgevoerd door de vogel en de liefhebber, zal het embryo zich goed en gezond ontwikkelen. Er zullen dan zeker geen jongen sterven tijdens het uitkippen of afsterven in het ei. Hierboven staat de ontwikkeling van het embryo getekend, en bij bovengenoemde verzorging zal dit ook zo in zijn werk gaan. Met andere woorden, alles gaat naar wens.

Als tot zover alles naar wens is gegaan, zullen de jongen ook goed groeien. Dan komt de tijd om ze te ringen. Het kan per nestje verschillen, maar een goede indicatie is wanneer de ontlasting op de rand van het nest blijft liggen en de pop deze niet meer opruimt. Dan is het zeker tijd om de jonge vogels te ringen. De ringmethode is hierboven afgebeeld. Als u eenmaal jongen hebt geringd, zal het de volgende keer zeker makkelijker gaan.

Problemen met het ringen:

– Ring nooit te vroeg. Controleer enkele uren na het ringen.
– Als de ring wat stroef gaat, gebruik wat crème bij het ringen (zeker als u wat laat bent).
– Controleer enkele malen na het ringen (als de jongen niet uit het nest zijn gegooid).
– Noteer de ringnummers met op- en aanmerkingen in uw kweekboek.
– Ringen kunnen worden uitgekookt als ze soms afgeven (komt weinig meer voor tegenwoordig).
– Controleer of de ringen geen braampjes vertonen. Verwijder deze dan.

Vogelvrienden, ik hoop met deze verkorte uiteenzetting opnieuw uw aandacht te vestigen op de komende kweekperiode. Deze aandacht wordt ruimschoots beloond met het aantal jongen dat u anders bij wat minder zorg zeker zou kosten, en dat is toch zeker niet de bedoeling van onze kweek. Ik hoop dat ik met dit artikel jullie aandacht mag vragen voor deze punten, waarbij je kweek ze zal bevestigen.

Wout van Gils

Tips – Kanaries kweken

Kanariekweektips

U zult al merken bij het opschrift van dit artikel dat ik u eigenlijk niets nieuws wil vertellen, zeker niet voor de ervaren liefhebber. Onze beginners zullen wel weer nuttige tips kunnen vinden in dit artikel. Mijn bedoeling is eens een opsomming te geven in vogelvlucht over de wijze van vogels te verzorgen voor en tijdens de kweek. Dit in de vorm van een aantal korte zinnen, die anders dikwijls in een lang artikel, weinig of niet aan bod komen.

Tips voor het begin van de kweek (februari):

1. Zorg dat uw vogels de leeftijd hebben van ongeveer 10 maanden, bij voorkeur de mannen iets ouder.
2. Zorg dat de vogels, zowel mannen als poppen, vanaf september van elkaar gescheiden zijn (niet zichtbaar), vooral als het uw kweekvogels betreft.
3. Begin vanaf begin januari met het dagelijks geven van een portie eivoer van uw keuze.
4. Geef wekelijks vanaf begin december wat magere melk. Geef ook regelmatig natuurlijke vitaminen (zoals poten, appel, sinaasappel, witlof, enz.), die ze binnen enkele uren kunnen consumeren.
5. Schakel eind december het licht in voor ongeveer 13 uur, verdeeld over de ochtend en avond. Let op dat de klok mogelijk wordt verzet.
6. Was de kooien begin januari en spuit ze in met Baygon.
7. Voeg vanaf januari tweemaal per week Alvityl toe aan het drinkwater.
8. Voorzie ook vogelgrit en sepia in de volières.
9. Controleer in de derde week van januari de vogels. Let op of de mannen een verdikte tap krijgen en of de poppen al veertjes beginnen te verliezen aan de onderbuik.
10. Als dit het geval is, kunnen de mannen in de kweekkooi worden geplaatst, en stel tegelijkertijd de lichturen in op maximaal 16 uur.
11. Geef de mannen nu warmte bij ongeveer 15 graden, indien mogelijk ook de poppen.
12. Begin vanaf dit moment ook met het toevoegen van tarwekiemolie aan het eivoer, ongeveer driemaal per week (ook aan de poppen).
13. Het is aan te raden om eenmaal per week drie beschuiten met een hardgekookt ei te geven, dit 8 minuten gekookt, gemengd met wat tarwekiemolie.
14. Zet na een week mannen op in afzonderlijke kooien en enkele poppen of allemaal in het kweekhok voor de mannen, maar koppel ze nog niet. Dit ongeveer 4/5 dagen lang.
15. Controleer de poppen en de mannen opnieuw. De man moet een verdikte tap laten zien.
16. Als de pop een kale onderbuik heeft en de man een verdikte tap, kunnen de vogels worden gekoppeld. (Laat iets weten)
17. Geef de vogels nu ook een vijfdaagse kuur met ESB3. Na 5 dagen Alvityl geven gedurende 5 dagen.
18. Als na ongeveer 4/5 dagen koppelen de mannen de poppen goed voeren, kan nestmateriaal worden gegeven. Denk eraan sepia en grit in de kweekkooi te doen. OPM: De vogels kunnen al na een tweetal dagen wat op dreef worden gebracht door een paar sprieten nestmateriaal te geven.
19. Blijf tarwekiemolie geven totdat de vogels het nest klaar hebben. Stop daarna met het geven ervan. Als het nest gereed is, stop dan ook met het geven van eivoer.
20. Geef dagelijks zuiver water en was de drinkflesjes meerdere keren schoon in verband met de vitamines.

Tips voor vroege kweek:

1. Als u vroeg wilt kweken, moet u niet alleen rekening houden met bovenstaande punten, maar ook met enkele andere belangrijke zaken.
2. Verwarm tijdens het broeden tot ongeveer 15 graden. Als de jongen uitkomen, moet de temperatuur omhoog tot 14 tot 16 graden, anders zal de pop weinig of niet van het nest komen.
3. Als u verwarmt, moet u het vochtgehalte goed in de gaten houden. Dit moet ongeveer 70% zijn en gedurende de hele kweekperiode zo blijven, met een kleine stijging maar zeker niet lager dan 60%.
4. Zorg voor goede, droge bodembedekking (grit met kattenbakvulling en wit zand) of andere bodembedekkers. Blijf alert op een droge bodem.
5. Geef de vogels een bakje water aan de kooi zodat ze zelf de vochtregulatie kunnen beheren. Dagelijks voorzie ze van zuiver water.
6. Realiseer u dat waar gestookt wordt, ook zuurstof wordt verbruikt. Dit wordt vaak over het hoofd gezien door veel vroegkwekers, met als gevolg veel dode jongen in het ei en mislukte kweken. Zonder zuurstof

en/of vocht is er geen leven mogelijk. Vernieuw dagelijks het zuurstofgehalte, bijvoorbeeld door ‘s ochtends en ‘s avonds de deur van uw kweekhok open te laten staan, ondanks de kou buiten. BLIJF OOK ALTIJD UW VOCHTGEHALTE CONTROLEREN. VERGEET DIT NOOIT.
7. Geef weer eivoer aan uw koppels 2 dagen voordat de jongen uitkomen. Als de man de pop te veel verwent op het nest, zal de pop misschien minder van het nest komen en zullen de jongen minder worden gevoerd. Als u dit vaststelt, haal dan de man weg. U kunt hem later gewoon weer terugplaatsen.
8. Bij vroegkweek is een veelvoorkomend feit dat de mannen erg agressief worden en de pop of jongen storen op het nest. Dit kan worden waargenomen als er regelmatig nestmateriaal op de bodem van de kweekkooi ligt. De enige oplossing is om de man weg te nemen, anders kunnen er problemen ontstaan.
9. Ook de pop zal eerder driftig worden. Geef daarom de pop een tweede nestkast als de jongen ongeveer 16 dagen oud zijn. Met andere woorden, de pop moet het eerste ei hebben gelegd van de tweede ronde als de jongen van de eerste ronde uitvliegen. Op deze manier wordt het verenpikken voorkomen, enzovoort.
10. Blijf gewoon geven wat u gewend bent aan uw vogels tijdens de kweek.
11. LET OP: Plaats de jongen van de eerste ronde nooit in een onverwarmde ruimte. Eerst in een overgangskooi en daarna in een grotere volière. Blijf de eerste dagen controleren of uw jongen het voer en het drinkwater kunnen vinden. En bezuinig nooit op uw eivoer en natuurlijke vitaminen.

Opmerking:
Ik hoop dat deze tips uw geheugen weer wat hebben opgefrist. Als u andere methoden heeft, zoals normaal is, laat het ons dan weten. Verder kan ik alleen maar zeggen:

Wout van Gils

Het zelfstandig worden van nestjongen.

kan jong

Het zelfstandig worden van nestjongen!!!

Vaak hoort men dat er veel jonge vogels sterven zodra ze bijna zelfstandig zijn. Natuurlijk selecteert de natuur zwakke vogels, maar het is ook jammer wanneer jongen sterven terwijl dat eigenlijk niet had moeten gebeuren. Ondanks dat sommige vogels onvermijdelijk zullen sterven, zijn er toch enkele punten waarop gelet moet worden bij het scheiden van jonge vogels van hun ouders. Hierover wat meer informatie.

Wanneer zijn jongen zelfstandig?

Veel kwekers herkennen dit direct, sommigen letten op de leeftijd (ongeveer 3 weken), maar een goed herkenningsteken is nog steeds het volgroeide V-teken in de staart van de jonge vogel. Als dit goed zichtbaar en ontwikkeld is, is de vogel zeker zelfstandig, eet hij voldoende zelfstandig en pelt hij ook zaad goed. Dagelijks moet nog steeds eivoer beschikbaar zijn. Als je ziet dat de jongen goed eten en het V-teken goed ontwikkeld is, kunnen de jongen apart worden geplaatst. Het is het beste om, als je de mogelijkheid hebt, de vogels ongeveer 14 dagen in een overgangskooi (kweekhok, klein vluchtje, of iets anders) te plaatsen voordat je ze in een grotere volière zet. Zorg ervoor dat de vogels in deze kooi hun drinkwater gemakkelijk kunnen vinden, plaats het dichtbij het zaad en eivoer. Zorg voor voldoende zitstokjes en een goede, droge bodembedekking. Laat de vogels hier ongeveer 14 dagen verblijven voordat je ze naar een ruimere volière verplaatst. Blijf ze uiteraard dagelijks goed observeren en let op tekenen zoals doffe ogen of piepende geluiden, wat kan duiden op problemen. Zorg voor goede voeding en plaats zwakkere vogels indien nodig terug bij de ouders of geef ze aan een pleegouder. Over het algemeen zullen er echter weinig problemen zijn als je de jonge vogels op deze manier overplaatst.

Plaatsen in grotere volières:

Als de vogels ongeveer 14 dagen in een overgangsruimte hebben gezeten, kunnen ze worden overgezet naar een grotere ruimte, wat ook wordt aanbevolen voor de ontwikkeling van de jonge vogels. Zorg er natuurlijk voor dat deze ruimte goed is ontsmet en beschermd tegen ongedierte op de lange termijn. Let erop dat water en voer gemakkelijk te vinden zijn voor de jonge vogels, met voldoende en stevig gemonteerde zitstokken. Het is aan te raden om voor elke vogel een aparte zitstok te hebben. Zorg ervoor dat het water altijd in de buurt van het voer staat, vooral in het begin. Verplaats de vogels altijd ‘s ochtends zodat ze de hele dag de ruimte hebben om deze te verkennen. Plaats nooit oudere vogels bij deze jonge vogels, omdat dit verenpikken kan veroorzaken. Zorg voor voldoende afleiding, hang wat strengen trosgierst op verschillende plaatsen op; vogels zullen er graag in pikken en bezig blijven, wat verveling en verenpikken voorkomt. Zorg voor voldoende grit en zorg dat de bodembedekking droog blijft. In het begin zullen de vogels niet alle zaden oppikken, maar na enkele weken zal dit zeker gebeuren. Geef dagelijks nieuw vers zaad, ongeveer 5 gram per vogel per dag. Blijf gedurende de eerste maand dagelijks eivoer geven en verminder dit geleidelijk naar 2 tot 3 keer per week.

Het mag nooit worden vergeten dat jonge vogels en eigenlijk al je vogels twee keer per week badwater moeten krijgen. Doe ook eenmaal per week wat badzout in het water; dit komt de bevedering ten goede en voorkomt vedermijten. Dit is ook essentieel voor de ontwikkeling van het verenkleed van de jonge vogel. Tijdens de rui van de vogels zullen af en toe veren uit de staart en vleugels vallen. Normaal ruien staart- en vleugelpennen niet, maar door vechtpartijen of andere gebeurtenissen kunnen vogels wel eens een pen verliezen. Het is aan te raden deze losse veren uit de ruimte te verwijderen om te voorkomen dat andere vogels eraan pikken, wat tot verenpikken kan leiden. Vogels die om welke reden dan ook bloeden, moeten ook onmiddellijk worden verwijderd om verenpikken te voorkomen. Het opvangen van pluisjes en losse veertjes kan goed worden gedaan door een schuin plankje aan de achterkant van de ruimte te plaatsen, waaronder deze zich verzamelen en eenvoudig kunnen worden verwijderd. Natuurlijk worden de jonge vogels af en toe voorzien van een stukje appel, sinaasappel of iets anders, maar altijd in hoeveelheden die in een paar uur worden opgegeten om overvoeding te voorkomen. Het is ook belangrijk om de eerste en tweede ronde jongen gescheiden te houden en niet bij elkaar te plaatsen. Zet ook geen oudere vogels bij hen, zeker geen overjarige, en laat jonge vogels van verschillende leeftijden niet samen ruiperiodes doormaken. Het komt de ontwikkeling van de jonge vogels zeker niet ten goede.

Conclusie:

Met al deze genoemde aandachtspunten kunnen de jonge vogels zich goed en zonder problemen ontwikkelen, een mooi en gezond verenkleed krijgen en weinig sterven of misvormde veren krijgen. En daar doen we het allemaal voor.

Succes.

Wout van Gils.

Hoeveel broedrondes voor jonge kanaries zijn ideaal?

pop broed

Hoeveel broedrondes voor jonge kanaries zijn ideaal?

Dit is eigenlijk heel duidelijk bij een normale kweek: als je pop twee nestjes jongen grootbrengt, zou twee rondes voldoende zijn. Als een ronde onbevrucht is, kan overwogen worden en is het acceptabel om nog een ronde te doen. Dit is natuurlijk afhankelijk van wanneer je met de kweek bent begonnen en uiteraard de leeftijd van de vogel. Het heeft weinig zin om eind juli nog te beginnen met een nieuwe ronde. Het moet dan ook duidelijk worden afgeraden om vogels die kort voor de ruiperiode staan, te laten beginnen met een volgende ronde. Het grootbrengen van enkele nesten jongen is voor de pop een flinke taak geweest, en zij heeft haar energie de komende tijd hard nodig om goed en tijdig door de rui heen te komen.

Daarbij moeten we ook niet vergeten dat erg late jongen meestal problematisch zijn. Tevens hebben we de ouder vogels overdreven belast en zij ondervinden daar hinder van tijdens de komende ruiperiode. De algemene regel is eigenlijk dat men na de langste dag geen vogels meer tot broeden aanzet. Dit komt niet op enkele dagen aan, maar na 1 juli moet het eigenlijk gedaan zijn met de aanzet tot kweken van vogels (bij de meeste soorten). Alle jongen die je dan gekweekt hebt, zijn meestal van die leeftijd, zeker die van de eerste ronde, om komend seizoen een goede leeftijd te hebben om mee verder te gaan kweken.

Ik weet dat de verleiding erg groot is als een van de vorige ronden niet goed is geweest, nog gauw een ronde erbij te pakken. Met een soort excuus zoals de vogels zijn nog in goede conditie. Dit kan en de vogels zullen ook nog net hun jongen grootbrengen. Maar vergeet niet dat je vogels daarna nog veel energie nodig hebben om goed door de rui te komen. Elke veer moet vervangen worden, en dit is een heel karwei. Wij als liefhebbers moeten alleen zorgen voor de voeding, vitaminen, mineralen, en veel badwater. Maar de vogel moet voldoende kracht hebben om dit te volbrengen in de komende 7 à 8 weken. Eigenlijk moet er tussen de broed- en ruiperiode een rustperiode liggen van enkele weken.

Een derde ronde is eigenlijk alleen aan te bevelen als de kweek wat vroeger is begonnen met kunstlicht en warmte, en als er een ronde verloren is gegaan. Alle andere beslissingen om een derde ronde in te gaan, gaan zonder meer ten koste van de gezondheid van het ouderkoppel en/of van de liefhebber zelf in de vorm van teleurstellingen. Zo zal de pop stoppen met voeren als ze begint te ruien, en de man zal niet meer bevruchten als de rui invalt. Kortom, eigenlijk genoeg aanwijzingen om maar twee rondes te doen. Maar denk aan de einddatum van omstreeks 1 juli; het zal teleurstellingen voorkomen en je oude vogels helpen beter door de rui te komen. Ik weet wel dat er weer uitzonderingen zijn, maar uitzonderingen bevestigen nog altijd de regel. En meestal horen we ook alleen maar van de uitzonderingen. Maar of dit goed is, denk ik niet. Laten we de normale regels maar volgen.

Succes met de kweek.

Wout van Gils

Broeden opletten is de boodschap.

pop broed

Het broeden vereist aandacht. W.v.Gils.

Tijdens het broeden ontwikkelt zich binnenin het ei het embryo. Om dit proces optimaal te laten verlopen, zijn verschillende factoren van belang, zoals licht, temperatuur en zuurstof. Er zijn al meerdere artikelen geschreven over dit onderwerp. Het aanbieden van geschikt en voldoende nestmateriaal is eveneens essentieel, zodat de pop de mogelijkheid heeft om een stevig nest te bouwen. Tijdens het broeden keert de pop regelmatig de eitjes, en daarom is het cruciaal dat het nest goed is gemaakt en stevig is. Dit voorkomt vastliggende eitjes en het afsterven van het embryo. Door het keren wordt ook voorkomen dat de eiwitsnoeren uitzakken en breken, wat ook schadelijk kan zijn voor het embryo.

Gedurende het broeden heerst er in het ei, afhankelijk van de vogelsoort, een temperatuur tussen de 35 en 39 graden. Deze warmte wordt gegenereerd door de broedvlek onder de borst van de vogel, die goed doorbloed is. Dit zorgt voor een juiste warmteoverdracht naar de eieren. Bij warm weer kan de pop met open bek hijgen om warmte af te voeren. Het is belangrijk dit zoveel mogelijk te voorkomen en nestbakjes niet te dicht bij een felle warmtebron te plaatsen of in de volle zon. Tijdens de broedperiode komt de pop zelden van het nest af, en bij een gezonde pop vind je de ontlasting meestal bij de voer- of drinkbakjes. Zorg altijd voor voldoende zuurstof en vocht in de ruimte, omdat het ei ook zuurstof in- en uitademt.

Verzorging van het broedsel:

Op voorhand moet je beslissen of je de eitjes rapen en na het vierde ei terugleggen, of ervoor kiezen om ze te laten liggen. Beide methoden kunnen succesvol zijn, met een lichte voorkeur voor het rapen en gelijktijdig terugleggen. In de eerste dagen van het broeden moet je ervoor zorgen dat de eitjes niet te snel afkoelen. Laat de broedende vogel zo veel mogelijk met rust, zorg voor voldoende lucht en zuurstof, en een goede vochtregeling is van groot belang. Stop met het geven van eivoer tijdens het broeden en hervat dit pas een dag voor het uitkomen. Let op de pop als ze veel van het nest afkomt, dit kan duiden op een verstoring van haar conditie of zelfs bloedluizen. Hang waterbakjes aan de verwarming en geef de pop regelmatig de kans om badwater te nemen.

Maak er ook een gewoonte van om tijdens het voeren de deur van je kweekruimte open te laten staan, zodat er voldoende verse lucht binnenkomt, wat ten goede komt aan het broedsel. Controleer na ongeveer vier dagen broeden regelmatig het nest om te voorkomen dat eitjes vast komen te liggen, vooral bij grotere nesten. Het licht benevelen met lauw water enkele dagen voor het uitkomen wordt ook aanbevolen.

eitjes schouwen

Het uitkomen van de jongen:

Dit is een van de mooiste momenten voor veel liefhebbers. Als de jongen klaarstaan om uit te komen, geven grotere vogels dit aan door hoorbare piepgeluidjes. Dit zijn signalen om de pop te activeren, waardoor een soort moederinstinct wordt opgewekt, inclusief voeden, beschermen en verzorgen van de jongen. Een cruciaal onderdeel voor het uitkomen is de luchtkamer in het ei. Het jong heeft veel zuurstof nodig tijdens de voorbereiding op het uitkomen. Op de laatste dag doorprikt het jong de binnenste schaalhuid om toegang te krijgen tot de luchtkamer. Daarna begint de actieve ademhaling. Als daarna ook de kalkschaal barst, heeft het jong voldoende zuurstof om uit het ei te komen. Een nieuw leven kan beginnen. Het belang van natuurlijke elementen voor een succesvol broedsel wordt hiermee benadrukt.

Het is van essentieel belang dat de broedvogels gezond en in goede conditie zijn, want alleen dan kunnen bevruchte en levensvatbare eieren worden gelegd en uitgebroed.

Let op de ligging van de eitjes met de spitse punten naar elkaar toe en een glanzend oppervlak. Dit duidt op een perfect functionerend broedsel.

Succes,

Wout van Gils.

Help er vallen steeds vleugelpennen

veren donsveren

Help, er vallen enkele vleugelpennen uit bij mijn kweekmannen!

Help, er vallen enkele vleugelpennen uit bij de kweekmannen! Hoe komt dit nu, en wat kan ik eraan doen? Deze vraag wordt regelmatig gesteld via De KANARIE HOMEPAGE, e-mail en andere ontmoetingen in de afgelopen jaren. Ook ikzelf heb hier last van, zij het niet bij allemaal, maar toch te veel. De vragen zijn moeilijk te beantwoorden omdat ik er zelf al ongeveer vier jaar mee te maken heb en geen directe oorzaak/oplossing kan vinden. Ik heb wel jarenlang gegevens verzameld en er vragen over gesteld, maar tot nu toe heb ik nog geen duidelijk antwoord gekregen. Wat ik weet, heb ik in dit artikel weergegeven. Hopelijk kan dit u van dienst zijn. Een zaak staat wel vast: het is een beginnende rui die weliswaar niet direct doorzet, maar zich uit tot het verliezen van enkele vleugelpennen. Meestal betreft het de 6e en 7e pen in de vleugel, maar ook vaak de 4e en 5e pen. Het probleem doet zich meestal voor bij de mannen en zelden, in veel mindere mate, bij de poppen. Dit artikel schrijf ik om via deze weg nog meer gegevens te verzamelen en hopelijk tot een reden/oorzaak te komen. Als u er ook last van heeft en gegevens of een reden kunt opgeven, ben ik u dankbaar deze informatie door te sturen naar mijn e-mailadres. Op een later moment zal er dan een vervolgartikel over geschreven worden met hopelijk meer duidelijkheid over dit probleem. Ik hoop op talrijke medewerking van onze kanariekwekers. Dit artikel mag overgenomen worden voor uw clubbladen, informatieavonden, enz. Met hopelijk veel informatie die teruggekoppeld wordt en een oplossing kan aandragen. Kanariekwekers, laat eens van je horen. Dit moeten we toch kunnen oplossen met zijn allen?

Wat stelt men vast:

Tijdens de kweek eind mei, begin juni, merken veel liefhebbers dat er enkele pennen rond dwarrelen in het kweekhok. In eerste instantie staat men er niet zo bij stil, maar als dit regelmatig terugkomt en in diverse hokken wordt waargenomen, begint het echt op te vallen. Bij controle valt dan op dat het de mannen zijn die enkele pennen laten vallen, soms de 6e, 7e en/of 8e pen in de vleugel, maar ook wordt regelmatig vastgesteld dat het de 4e of 5e pen in de vleugel is. Later zal blijken dat van deze mannen de meeste nestjes onbevrucht zijn, of er is van een legsel van 4 of 5 eitjes maar één ei bevrucht. Een opvallende constatering is ook dat de vogel niet verder gaat met pennen gooien en voorlopig ook niet verder in de rui valt. Het blijft beperkt tot deze pennen in de vleugels. Als men de vogel op een later moment in de volière plaatst, zal na enkele weken de rui verder gaan.

Vreemd is dat de poppen hier veel minder last van hebben. Er is hier misschien een reden voor aan te halen: de poppen hebben meestal bij vroegkweek enkele weken minder lichturen gehad dan de mannen. Een veelgehoorde opmerking is ook: “Ik kweek al meer dan 10 jaar, doe nog steeds hetzelfde qua belichting en voorbereidingen op de kweek, maar ik heb hier pas de laatste 4 à 5 jaar last van gekregen.” Inderdaad, dat stel ik zelf ook vast.

Enkele vermeende oorzaken:

Sommigen dachten dat het mannen waren waarmee tentoonstellingen waren gespeeld. Deze vogels werden direct of na een korte periode ingezet voor de kweek, en deze mannen zouden dan hun pennen eind mei, begin juni laten vallen. Dit zou een oorzaak kunnen zijn. Maar ik heb dit opgevolgd. Het bleek inderdaad dat sommige mannen de pennen lieten vallen, maar opvallend was dat er ook mannen waren waarmee ik niet had tentoongesteld. Dus dit is toch niet de hoofdoorzaak.

Een andere oorzaak die men dacht, is dat het mannen waren die bij de pop werden weggenomen omdat deze te vet werd in de kweekkooi of de pop en jongen lastigviel. Deze mannen zouden te lang in de volière hebben gezeten alvorens terug bij de pop te worden gezet. Ook hier blijkt weer dat enkele mannen pennen lieten vallen, maar bij de meeste kwekers gebeurde dit niet. Dus ook hier weer geen 100% reden voor het laten vallen van de pennen. Dit gebeurde wel als men de mannen te lang in de volière liet en van de pop afhaalde.

Een aantal kwekers stelde vast dat het meestal jonge mannen waren die deze pennen lieten vallen, en de oudere mannen die langer op rust zijn, dit niet of op enkele na geen pennen lieten vallen. Ook deze gedachte heb ik gecontroleerd, ook hier had ik helaas weer verschillende vaststellingen. Inderdaad, als de man te lang in de volière blijft, valt deze versneld in de rui. Maar bij mannen die hooguit maar een kleine week in de volière hadden gezeten, werden bij diverse kwekers ook nog pennen gestoten. Dus ook geen concreet antwoord/vaststelling.

Een andere opmerking is dat we onze vogels te veel lichturen geven, dit begint al bij de voorbereiding, meestal wekelijks een uur tot anderhalf uur erbij tot we aan de 15 uur zitten. De mannen hebben dan al twee weken meer licht dan de poppen. Enkele kwekers beweren dat als men wekelijks de uren opvoert met een half uur en de maximale lichturen op hooguit 13 uur laat uitkomen, het euvel verholpen zou zijn. Dit is iets wat we kom

end seizoen gaan uittesten, ikzelf met enkele collega kwekers. En dan moeten we vervolgen!

Een andere opmerking die ik kreeg van goede kwekers is dat zij denken dat het mannen zijn die bij poppen zitten die minder goed en snel overgaan tot broeden en jongen grootbrengen, en bij mannen die veel gebruikt worden voor wisselbroed. Dit heb ik bij mezelf gecontroleerd. Ik had ook mannen die bij erg goede poppen zaten, een gemiddelde van 4 jongen, maar waarvan de man de eerste week in juni pennen gooide. De oorzaak wisselbroed heb ik niet kunnen controleren, daar ik dit minder doe. Een en ander gaan we natuurlijk wel vervolgen.

Een opvallende constatering is dat verschillende kwekers meldden dat als men begint te kweken begin maart, men er geen last van heeft. Zij geven dus duidelijk aan dat te veel lichturen wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Maar ik stel dan weer de vraag: waarom is dit pas de laatste 4 à 5 jaar opgekomen? Voor die tijd deden we hetzelfde, er gebeurde niets, dus geen pennenwerpen. Ikzelf begin met belichten begin februari en koppel op 1 maart, en toch zijn er jaarlijks een aantal mannen die het hebben. Maar dat het licht een gedeelde oorzaak heeft, ben ik van overtuigd.

Een andere opmerking die ik enkele malen hoorde en tegenkwam, is dat de oorzaak gezocht moet worden in het te lang in topconditie zijn van je fokvogels. Er wordt te veel van geëist, en de pennen die ze gooien zijn een vorm van conditieverlies. Dit zou mogelijk kunnen zijn als het tentoonstellingsvogels betreft, maar we zijn er onlangs achter gekomen dat dit zeker niet altijd het geval is. Dus ook hier geen duidelijke oorzaak.

Enkele kwekers meldden mij dat het niet goed verzetten van het zomeruur in je kweekhok wel eens de reden zou kunnen zijn. Zij adviseren niets aan de zomertijd te doen en de klok op wintertijd te laten staan. Dit zelf heb ik niet gecontroleerd, omdat ik dan ‘s ochtends problemen heb met het voeren van de vogels omdat het dan nog donker is. Maar als meer liefhebbers dit vaststellen, is het belangrijk dit te weten. Laat het dan ook horen.

Oplossingen:

Zoals de oproep blijkt in dit artikel, kan ik en vele anderen die ik al geraadpleegd heb nog geen directe oplossing geven. Of toch? Enkele kwekers met grote ervaring die beginnen te kweken in maart (de koppeldatum geven ze aan op 19 maart) beweren er totaal geen last van te hebben, en zij geven dan aan dat dit wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Maar daarmee is de gestelde vraag nog niet beantwoord waarom we er een jaar of 5 geleden geen last van hadden, toen we bijvoorbeeld in februari begonnen te kweken. Maar toch komt hier weer naar voren dat het aantal lichturen wel eens de oorzaak kan zijn en er zeker iets mee te maken heeft. We moeten proberen vast te stellen waarom dit dan nu wel gebeurt en voorheen niet.

Opvallende vaststellingen:

Dat zijn ze eigenlijk allemaal, maar het merkwaardige aan het pennenstoten is toch dat het meestal maar een beperkt aantal vogels is, die onder dezelfde omstandigheden zijn voorbereid op de kweek en hetzelfde aantal lichturen hebben gehad. Een andere opmerking is dat het meestal de 6e, 7e, 8e of pen is die in de vleugel wordt afgestoten. Waarom dit nu zo is, daarom staat er ook ‘Help’ voor dit artikel. Ik hoop op veel reacties en vaststellingen om te komen tot een reden van en oplossing voor het vallen van enkele pennen.

Ook dat sommige mannen nog enkele eitjes bevruchten is opmerkelijk, maar toch zeggen de meeste kwekers dat ze het risico niet willen nemen en een andere man nemen. Het geeft duidelijk aan hoe groot het probleem is van het gooien van enkele pennen.

Vreemd is ook dat het geruime tijd blijft bij het gooien van deze 3 pennen en zoals eerder vermeld ook op de 6e, 7e of 8e pen, en daarna weinig of niets meer. Normaal begint de rui ook door te lopen naar de borstveertjes. Maar daar is hier duidelijk nog niet het geval.

Waarom de poppen weinig of geen last van hebben, is ook erg vreemd te noemen, al is dit niet helemaal waar. Sommige kwekers meldden dat het bij hen ook poppen waren die het deden. De vaststelling in mijn kweekhok is dat het duidelijk mannen waren en geen poppen.

Wout van Gils

De volière als gezelschapsruimte

De volière als gezelschapsruimte: (en voor het kweken?)

Wanneer men hierover spreekt, weet men dat het te maken heeft met een vogelliefhebber, en dit kan verschillende vormen aannemen. Zeker wanneer men vogels houdt in een volière, varieert het van een gezelschapsvolière tot doelgerichte kweekvolières, bijvoorbeeld voor het kweken van goudvinken en andere parkieten. Er zijn diverse mogelijkheden beschikbaar. Volières voor doelgerichte kweek bevatten meestal een specifiek koppel voor de fok of pogingen tot fokken. Dit zijn vaak kwekers die zich richten op tentoonstellingen of hobbyisten die zich specifiek richten op één of enkele soorten, die dan apart worden gehouden om het resultaat te bevorderen en te overzien. Aan de andere kant is de gezelschapsvolière iets heel anders, maar ook een prachtige vorm van hobby en tijdsbesteding, inclusief een mooie aankleding van de tuin. Veel vogelliefhebbers zijn op deze manier ervaren kenners/vogelkwekers geworden en zijn vervolgens overgestapt naar specifieke kweek per koppel en per volière, en zelfs naar het kweken volgens standaardeisen met deelname aan tentoonstellingen. Deze ontwikkeling heeft bijgedragen aan het behoud van bedreigde vogelsoorten, zoals onze goudvinken, die zelden te zien zijn in de natuur, maar nu in grote aantallen worden gefokt door Europese vogelkwekers.

Over deze vorm van vogelliefhebberij nu iets meer:

Zoals hierboven beschreven, is een gezelschapsvolière een ruimte waar meerdere soorten vogels worden gehouden, meestal niet met het doel om te kweken. Het wordt ergens in de tuin geplaatst, deels in het zonlicht maar niet de hele dag, met een binnenruimte eraan toegevoegd, en wat beplanting. Daarna kunnen de vogels erin worden geplaatst. Meestal wordt er geen voorafgaand onderzoek gedaan naar welke soorten vogels goed samen kunnen leven. De volière wordt snel bevolkt, maar al snel realiseren mensen zich dat sommige vogels moeilijk samen kunnen leven. Dit leidt tot vechtpartijen en soms gewonde vogels, soms met fatale gevolgen. De liefhebber begint dan na te denken over de redenen hiervoor en zoekt advies bij andere kwekers. Vaak wordt dan besloten om een of meerdere soorten te verwijderen. Dan rijst de vraag welke vogels wel samen kunnen worden gehouden. Wanneer dit wordt ontdekt, maken mensen vaak een keuze en ontstaat de specialisatie bij een vogelliefhebber. Hij begint meer gericht te kweken naar specifieke soorten in afzonderlijke ruimtes. Zo wordt een vogelliefhebber in specialisatie gevormd!

Sommige kwekers blijven dit accepteren en hebben een gezelschapsvolière met vogels die redelijk goed samen kunnen leven, hoewel er af en toe vechtpartijen zijn. Maar deze vechtpartijen worden vaak intenser in het voorjaar. Dit is normaal omdat elke vogel zijn territorium wil verdedigen, vooral tijdens het paringsseizoen. Mannen vechten om een pop of om hun territorium, wat resulteert in meer vechtpartijen. Ondanks enkele vogels die nog steeds proberen te broeden, kan dit tot teleurstellingen leiden. Het is belangrijk om bij het starten van een gezelschapsvolière goed te overwegen wat je wilt. Het kweken kan minimaal zijn vanwege de bovengenoemde problemen, maar het kan ook een mooie vorm van hobby zijn. Zoals eerder gezegd, zijn veel liefhebbers met specialisatie begonnen door op deze manier te beginnen en zijn ze uitgegroeid tot ervaren vogelkenners. Daarom is een gezelschapsvolière ook een prachtige vorm van hobby. Houd er echter rekening mee dat het kweken in deze ruimte problemen kan opleveren als je verschillende soorten bij elkaar houdt. Voor kanaries geldt bijvoorbeeld een regel van één man op drie popjes ofwel drie mannen op 8 à 9 popjes. Specialisatie is een bekend begrip in onze hobby: het houden van vogels.

Succes,

Wout van Gils.

Schema tijdklok kweek kleurkanaries

Tijdklokschema voor het kweken van kleurkanaries.

Bij de start van je kweek zijn er verschillende manieren om je vogels, die natuurlijk 9 maanden oud moeten zijn, goed voor te bereiden op de kweek. Hierbij speelt het licht een belangrijke rol. Voor kwekers die beginnen in maart, is hieronder een schema opgesteld. Uiteraard kun je het schema eenvoudig aanpassen aan je eigen startdatum, of je nu vroeg, midden of laat in het kweekseizoen begint.

Week nummerLicht aanLicht uitAantal uren lichtDatumOpmerkingen
37:30 uur18:45 uur11,25 uur12 januari2x per week eivoer
47:30 uur19:15 uur11,75 uur19 januari3x per week eivoer
57:00 uur19:30 uur12,5 uur26 januari3x per week eivoer
66:45 uur20:00 uur13,25 uur2 februari4x per week eivoer
76:30 uur20:30 uur14,0 uur9 februari4x per week eivoer
86:15 uur20:30 uur14,5 uur16 februariMannen in kweekkooi
96:00 uur20:25 uur15,75 uur23 februari4x per week eivoer
106:00 uur21:00 uur15,0 uur2 maartKoppelen, 4 dagen later nest

Opmerkingen:

– Voeg wat extra hennep- en pirella/sicoreizaad toe aan het eivoer.
– Voeg ook wat Fertibol of tarwekiemolie toe onder het eivoer.
– Blijf badwater geven; gezonde vogels baden altijd.
– Controleer de vogels op darmlussen en levervlekken (deze verwijderen).
– Zorg voor voldoende grit, maagkiezel en sepia.
– Onthoud: Ontsmetten is niet hetzelfde als bestrijden; beide stappen zijn nodig!
– Controleer of de zitstokken niet los of te hoog zitten in je kweekkooien.
– Controleer of de nagels niet te lang zijn; knip ze anders bij.
– Trek stuitveertjes nooit uit; laat ze zitten, ze zijn zaadgeleiders.
– Laat je niet haasten door een drifteitje in de vlucht; dit is een teken dat alles goed gaat.
– Veel pluimpjes rond de drinkbak geven aan dat alles goed gaat.
– Geef mannen in de kweekkooi wat extra hennepzaad.
– Vanaf nu niet meer van eivoermerk veranderen.
– Indien mogelijk, bij de mannen in de kweekkooi, voorzichtig verwarmen tot ongeveer 15 graden.
– Let op de leeftijd van de vogels; minimaal 9 maanden oud zijn!
– Inteelt alleen met forse, gezonde vogels doen.

Let op bij het koppelen; zorg altijd dat wat de ene vogel te veel heeft, de andere te kort heeft. Let ook goed op de lengte van de bevedering.

Wout van Gils.

Broed kalender

voeren

Voor het bijhouden van je kweekresultaten, het verstrekken van voeding, enzovoort, is het belangrijk om te weten wanneer de gelegde eitjes uitkomen. De meeste kwekers rapen hun eitjes en zetten de vogels aan tot broeden bij het vierde of vijfde ei. Deze broedkalender helpt je bij het berekenen van het moment waarop de bevruchte eitjes uitkomen. Bijvoorbeeld, als ze zijn gelegd op 22 februari, komen ze uit op 7 maart.

BROEDKALENDER VOOR KANARIE VOGELS
Heel eenvoudig om te zien wanneer je jonge vogels mag verwachten. Gedaan met dat uittellen.
Januari12345678910111213Januari
Januari14151617181920212223242526Januari
Januari272829303112345678Januari
Februari9101112131415161718192021Februari
Februari22232425262728123456Februari
Maart78910111213141516171819Maart
Maart2021222324252627282930311Maart
April234567891011121314April
April15161718192021222324252627April
April28293012345678910April
Mei11121314151617181920212223Mei
Mei242526272829303112345Mei
Juni6789101112131415161718Juni
Juni19202122232425262728293031Juni

Enkele aandachtspunten tijdens het broeden:

– Hou de vochtigheid tussen 55% en 65%. Bevochtig anders de vloer lichtjes en plaats waterbakjes op de verwarming.
– Zorg voor voldoende zuurstof in je kweekhok.
– Geef geen eivoer tijdens de broedperiode.
– Controleer om de drie dagen of er geen eitjes vastzitten.
– Let erop dat de man de pop en het nest met rust laat; verwijder anders de man.
– Geef regelmatig badwater of benevel de vogel zelf met lauw water.
– Geef geen groenvoer tijdens het broeden en de eerste dagen van de jonge vogels.
– Een gezond broedsel heeft de eitjes altijd met de spitse punt naar elkaar toe liggen.
– Op de dag van het uitkomen iets eivoer geven.
– Daarna, indien mogelijk, driemaal per dag, anders zeker tweemaal per dag.

Veel succes met de vogels.

Wout van Gils.

Uit het nest gooien jonge kanaries

Uit het nest gooien van geringde jonge vogels.

Een van de uitdagingen bij onze kanarie-kweek is het ringen van de vogels. Dit geldt niet alleen voor kanaries, maar ook voor alle andere vogels is dit een kritieke periode. De natuurlijke instincten van onze vogels omvatten natuurlijk voortplanting, maar ook de zorg voor zichzelf en hun jongen. Vooral wanneer de jongen wat groter worden, zullen de ouders steeds meer aandacht besteden aan het schoonhouden van het nest. Hier ontstaat een probleem voor veel vogelliefhebbers, vooral voor degenen die naast hun hobby ook hun dagelijkse brood moeten verdienen en waarvan de partners niet altijd tijd hebben om voor de vogels te zorgen. Het probleem is vaak dat jonge vogels die door sommige ouders zijn geringd, direct uit het nest worden gegooid. Dit heeft meestal negatieve gevolgen; als je er te laat bij bent, kan het jong sterven, en de verwondingen aan de teentjes kunnen ernstig zijn, wat erg jammer en vervelend is. Dat dit gebeurt, is een natuurlijke reactie van de ouders; ze beschouwen de ring als vuil in het nest en willen ervan af! Er zijn echter enkele maatregelen die dit tot een minimum beperken en de kans op het uit het nest gooien van de vogels aanzienlijk verminderen.

Wat te doen bij het ringen (om uit het nest gooien te voorkomen)

– Ring nooit te vroeg; ring pas als er ontlasting op de rand van het nest blijft liggen.
– Het is ook aan te raden om een rubber (vleeskleurig) fietsventiel om de ring te doen.
– Ring je vogels voor of na je werk, zodat je regelmatig kunt controleren.
– Vraag je vrouw of kinderen om af en toe te gaan kijken als je zelf niet kunt.
– Kleur de ring enigszins vleeskleurig met bijvoorbeeld een viltstift.
– Gooi wat zaad onder in het nest nadat de jongen zijn geringd; dit helpt erg goed.

Wat ook goed helpt en wordt aanbevolen: als je al enkele nesten hebt met grotere jongen, begin dan een dag voor het ringen van een nieuw nestje wat goede, vaste ontlasting van de al geringde jongen rond het nestje te smeren van de te ringen jongen. Doe dit totdat de poppen het opgeven, wat aangeeft dat de jongen groot genoeg zijn om de ontlasting op de rand van het nest te leggen. Het werkt; probeer het maar. Maar blijf ook na het ringen alert en controleer nog steeds.

Enkele tips:

Mocht het toch gebeuren dat je jongen uit het nest zijn gegooid, beslis dan niet te snel om het jong in de vuilnisbak te doen. Jonge vogels kunnen veel hebben. Houd het jong, zelfs als je denkt dat het dood is, een aantal minuten in je gesloten handpalm en blaas er regelmatig wat lucht in. De kans is groot dat het jong na enkele minuten weer begint te bewegen. Kortom, je hebt een leven gered. Doe dit altijd voordat je besluit het jong weg te gooien!!! Het kan de moeite waard zijn.

Het plaatsen van het rubberen fietsventiel om de ring is niet eenvoudig, maar er is een handige truc voor. Neem een priem die iets dikker is dan de ringmaat (inwendig), smeer deze in met een klein beetje zuurvrije vaseline en schuif het rubberen ventielslangetje eroverheen. Vervolgens voeg je de ring toe en schuif je de slang over de ring. Snijd hem op maat af en ga door met de volgende. Dit werkt erg goed en snel. Ik hoop dat dit artikel je helpt om te voorkomen dat je jongen uit het nest worden gegooid. Wees extra waakzaam tijdens het ringen van je jongen.

Succes,

Wout van Gils.

Dit koppel wil niet koppelen!

Man pop

Dit koppel wil niet koppelen!!!

Het is geen vaststaand feit, ja zelfs geen voorschrift, dat elke vogel die de leeftijd van 10 maanden bereikt heeft, ook daadwerkelijk wil paren en broedrijp wil worden. Het kan goed voorkomen dat een pop die in een broedkooi geplaatst wordt, geen interesse toont in een huwelijk. Bij het toepassen van “Wisselbroed” is het niet denkbeeldig dat wanneer we de man bij de pop plaatsen, er hevige vechtpartijen ontstaan. Zelfs veren kunnen letterlijk door de kooi vliegen, omdat de pop nog niet klaar is voor een man en absoluut niet van plan is hierop in te gaan. Het is dan van belang dat de liefhebber ingrijpt bij aanhoudende gevechten, aangezien dit constante gevecht schadelijk is voor beide vogels; ze verliezen onnodig veel energie.

Vogels moeten niet eerder worden gekoppeld dan wanneer de broedsymptomen duidelijk zichtbaar zijn voor zowel de pop als de man. De pop/man moet:

– Ongeveer 10 maanden oud zijn.
– Lokroepen geven.
– Een kaal onderlijf tonen, wat aangeeft dat ze broedrijp is.
– Een onderlichaam hebben met de vorm van een stomp kippenei.
– Met veertjes of pluisjes nestmateriaal heen en weer dragen.
– Natuurlijk gezond zijn zonder enige zichtbare darmproblemen bij het opblazen.

Met deze eigenschappen zal de pop de man herkennen en zal ze na een periode van 10 dagen het nest gereed hebben en het eerste ei leggen. Toch kan het voorkomen dat een pop, ondanks in broedconditie te zijn, de man niet accepteert en dat de gevechten in de broedkooi aanhouden. In dat geval moet de man worden verwijderd. Let dan goed op, want de pop zal lokroepen geven en je zult snel merken dat er een andere man is die op die lokroep antwoordt. Het resultaat is dat beide vogels aan elkaar gekoppeld zijn door hun lokroep, en het is niet gemakkelijk om hier een andere man tussen te krijgen. Dit resulteert meestal in een nestje onbevruchte eieren. Als het echter een man is die bij de kleur past, hoeft dat geen probleem te zijn. Als de kleuren niet passen, ontstaat er echter een probleem. Ik probeer dit soms op te lossen door de pop nestmateriaal te geven. Als ze het nest volledig klaar heeft, plaats ik ‘s avonds tegen het donker worden een man bij haar die bij haar past. Meestal lukt het dan ‘s ochtends wel om bevruchting te bereiken, maar later op de dag kunnen er opnieuw gevechten ontstaan. Ik haal dan de man weg, en ‘s avonds gaat hij weer terug. Vaak is me dit gelukt. Gelukkig komt dit soort koppelingen op basis van lokroep niet vaak voor.

Het broedseizoen is niet alleen een regelmatig proces voor de vogels, maar ook voor onze liefhebbers. Wees eerlijk: als je collega begint met kweken en je bent zelf nog niet bezig, geeft dit je de impuls om snel en misschien wel overhaast te beginnen. Je denkt dan misschien dat je anders te laat bent, maar meestal is het tegenovergestelde waar en begin je te snel (te vroeg) omdat je vogels er nog niet klaar voor waren. Het liefst willen we de vogels vandaag in de kooi en overmorgen het eerste ei, maar zo werkt het niet. De ontwikkeling van het voortplantingsproces volgt hetzelfde patroon als de lengte van de dagen en het aantal lichturen. Het geleidelijk langer worden van de dagen of het verhogen van het aantal lichturen veroorzaakt een impuls aan de hypofyse, waardoor bepaalde hormonen worden geproduceerd. Deze hormonen rijpen de eierstok van de pop en vergroten de testikels van de man. Het is belangrijk om dit goed te beheren om het koppelen soepel te laten verlopen, maar zoals in dit artikel beschreven, kunnen er nog steeds problemen ontstaan. Hopelijk wordt u hiervan bespaard, maar u kunt er zelf veel aan doen!!

Succes,

Wout van Gils.

Coccidiose dan foniopaddy?

NIEUW: Bestrijd Coccidiose met een Natuurlijk Product!!! (Foniopaddy)

Via een Duitse collega vogelvriend kwam ik in contact met dit nieuwe natuurlijke product voor de bestrijding van coccidiose. Hij vertelde me erover en meldde dat hij zeer goede resultaten had behaald; de vogels waren vrij van coccidiose geworden door dit zaad te geven. Nieuwsgierig als ik ben, wilde ik hier natuurlijk meer over weten. Ik heb het product laten bezorgen en heb ook een folder ontvangen over dit zaad dat de vogels coccidiose-vrij zou maken. Als de vogel daarna nog bijvoorbeeld opgezette darmen of buik heeft, is er duidelijk een conclusie: het is geen coccidiose maar een andere, zwaardere infectie, zoals atoxoplasmose. Het is ook een voordeel om dit op deze manier te weten te komen.

Het zou een zaadproduct zijn uit Uganda, waar jaren geleden onderzoek is gedaan naar graslanden waar voortdurend veel vogels naartoe kwamen, zelfs van grote afstanden, allemaal zaadeters. Men vroeg zich af waarom en startte een onderzoek. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat vrijwel alle vogels die daar werden gevangen voor onderzoek vrij waren van coccidiose. Latere onderzoeken brachten dit in combinatie met het graszaad dat de vogels daar aten als een veelbelovende ontdekking.

Wat is dit product nu precies?

Hier is een vertaling uit het schrijven van de folder die aan mij is verstrekt.

Coccidiose is de grootste vijand van de vogelliefhebber. Het wordt algemeen beschouwd als het grootste probleem bij het kweken en verzorgen van kanarievogels en andere zaadeters. Deze hardnekkige ziekte moet zwaar worden bestreden met medicijnen, maar vanwege de bijwerkingen van de medicijnen wordt de lever, darmen en nieren sterk belast en ontregeld. Na een kuur met medicijnen moet je daarom je vogels weer een vitaminekuur geven.

Nu is er een mogelijkheid om dit op natuurlijke en eenvoudige wijze te bestrijden dankzij het product “FONIOPADDY”.

Wat is FONIOPADDY precies?

Dit is een natuurlijk graszaad dat op verschillende plantages in Uganda wordt geoogst. Omdat Foniopaddy een natuurlijk product is, kun je de vogels nooit te veel geven. Het driejarige onderzoek dat hierop volgde, leverde verbluffende resultaten op. Alle vogels die regelmatig met “FONIOPADDY” werden gevoerd, vertoonden geen coccidiose meer, een prachtige ontdekking.

Hoe geef je FONIOPADDY?

Je geeft je vogels twee tot drie keer per week 5 tot 7 gram (in een snoepbakje) Foniopaddy. Het is het beste om dit in een snoepbakje te doen, want als je het door het zaad mengt, zakt het door zijn zeer fijne, harde korrelige uiterlijk naar de bodem, waardoor ze niet genoeg binnenkrijgen en het verspild wordt. (Het lijkt veel op blauw maanzaad, maar de kleur is donkerbruin.) Het is absoluut geen probleem als je meer geeft dan twee tot drie keer per week. Het is een natuurlijk product en overvoeren is onmogelijk. Zolang je “FONIOPADDY” blijft verstrekken aan je vogels, zijn ze gegarandeerd vrij van coccidiose en krijgt je vogel zijn natuurlijke gezondheid terug. Ik en meerdere collega’s voeren dit al.

Wout van Gils

Problemen – Hoe is/was de conditie?

Problemen met je vogels? Hoe was de conditie dan?

Deze twee zaken zijn vaak met elkaar verbonden. Als er problemen zijn, is de conditie van de vogels meestal niet optimaal. De oorzaken hiervan kunnen divers zijn, maar vaak liggen de fouten niet bij de vogels zelf, maar bij de liefhebber. Deze fouten komen vaak terug gedurende het jaar, vooral aan het begin van het kweekseizoen, tijdens de rui en tijdens het tentoonstellingsseizoen. Kortom, de problemen doen zich op verschillende momenten in het jaar voor.

Tijdens de voorbereiding op de kweek:

Als er problemen optreden, zoek de oorzaak dan niet direct bij de vogels, maar begin bij jezelf. Er zijn meerdere artikelen geschreven over dit onderwerp, dus ik zal het hier niet uitgebreid uitleggen. Lees mijn artikel over het in conditie brengen van kanarievogels nog eens door. Wie vroeg wil kweken, moet weten dat de vogels minimaal 9 à 10 maanden oud moeten zijn en voldoende en goed afgestelde lichturen moeten krijgen, met maximaal 15 uur licht. Ook moet de temperatuur ongeveer tussen de 12 en 15 graden Celsius liggen. Vooral de lichturen brengen de vogels in conditie. De meeste vogels krijgen al broedneigingen, beginnen nesten te maken, maar dit gebeurt meestal in april wanneer de dagen voldoende zijn verlengd en de temperatuur redelijk goed is. Het is ook raadzaam de mest goed in de gaten te houden. Vraag een ervaren liefhebber om advies of nog beter, breng wat mest binnen bij je dierenarts en laat het onderzoeken. Afhankelijk van dit onderzoek kun je je vogels wel of niet volgens het voorschrift van je dierenarts behandelen.

Tijdens de kweek:

Hoewel een vogel ziek kan worden, moeten vogels, mits voorzien van een goede zaadmengeling, eivoer met voldoende grit en een darmconditioneringsproduct inclusief vitaminepreparaten in het eivoer, in goede conditie blijven. Normaal gesproken kun je met deze voorzieningen 2 à 3 rondes kweken. Geef bij voorkeur geen groenvoer. Als je het toch geeft, wees dan voorzichtig en geef niet meer dan wat ze in een uur kunnen opeten. Geef groenvoer ook nooit ‘s avonds als er jongen in het nest zijn. Hetzelfde geldt voor kiemzaadvoer; geef alleen de kiem en blijf alert op verzuring. Kortom, problemen tijdens de kweek treden op wanneer de vogels uit conditie raken, en vaak zijn wij de veroorzakers door onjuiste voeding en onvoldoende hygiëne in de kooien. Blijf dus waakzaam.

Tijdens de rui:

Ook tijdens de rui hebben onze vogels goede verzorging en aandacht nodig, inclusief voldoende eivoer, zaad, aminozuren, enzovoort, evenals voldoende afleiding en vliegruimte. Plaats nooit oude en jonge vogels bij elkaar. De veren worden systematisch vervangen. Als dit niet gebeurt, kan de vogel niet meer vliegen. Het is dus van groot belang dat de vogels goed in conditie zijn om deze rui periode door te komen. Oudere vogels hebben hier meer problemen mee dan jonge vogels die af en toe een verloren staart- of vleugelpen moeten plaatsen.

Zorg dus voor een niet te overbevolkte ruimte, goede afgeschermde zitstokken, een goede zaadmengeling en dagelijks eivoer. Als vogels elkaar kunnen pikken, zullen ze dat in deze periode zeker doen, wat resulteert in grote schade aan de veren. Iedereen kent wel de bloedpennen en de pennen die later vaak verdraaid of beschadigd terugkomen. Blijf hier waakzaam op. Geef wekelijks ook eens een halve ui; het is even wennen, maar je zult zien dat ze het later eten. Het is een extra toevoeging van aminozuren die de vogels in voldoende mate nodig hebben in deze periode. Ook helpt het tegen verenpikken.

Naar de tentoonstelling toe:

Eigenlijk valt er niet veel meer over te schrijven. Tijdens tentoonstellingen moet de vogel weer in topconditie zijn. Als dit niet het geval is, zal de keurmeester fouten moeten noteren in verschillende rubrieken. Deze fouten zijn meestal al eerder gemaakt in de kweekperiode of later tijdens de rui, en zijn hier niet meer of nauwelijks te herstellen. Het is een gegeven dat goed doordachte plannen (voorbereiden, kweken, enzovoort) die goed worden uitgevoerd en nageleefd, de beste resultaten opleveren. Willekeurig iets kweken, willekeurig verzorgen, willekeurig handelen, leidt altijd tot teleurstellingen gedurende het hele jaar. De conditie van de vogel is dan ook het hele jaar door van groot belang volgens de gestelde doelen. Wij moeten ervoor zorgen dat deze goed is. De middelen zijn beschikbaar, en wij moeten de vogels de nodige zorg geven. De vogels zullen je belonen als je ze in conditie houdt.

Succes.

Wout van Gils

Wat als de jonge kanaries uitkomen

Wat te doen wanneer jonge kanaries uitkomen.

Tijdens het broeden zijn de vogels rustig en toont de kweker af en toe nieuwsgierigheid en spanning wanneer de eitjes bevrucht zijn. Kortom, het is een rustige maar toch spannende periode, de broedtijd. Het is essentieel om ervoor te zorgen dat de luchtvochtigheid in deze periode goed is, ongeveer 60 tot 65%. Zorg er ook voor dat de vogels regelmatig kunnen badderen. Tijdens deze broedtijd wordt geen eivoer gegeven. De vogels krijgen echter een goede zaadmengeling en dagelijks vers water, met wekelijks wat toegevoegde vitamines. Op de veertiende dag wordt wat eivoer gegeven, en meestal zijn er op dat moment ook jongen in het nestbakje.

Belangrijk is om het kweekhok op dat moment niet volledig schoon te maken, omdat de kans groot is dat de ouder vogels in het nieuwe bodemmateriaal gaan zoeken en grit opnemen. Dit kan schadelijk zijn voor de erg jonge, zachte jonge vogels en zelfs tot sterfte leiden. Na de geboorte van de jongen moet de kweker ervoor zorgen dat er voldoende zaad, water en drie keer per dag eivoer beschikbaar zijn. Het eivoer moet altijd enigszins korrelig zijn en nooit nat. Verdere inmenging kan meer kwaad dan goed doen.

Na drie tot vier dagen kan de hoeveelheid eivoer iets worden vergroot, maar let erop dat het eivoer vers blijft en nooit nat wordt. Bewaar het eivoer in de koelkast en maak het dagelijks vers. Het verstrekken van groenvoer wordt sterk afgeraden en kan problemen veroorzaken. Het is raadzaam om jonge vogels geen groenvoer te geven, zeker niet onder de drie maanden. Later kan dit wel, maar nooit meer dan wat ze in een uur kunnen opeten.

Als de kweker met gezonde, goed gevoede kweekvogels werkt, zal het opgroeien van de jongen over het algemeen naar wens verlopen. Als echter de gezondheid en levenskracht van de kweekvogels te wensen overlaat en het met de jonge nestvogels niet goed gaat, is het voor de jongen vaak een hopeloze zaak. Zwakke jongen kunnen moeilijk het kopje opheffen om gevoerd te worden, zelfs als de moeder dat graag wil. Het kan voorkomen dat een popje met zwakke jongen prima andere, sterkere jongen voert, terwijl haar eigen jongen al dood zijn. De natuur maakt hier ook zijn selectie.

Het verplaatsen van achtergebleven jongen naar een gezond nestje wordt niet altijd aanbevolen, omdat sommige ziekten zich kunnen verspreiden. Wees voorzichtig met het verplaatsen van jonge vogels naar een ander nest. Het is beter om gezonde vogels te kweken en achterblijvertjes te noteren in het kweekboek. Deze moeten zeker niet worden behouden voor de kweek het jaar daarop.

Wanneer de jongen bijna het nest verlaten, plaats dan het nest in een babykooi. Als je deze niet hebt, plaats dan het nestbakje op de bodem van de broedkooi en hang na enkele dagen een nieuw nestbakje op de oude plaats. De pop zal een nieuw nest maken en de jongen blijven voeren. Men kan de jongen ook bij zogenaamde pleegouders plaatsen, enkele mannen of poppen in een kleine ruimte, waarbij het voeren gewoon doorgaat. Let goed op, omdat sommige ouders hun jongen direct kaal kunnen plukken. Dit kan worden voorkomen met een van de bovengenoemde methoden.

Als de jongen zelfstandig zijn, laat ze dan nog ongeveer 10 dagen in een kleinere ruimte zitten. Zorg ervoor dat ze goed op het zaad zijn voordat je ze in bijvoorbeeld een volière of draadkooi plaatst. Zorg ervoor dat de vogels gemakkelijk bij water en zaad kunnen, vooral in de eerste dagen. Zorg ook voor wat afleiding in de kooi, zoals sisaltouw of trosgierst, om verveling en verenpikken te voorkomen. Vanaf nu kan ook wat groenvoer worden gegeven, zoals appel, sinaasappel en ontkiemd zaad, maar nooit meer dan wat ze in een uur kunnen opeten. Geef bij voorkeur ook geen groenvoer ‘s avonds, vooral niet als het erg warm is.

Het mag duidelijk zijn dat niet alleen de ouder vogels veel werk hebben, maar ook de liefhebber. Als je het echter goed doet, is het de moeite waard.

Succes.

Wout van Gils

Geduld voor aanvang kweekperiode

kan jong

Geduld voor aanvang kweek !!!!

De tentoonstellingen zijn nog niet achter de rug, maar bij veel kanariekwekers begint het alweer te kriebelen om met de kweek te beginnen. Ik ga hier niet beweren dat dit verkeerd is, maar ik wil toch enkele zaken benadrukken om kwekers ervan te overtuigen dat vroeg beginnen met de kweek direct na de TT weliswaar mogelijk is, maar dat er ook hier enkele spelregels zijn die men in acht moet nemen. Als men dat niet doet, kunnen er problemen ontstaan die velen van ons maar al te goed kennen.

Veel kwekers hebben al jonge kanaries in januari, en zo heeft de liefhebber met zijn vroege broed een voorsprong op de zogenaamde koud-kwekers. Geheel ongevaarlijk is echter het erg vroeg beginnen niet; vaak hoor je van aanloopproblemen, die kunnen wijzen op suboptimale voorbereidingen, onvoldoende voorbereidingstijd, of onzorgvuldig omgaan met verlichting, waardoor mogelijk een te jonge vogel te vroeg tot broeden wordt aangezet. Houd in gedachten dat mannen meer tijd nodig hebben om in kweekconditie te komen dan een pop. Zorg er ook voor dat de vogels minstens 9 à 10 maanden oud zijn en natuurlijk in goede conditie verkeren. Het in conditie brengen moet je nu zelf doen door de dagen te verlengen, en dit op de juiste manier.

Ook de voorbereiding van je kweekhok en kweekruimte vraagt veel en verstandige aandacht, zodat je later niet geconfronteerd wordt met bijvoorbeeld bloedluizen of vedermijten. Vroegkweek kan heel goed, maar niet lukraak; weet wat je doet en hoe je het doet. Forceren leidt tot teleurstellingen.

Naarmate de tijd verstrijkt, hoor je minder van dergelijke problemen. Plotseling met de kanariekweek beginnen is fout! Al zijn er in januari soms al een paar mooie dagen en al heeft een kennis, die onder andere omstandigheden kweekt, mogelijk al jonge vogels, toch mag men dan niet overhaastig te werk gaan. Want je collega heeft bewust naar de vroege kweek toegewerkt, en als jij dat niet hebt gedaan en je begint plots, dan zal dit teleurstellingen opleveren.

Bedenk dat alles zijn tijd nodig heeft en dat een goede start alleen mogelijk is als de voorbereidingen goed waren, als je vogels niet te jong zijn, en zowel mannen als poppen volledig rijp zijn voor de kweek. Zo niet, geef ze dan de kans niet. Kijk niet op de kalender, maar kijk of je vogels aan de eisen voldoen en of ze hun toegewezen partner al accepteren. Zo niet, forceer dan niets en laat vechtende vogels niet bij elkaar zitten. Want vechten geeft aan dat een van beide partners niet in conditie is om over te gaan tot de kweek. Onrust in de broedkooi is een ware ramp.

Als er tijdens of direct na een periode van ruzie toch een legsel komt, zien we vaak dat de eitjes onbevrucht zijn. Een legsel van een te jonge of niet volledig broedrijpe pop is meestal erg klein qua aantal eitjes, en soms zijn die eitjes ook nog erg klein van formaat. Dit komt vaker voor bij jonge dan bij oudere poppen. Het in de steek laten van de eieren of het nest weer afbreken is dan ook schering en inslag.

Bij een gerichte en goed geplande kweek worden de partners zorgvuldig gekozen. Begin je te vroeg en accepteren de partners elkaar niet, geef ze dan niet meteen de kans met een andere partner, maar wacht geduldig het juiste moment af. Overhaast te werk gaan is fout, en overhaaste veranderingen aanbrengen zijn meestal eveneens fout. Met geduld worden meer kanaries gekweekt dan met overhaasting. Een goede voorbereiding, de juiste leeftijd en een goede verzorging, inclusief het bestrijden van ongedierte in je kweekruimte, komen ten goede aan je kweek, resulterend in veel jongen en weinig teleurstellingen.

Wout van gils

 

 

Bruidsluier voor zwarte hoorndelen.

bruidsluier

Zwarte hoorndelen bij kanaries: (dan bruidssluier even)

Iedere kanariekweker die volgens onze standaard kweekt, weet dat onze kanaries in de zwartreeks zwarte hoorndelen moeten hebben. Met andere woorden, de pootjes, nagels en bek moeten zo donker mogelijk zijn. Op tentoonstellingen ziet men vaak het uiterste: perfect donker of niet donker genoeg (te licht). Hoe kan dit nu? De meesten van ons weten dat zonlicht hierbij kan helpen; kanaries in de zwartreeks hebben veel zonlicht nodig. Dit komt de kleur en hoorndelen van deze vogels ten goede. Vogels die buiten in de zon hebben gezeten, zijn direct herkenbaar aan hun uiterlijk. Dus, kwekers, de conclusie is al getrokken: laat de vogels in de zwartreeks zoveel mogelijk van het zonlicht genieten. Een andere gunstige factor is het regelmatig aanbieden van een bakje met biggencompost aan de vogels. Ze pikken er graag in, en ook dit bevat stoffen die de hoorndelen ten goede komen. Vervang deze compost wekelijks en geef dus regelmatig vers.

Ondanks deze twee zaken zullen de pootjes nog niet helemaal donker kleuren. Toch zijn er vogels die dit wel doen. Je vraagt je af hoe dat kan. Naast zonlicht en biggencompost is er nog een natuurproduct dat de pootjes wel erg donker laat kleuren, namelijk de bruidssluier. Dit product is volop verkrijgbaar in de natuur.

Bruidssluier:

De polygonum of fallopia auberti is een krachtige groeier die wel 8 tot 10 meter hoog kan worden. Oorspronkelijk uit China, heeft deze plant ovale hartvormige bladeren die aan de basis lichtgroen zijn. Trompetvormige bloemen verschijnen van juli tot september en groeien in trossen. Ze zijn eerst wit of groenwit maar worden later roze bij de vruchtafzetting. De plant verdraagt een rigoureuze snoei in de winter, die vaak noodzakelijk is om te voorkomen dat de struik te dicht wordt of een onregelmatige vorm krijgt. Bruidssluier is ideaal om in korte tijd allerlei muren of voorwerpen te laten begroeien. Ook als natuurlijke wand tegen bestaande volières wordt deze veel gebruikt. In één seizoen kan de plant scheuten tot 6 meter laten groeien, wat ideaal is om een omheining, een deel van een volière, een lelijk muurtje, of een oude dode boom te laten begroeien en aan het zicht te onttrekken. Deze slingerplant heeft een zonnige tot halfbeschaduwde standplaats nodig en is erg winterhard. Je kunt ze vermeerderen uit scheutstek (zomers) of verhoute stek (winters).

Hoe nu dit voederen:

Je kunt bruidssluier op verschillende manieren geven. Voor kwekers die de vogels niet buiten kunnen plaatsen, kunnen de bloemen worden gedroogd, gemalen en aan de vogels worden aangeboden. Ook kunnen stengels worden afgeknipt, en deze groene stengels van bruidssluier dagelijks aan de vogels worden gegeven. De vogels krijgen zeker donkere hoorndelen, maar het effect is nog mooier als de zon erop schijnt. Opvallend is dat bij het eten van bruidssluier, vooral als het vers en groen wordt gegeven, de vogels vooral de schors van de stengels afpellen. Hierin zit kennelijk een voedingsstof die de vogels graag opnemen; ze eten de stengels bijna helemaal kaal. Dit gedrag is erg interessant om te observeren. Kwekers die hun vogels van de zwartreeks ook buiten in de zon kunnen houden, hebben een streepje voor. Zij kunnen bruidssluier tegen de volière laten groeien, zodat de vogels er altijd van kunnen pikken. Ze kunnen het ook dagelijks aan de vogels geven in groene stekjes. Natuurlijk kan het ook in gemalen vorm worden aangeboden. Ik heb vogels gezien die het zelf pikten van de plant die tegen en over de volière groeide. O

ngelooflijk hoe zwart deze hoorndelen waren en hoe het restje bruin was verdwenen door het zonlicht. Prachtige kleur en zeer donkere hoorndelen.

Hoeveel moet men nu geven:

Velen vragen zich af of hun vogels geen darmstoornissen krijgen door het geven van bruidssluier of door het zelf te laten plukken. Merkwaardig genoeg is dit niet het geval. Ik heb dit enkele jaren gevolgd bij een kennis waar zowat de hele bovenzijde en zijkant begroeid was met bruidssluier. De vogels konden daar de hele zomer van eten. Als je zag hoe gezond en hoe donker deze vogels waren, durf ik te zeggen dat het geen kwaad kan. Als je scheuten geeft of afgeknipte delen, moeten deze wel dagelijks worden ververst. Als het gedroogd is, geef je om de twee dagen het gemalen en gedroogde bruidssluier in een apart voerbakje aan de vogels.

Resultaat:

Het resultaat zal zijn dat je vogels voorzien zijn van keurig donkere hoorndelen. Erg mooi om te zien, zelfs de zwarte rug- en flanktekening zal er mooier uitzien, zeker als het zonlicht het laatste beetje bruin heeft laten verdwijnen. Sommige kwekers voegen nog wat extra zeewier toe aan hun eivoer, maar bij mijn kennis was dit niet het geval, en de hoorndelen zijn inderdaad pikzwart. Puur en alleen door bruidssluier.

Toch nog opletten:

Het opletten van kanaries uit de zwartreeks met het voeren van bruidssluier is eigenlijk niet nodig, behalve als je het in geknipte stukjes geeft, dan moet je dit om de twee dagen vervangen. Let erop dat je geen bruidssluier geeft aan vogels die geen zwarte hoorndelen nodig hebben, bijvoorbeeld vogels uit de agaatreeks. Deze zullen dan ook donkere hoorndelen en nagels krijgen, maar dit is niet conform de standaard en zal worden bestraft door de keurmeester. Wees hier dus erg voorzichtig mee. Geef bruidssluier alleen aan vogels uit de zwartreeks!!

Tip:

Tegenwoordig is er ook een zeer goed poeder verkrijgbaar, genaamd Black Magic. Dit poeder is ook ontworpen om de hoorndelen donker te krijgen. Ik heb dit gezien bij kwekers die het al gebruiken, en ja hoor, de hoorndelen zijn erg donker gekleurd.

Besluit:

Ik hoop dat veel kwekers nu weten hoe het mogelijk is zonder veel moeite en met behulp van een plant uit onze natuur, en als je kunt, gebruik dan ook nog het zonlicht om de hoorndelen van onze vogels uit de zwartreeks perfect donker te krijgen. Hopelijk zijn hiermee de vele vragen beantwoord die ik kreeg over het donker krijgen van de hoorndelen van onze kanarievogels in de zwartreeks! Veel succes.

Wout van Gils

Waar is biggenkompost goed voor?

biggen1

Waar is die biggen compost goed voor?

Inleiding:

In aansluiting op mijn artikel over de zwarte hoorndelen bij kanarievogels en het gebruik van biggen compost, wil ik hier wat meer informatie delen naar aanleiding van verschillende vragen hierover. Deze biggen compost is een product dat zeker niet mag ontbreken bij vogels in de zwartreeks, omdat het in combinatie met bruidssluier gunstig is voor de zwarte hoorndelen en het pigment. De hoorndelen worden aanzienlijk donkerder en het pigment komt intenser naar voren. Het is ook ten zeerste aan te raden voor Europese vogels. Tijdens de rui-periode is het ook goed om verveling tegen te gaan en heeft het uiteraard een zuiverende werking, maar hierover meer in de rest van het artikel.

Wat is biggen compost:

Biggen compost is geen varkensmest, zoals velen denken. Het is een product dat bestaat uit zuivere, extra fijne compost van groente-, fruit- en tuinafval, met toevoeging van een bepaalde samenstelling aan mineralen en aminozuren. Dit maakt het product ideaal voor dierlijke consumptie, en het is later ook vastgesteld als geschikt voor vogels. De naam is ontstaan omdat proefstations voor varkenshouderijen ontdekten dat het geven van deze compost resulteerde in aanzienlijk minder medicijngebruik bij biggen. Ze begonnen hiermee vanaf de tweede dag van de geboorte, en meer dan 75% van de biggen met diarree kon verder zonder medicijnen. Het werd ook preventief gebruikt tegen bloedarmoede bij biggen. Later werd ontdekt dat kooi- en volièrevogels hier ook dol op zijn, vooral jonge uitgevlogen vogels.

Wat doet biggen compost voor onze vogels:

1. Door de lage zuurgraad (pH=3,4) is het zeer goed voor de maag- en darmflora.
2. Vanwege het hoge koolstofgehalte heeft het een zuiverende werking.
3. Bevordert de spijsvertering.
4. Een goed uitgebalanceerd voedingssupplement op basis van natuurlijke grondstoffen.
5. Bevat verschillende mineralen en sporenelementen, waaronder kalium, calcium, zink, magnesium, fosfor, koper, ijzer, en molybdeen.
6. Draagt bij aan donkerdere hoorndelen bij vogels in de zwartreeks.
7. Heeft een positief effect op het zwarte eumelanine bij vogels.
8. Helpt diarree voorkomen bij pas zelfstandige jonge vogels.
9. Bevordert de spijsvertering.

Aan welke vogels geven:

Aangezien het een gunstige invloed heeft op de zwarte kleur van de hoorndelen, is het aan te raden dit product alleen te geven aan vogels in de zwartreeks en aan Europese vogels, bepaalde parkietachtigen en exoten. Ik raad het niet aan voor andere vogels, omdat ik daar geen ervaring mee heb. Als daar kleurveranderingen in de hoorndelen plaatsvinden, kan dit als fout worden beschouwd bij tentoonstellingsvogels. Een klein schoteltje eens per maand voor andere vogels kan echter geen kwaad.

Belangrijk om te weten: geef dit niet aan nestjongen, alleen aan zelfstandige jonge vogels. Zorg ervoor dat het altijd licht vochtig is, droog wordt het zelden meer opgenomen.

Hoe geef je dit aan de vogels:

Zoals eerder vermeld, niet geven aan nestjongen. Wanneer de vogels zelfstandig zijn en uitvliegen, kun je het geven. Geef ongeveer een eetlepel per twee vogels gedurende 3 tot 4 dagen. Plaats het in een bakje op een droge plaats; licht vochtig maken is aan te raden. Verwijder na de vierde dag wat over is en vervang het door verse compost. Ik adviseer dit alleen aan vogels in de zwartreeks te geven. Als je kweker bent van tentoonstellingsvogels, is het niet erg als je dit ook aan andere reeksen kanarievogels geeft.

Besluit:

Ik hoop dat ik je wat meer informatie heb gegeven over deze compost. Geef het echter alleen aan zelfstandige jonge vogels en nooit aan nestjongen. Tegenwoordig is biggen compost ook verkrijgbaar onder andere merknamen, zoals gezien bij leverancier Avi Terra. Probeer het uit en bekijk de resultaten.

Succes met de kweek.

Wout van Gils

Deel 1. Voorbereiding op de kweek

ei new

Voorbereiding op de kweek – Deel 1

Er zijn al veel artikels, uren voordrachten en lezingen gewijd aan de voorbereiding op de kweek, en toch blijven bij diverse kwekers vragen opduiken. Soms gaat het zelfs volledig mis met de voorbereiding. Daarom wil ik nog eens enkele essentiële zaken benadrukken die iedereen moet volgen om zijn vogels en kweekruimte goed voor te bereiden op het kweekseizoen.

De Kweekruimte:

Voorafgaand aan de kweek moeten de kweekbakken grondig worden gereinigd en ontsmet. Dit is van groot belang om eventuele ziektekiemen en ongedierte te elimineren. Gebruik hiervoor warm water met bijvoorbeeld javel of Dettol. Er zijn meerdere producten op de markt die geschikt zijn om de kooien goed schoon te maken en te ontdoen van ongewenste kiemen. Maak ook de omgeving in de kweekkooi goed schoon en, indien mogelijk, verf deze opnieuw. Enkele dagen later is het aan te raden een koudijsrookontsmetter te gebruiken (zonder vogels erin) om alles grondig te desinfecteren.

Enkele weken later is het tijd om de kooien te behandelen met een product dat gedurende enkele maanden de kweekhokken vrij moet houden van bloedluizen en ander ongedierte. Er zijn verschillende producten beschikbaar, zoals Home Shield, Baygon, Birdspray, enz. Kies een product dat goed bij je past en gebruik het. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn artikel over ontsmetten en bestrijden.

De Kweekvogels:

Bij de kweekvogels worden de mannen en poppen gescheiden gehouden. Het is het beste als ze elkaar kunnen horen, al hoeven ze elkaar niet per se te zien. Het is echter wel aan te raden. Het is snel duidelijk als er nog een man bij de poppen zit en vice versa. Zorg ervoor dat de vogels minstens 9 tot 10 maanden oud zijn en gezond. Bij het opblazen van de vogels moeten ze een boterachtige gele kleur hebben en voorzien zijn van een vetlaagje. Vermijd vogels met darmlussen, vergrote lever, of bevuilde stuitveren. Controleer regelmatig op deze punten en let ook op de ogen van de vogels, aangezien waterige ogen kunnen duiden op gezondheidsproblemen.

De Verlichting:

Afhankelijk van de gewenste kweekperiode en het aantal lichturen moet je werken met de verlichting. Dit kan je uitgebreid lezen in mijn artikel over Licht, Lucht, en Zuurstof. Lichturen zijn cruciaal om de vogels in conditie te brengen. Begin langzaam met het opvoeren van de lichturen. Er zijn nu handige tijdklokken met dimmers op de markt. Persoonlijk gebruik ik de Lichtautomatic van G&O. Deze kan het licht langzaam laten aangaan en ook de tijd per 5 minuten opvoeren, zowel bij het aan- als uitzetten van het licht. Op deze manier heb je gezonde vogels binnen ongeveer 5 tot 6 weken prima in broedconditie. Onthoud dat mannen altijd wat meer tijd nodig hebben dan poppen om in de juiste broedconditie te komen. Houd hier rekening mee om onbevruchte eieren te voorkomen.

De Temperatuur:

De temperatuur moet ook geleidelijk worden verhoogd tijdens de voorbereiding en het geven van lichturen om de vogels gezond en in goede broedconditie te krijgen. De temperatuur hoeft niet extreem hoog te zijn, maar kan wel iets stijgen met de lichturen. Op het moment dat de vogels de kweekbakken ingaan, kan de temperatuur rond de 18 graden zijn, wat meer dan voldoende is.

Mannen Hebben Meer Tijd Nodig:

Mannen hebben, zoals hierboven beschreven, meer tijd nodig dan poppen. Dit is bekend en er zijn manieren om hiermee om te gaan. Ongeveer 5 ½ week na het opvoeren van de lichturen plaats ik de mannen in de kweekbakken. Ik geef ze wat extra warmte en plaats enkele poppen tegenover deze mannen in aparte kooien. Op deze manier worden de mannen sneller in broedconditie en zullen ze beter bevruchten. De periode dat de mannen alleen zitten, hangt af van hoe ze reageren en fluiten, meestal ongeveer 1 ½ week.

Voor verdere informatie over de voeding tijdens de voorbereiding, verwijs ik naar Deel 2.

Met vriendelijke groet,
Wout van Gils

 

Deel 2. Voorbereiding op de kweek – Voeding voor de start van de kweek

kweek kooi

Voeding tijdens voorbereiding op de kweek – Deel 2

Wanneer je je kanarievogels klaarmaakt voor de kweek, is het niet alleen belangrijk om rekening te houden met licht, warmte en zuurstof, maar ook met andere aspecten die de vogels wat extra aandacht nodig hebben. Deze mogen op geen enkele manier ontbreken in de dagelijkse verzorging van de vogels. Het is van groot belang dat de vogels er gezond en verzorgd uitzien. Regelmatig baden is dan ook een must, zelfs als het wat koud is; gezonde vogels houden van poedelen. Voeg altijd wat badzout toe aan het badwater. Geef echter nooit ‘s avonds een bad, zodat de vogels volledig droog zijn wanneer de lichtdimmer aangaat.

Ook het eivoer moet worden verhoogd. In de rustperiode hebben onze vogels op zaad moeten leven, en dit is volkomen normaal omdat vogels zaadeters zijn. Ze moeten alle benodigde voedingsstoffen uit een goede zaadmengeling halen om gezond de winter door te komen en goed voorbereid te zijn op het kweekseizoen. Tijdens de rustperiode kun je ook wat eivoer geven, maar niet meer dan twee keer per week, en dan in een hoeveelheid die binnen ongeveer drie uur wordt opgenomen. Regelmatig stukjes appel en/of wortel zijn zeker aan te bevelen. Wat dacht je van een sneetje witbrood gedrenkt in melk? En vergeet niet om vogels met de recessieve factor elke 14 dagen extra vitamine A te geven.

Op het moment dat je de vogels meer lichturen geeft ter voorbereiding op de kweek, moet je ook extra voeding toevoegen. Begin ook met het geven van eivoer van 2 naar 3 keer per week. Voeg om de twee dagen wat extra hennepzaad toe, en het kan zeker geen kwaad om wat extra raapzaad en gepelde haver toe te voegen. Vergeet zeker niet wat tarwekiemolie toe te voegen aan het eivoer. Hoewel ik moet toegeven dat ik de afgelopen vier jaar de tarwekiemolie heb weggelaten en heb vervangen door Fertibol van Comed. Hierin zit alles wat de vogels nodig hebben voor de voorbereiding op de kweek, en ik beveel het ten zeerste aan. Maar zoals met veel producten, maakt iedereen zijn eigen keuze. Het is echter belangrijk om te weten dat extra vitamines en sporenelementen essentieel zijn in de voorbereiding op de kweek, samen met het aantal lichturen. Dit vormt de basis voor een succesvol of minder succesvol kweekseizoen. De samenstelling en het nut van deze producten zijn over het algemeen bekend bij de meeste kwekers en ze zijn dan ook niet meer weg te denken uit onze kanariekweek. Het blijft van belang om producten die speciaal ontwikkeld zijn voor dit doel ook daadwerkelijk te gebruiken. Deze producten zijn op basis van natuurlijke ingrediënten, dus wat wil je nog meer?

De producten die ik hiervoor gebruik zijn van COMED, met als voorbereiding op de kweek FERTIBOL in het eivoer, en tijdens de kweek Megabactin, Winmix en Megabactol in het eivoer. Als de jongen zelfstandig zijn, voeg ik af en toe wat jongerenolie toe aan het eivoer van deze jonge vogels, en ik voel me daar al vele jaren heel goed bij.

Succes,
Wout van Gils

Deel 3. Voorbereiding op de kweek – Het koppelen van de vogels

geelmozaiek koppel

Het koppelen na de voorbereiding op de kweek: Deel 3

In mijn vorige artikels heb ik gesproken over de voorbereiding en voeding tijdens het in conditie brengen van de kweekvogels. Hierbij hebben we vastgesteld dat het van groot belang is om de vogels goed te observeren en alleen te beginnen met vogels van voldoende ouderdom en goede gezondheid. Ik heb de voorbereiding beschreven, inclusief het belang van licht en voeding, die allemaal zaken zijn die we goed moeten beheersen en naleven. Dit geldt ook voor het ontsmetten en bestrijden van ongedierte; de aandacht hiervoor mag nooit verslappen.

Voor het koppelen hebben we de vogels uiteraard nogmaals grondig gecontroleerd op ziekten en darmstoornissen. Zieke vogels moeten niet gebruikt worden voor de kweek, dat is duidelijk. Maar zelfs als de vogels ogenschijnlijk gezond zijn, geven de meeste kwekers toch nog een kuur. Persoonlijk geef ik een kuur met Baycox: een soeplepel op 1 liter water gedurende 3 dagen, gevolgd door 2 dagen een vitaminekuur Alvithyl, en daarna nog een kuur met Baycox. Dit is om eventuele coccidiose te onderdrukken, zelfs als deze niet meer is vastgesteld. Dit wordt gedaan voor alle zekerheid bij alle vogels in de ruimte. Het kuren met ESB3 is ook mogelijk, waarbij 1 gram/liter drinkwater gedurende 5 dagen wordt gegeven, gevolgd door twee dagen een vitaminekuur. Daarna kan men deze ESB3-kuur nog eens gedurende ongeveer 3 dagen herhalen.

Bij het koppelen van de vogels zijn er ook zaken die we zeker in het oog moeten houden en naleven. Zoals eerder beschreven, kooi ik de mannen als eerste in. Dit komt doordat mannen meer tijd nodig hebben om in conditie te komen dan de poppen. Ik begrijp dat er kwekers zijn die eerst de poppen opkooien, maar zij hebben zeker een methode om de achterstand van de mannen in te halen.

Zoals beschreven, zijn de kweekkooien en de kweekruimte goed ontsmet en behandeld tegen ongedierte. De kooien zijn schoon, en op de bodem kan golfkarton, vogelgrit en andere vogelbedekking worden gelegd, afhankelijk van persoonlijke voorkeur. Zorg ervoor dat een bakje met grit en vogelmineralen nooit ontbreekt. Het nestbakje moet voor of buiten de kooi kunnen worden gehangen, dit is goed voor de luchtcirculatie, maar ook de jongen zullen rustiger zijn als ze voor in de kooi zijn grootgebracht.

Let erop dat de zitstokjes niet te hoog maar ook niet los zitten, dit kan een oorzaak zijn van onbevruchte eieren. Mijn voorkeur gaat uit naar het plaatsen van een sisal voornestje in de nestbakjes, zodat de vogels altijd een vast nest hebben; ze hoeven eigenlijk alleen het nest af te bouwen.

Voordat de mannen in de broedkooi worden geplaatst, moeten de nagels van die vogels die te lang zijn worden geknipt, maar wees voorzichtig om het leven niet te raken. Ik weet dat er kwekers zijn die de aarsbevedering weghalen bij de mannen; ik wil dit ten stelligste afraden bij onze kanarievogels. Als dit wordt weggeknipt of uitgetrokken, kan er irritatie ontstaan bij de tap van de man, met als gevolg onbevruchte eieren. Ook kan de man de pop hinderen bij de bevruchting door de stoppels, wat leidt tot irritatie en onbevruchte eieren. Het is ook beschreven dat de stuitbevedering van de man dient als geleider voor de bevruchting, dus het weghalen hiervan vergroot de kans op onbevruchte eieren. Dus niet de stuitbevedering weghalen. Een geslachtsrijpe man heeft een verdikte tap en een iets ingevallen onderbuik.

Als de mannen in de kweekbakken zitten, moet ook de temperatuur iets worden verhoogd. De maximale temperatuur is 18 graden, wat voldoende is, en het aantal lichturen is ongeveer 14 ½ uur. Houd er rekening mee dat de klok nog een keer verzet gaat worden; stel deze zo in dat het licht aan is als je ‘s morgens moet gaan voeren. De mannen zitten in de kweekkooi, en ik plaats daar enkele poppen voor. Je zult zien dat verschillende mannen snel reageren.

Zoals eerder beschreven, moet extra voeding worden gegeven, en eivoer moet 3 keer per week worden verstrekt. Na ongeveer 1 ½ week kunnen de poppen erbij. De broedrijpe pop heeft een stomp uiteinde met de vorm van een kippenei. Bij gezonde vogels in broedconditie zullen er al snel verschillende vogels direct worden bevlogen; dit is een teken dat alles prima is verlopen. Natuurlijk zullen sommige vogels elkaar pas later vinden, maar het merendeel zal vrij snel het met elkaar eens zijn.

Het kan ook gebeuren dat vogels met elkaar blijven vechten. Hier moet je ingrijpen; de reden kan verschillend zijn, maar meestal is een van de vogels nog niet broedrijp of is een van de vogels gekoppeld aan de lokroep van een andere vogel. Let erop dat als mogelijk is, wat kleur en tekening betreft, je de pop bij die man plaatst; je zult zien dat het dan wel pakt. Ook kan het helpen om de vogels enkele dagen weg te nemen en ‘s avonds weer terug te plaatsen. Maar let op bij aanhoudende vechtende vogels.

Na ongeveer 4 dagen geven we nestmateriaal, en de vogels kunnen beginnen. Ook hier zie je bij een goede voorbereiding dat de poppen direct beginnen met het maken van een nest.

Zorg ervoor dat het nest goed wordt afgewerkt of help de vogel door met een lamp door het

nest te schijnen. Als de vogels beginnen met het maken van een nest, ben ik voorstander om de eitjes te rapen en deze terug te plaatsen bij het vierde ei. Bewaar de eitjes niet in de zon, maar op een schaduwrijke plaats. Daarna beginnen de poppen met broeden, en na ongeveer 14 dagen komen de jongen.

Zorg in je kweekruimte voor voldoende lucht en zuurstof, tussen de 60 en 70%, en zorg ervoor dat de vogels regelmatig kunnen badderen en dat de eitjes licht vochtig worden gesproeid. Controleer regelmatig of de eitjes niet vast komen te liggen in het nest en of de pop ze goed kan draaien. Bij een gezond broedsel blinken de eitjes en liggen ze altijd met de spitse punt naar elkaar toe.

Een succesvolle broedperiode toegewenst.

Wout van Gils

Deel 4. Voorbereiding op de kweek – Jongen komen uit het ei

nest jongen rood

Jongen komen uit het ei – Deel 4

In het vorige artikel spraken we over het broedproces, en we zijn gestopt toen de jongen bijna uitkwamen. Hier pak ik de draad weer op. Een dag voor het uitkomen krijgen de vogels drinkwater met appelazijn, 10 ml per liter water, dagelijks vers voor de eerste 6 dagen, daarna 2 tot 3 keer per week. Zorg ervoor dat de appelazijn van goede kwaliteit is, verkrijgbaar bij een betrouwbare biologische winkel. Ook wordt de dag voor het uitkomen al wat eivoer gegeven, en de eitjes licht benevelen kan geen kwaad. Het zaad wordt ook royaal verstrekt. Nu is het wachten tot de jongen uitkomen.

Bij gezonde jongen zie je, zodra ze uitkomen, dat het dons mooi wit en recht staat. Meestal zit er ook een geel streepje (kropsap) in het kropje, wat een goed teken is. Vanaf dat moment geef je, indien mogelijk, 3 keer per dag eivoer. Als je moet werken, kunnen 2 keer per dag ook voldoende zijn. Sommige kwekers geven de voorkeur aan groenvoer of kiemzaad als er jongen zijn, maar persoonlijk doe ik dat niet en ben ik er ook geen voorstander van. Als je groenvoer geeft, dan niet meer dan wat ze in 1 uur opeten, vooral de eerste dagen. Te veel kan darmstoornissen veroorzaken. Als je kiemzaad geeft, zorg dan voor kleine kiemen, omdat grote kiemen problemen kunnen veroorzaken. Als je toch groenvoer wilt geven, doe dat dan niet ‘s avonds en niet bij erg warm weer. Ik geef echter geen groenvoer aan de jongen in de kweekkooi!

Als je met roodfactorvogels kweekt, is het aan te raden om 2 dagen voor het uitkomen rode stimulerende middelen onder het eivoer te mengen. Dit komt de kleurontwikkeling van de vleugel- en staartpennen ten goede. Afhankelijk van de grootte van de nesten en de leeftijd van de jongen moet je mogelijk meer eivoer en zaad geven. Blijf de ontlasting goed controleren, en als je dunne mest opmerkt, handel dan onmiddellijk. Het geven van appelazijn en de producten die ik meng onder mijn eivoer, zoals Megabactin, Winmix en Megabactol, voorkomen dit echter grotendeels.

Wees voorzichtig als je de jongen gaat ringen. De meeste poppen laten de jongen niet uit het nest vallen als er voldoende ontlasting rond het nest zit. Sommige poppen moeten echter goed in de gaten worden gehouden, omdat ze het nest schoon willen maken, wat problemen kan veroorzaken. Blijf dus altijd controleren tijdens het ringen om teleurstellingen te voorkomen.

Rond de leeftijd van 16 tot 18 dagen, afhankelijk van de groei van de jongen, plaats ik de nesten op de bodem van de kooi en voorzie ik nieuwe nestmogelijkheden op de oude locatie. De pop zal vrij snel beginnen met het maken van een nieuw nest en zal de jongen blijven voeren. Deze methode minimaliseert verenpikken. Hoewel het ideale scenario is om babykooien te hebben, is het ook mogelijk babykooien aan de kooi te hangen voor deze aanpak.

In de laatste jaren is er een andere methode opgekomen. Men kweekt per koppel, maar na ongeveer 10 dagen wordt de man weggehaald, vaak direct bij het begin van het broedproces. De pop brengt de jongen alleen groot, en wanneer ze ongeveer 18 dagen oud zijn, worden ze in een babykooi geplaatst waar poppen gezamenlijk voor hen zorgen. Deze methode heeft vele voordelen en vermindert het plukken van veren, elimineert problemen met te vette mannen, vermindert onbevruchte eieren en voorkomt beschadigde eitjes vol ontlasting.

Zodra de jongen zelfstandig zijn, plaats ze niet direct in een volière. Zet ze eerst in een overgangskooi zodat ze goed aan zaad wennen en gemakkelijk drinken en eten kunnen vinden. Als de vogels een goede V-vorm in de staart vertonen en al ruim een week zelfstandig zijn, kun je ze veilig verplaatsen zonder schade op te lopen.

Hopelijk heb je weer prachtige jongen!

Succes.

Wout van Gils

Deel 5. Voorbereiding op de kweek – Het zelfstandig worden van nestjongen

pop broed

Het zelfstandig worden van nestjongen – Deel 5

Vaak hoort men berichten dat veel jonge vogels sterven zodra ze bijna zelfstandig zijn. Natuurlijk selecteert de natuur zwakke vogels, maar soms vallen er jongen weg die dat eigenlijk niet hadden mogen doen, wat natuurlijk jammer is, want we kweken vogels met een ander doel voor ogen. Hoewel het normaal is dat sommige vogels wegvallen zonder duidelijke reden, zijn er toch belangrijke punten om op te letten wanneer jonge vogels van hun ouders worden gescheiden. Hierover vertel ik iets meer.

Wanneer zijn jongen zelfstandig:

Veel kwekers herkennen dit meteen, sommigen letten op de leeftijd van ongeveer 3 weken. Maar een uitstekend herkenningsteken blijft het volgroeide V-teken in de staart van de jonge vogel. Als dit goed zichtbaar en volgroeid is, is de vogel gegarandeerd zelfstandig, eet voldoende zelfstandig en pelt ook zaad goed. Uiteraard moet dagelijks nog steeds eivoer beschikbaar zijn. Als je ziet dat de jonge vogels goed eten en het V-teken in de staart goed ontwikkeld is, kunnen ze apart worden geplaatst. Het is het beste als je de vogels ongeveer 14 dagen in een overgangskooi (kweekhok, klein vluchtje of iets anders) plaatst voordat je ze in een grotere vlucht zet. Zorg ervoor dat de vogels in deze kooi hun drinkwater goed kunnen vinden, plaats dit dicht bij het zaad en eivoer. Zorg voor voldoende zitstokjes en een goede droge bodembedekking. Laat de vogels hier ongeveer 14 dagen verblijven voordat je ze in een ruimere vlucht plaatst. Blijf ze natuurlijk dagelijks goed observeren en let op tekenen zoals doffe ogen of piepende geluiden, wat erop kan wijzen dat de vogel iets tekortkomt of niet voldoende voeding tot zich neemt. Plaats zulke vogels terug bij de ouders of geef ze aan een pleegouder. Over het algemeen zullen er weinig problemen optreden als je de jonge vogels op deze manier verplaatst.

Vogels plaatsen in grotere vluchten:

Als de vogels ongeveer 14 dagen in een overgangsruimte hebben gezeten, kunnen ze naar een grotere ruimte worden overgezet, wat ook wordt aanbevolen voor de ontwikkeling van de jonge vogels. Natuurlijk moet deze ruimte eerst goed worden ontsmet en behandeld tegen ongedierte op de langere termijn. Dit zou eigenlijk altijd moeten gebeuren, maar wordt vaak over het hoofd gezien. Onthoud dat je de rekening gepresenteerd krijgt als je dit niet doet, en dan is de schade veel groter. Let erop dat water en voer gemakkelijk te vinden zijn voor de jonge vogels en dat er voldoende, stevig bevestigde zitstokken zijn. Een aanrader is om voor elke vogel een apart zitstokje te hebben. Zorg ervoor dat het water altijd in het begin in de buurt van het voer staat. Als je de vogels overzet, doe dit dan altijd ‘s ochtends, zodat ze ‘s avonds wennen aan de ruimte. Plaats nooit oudere poppen bij deze jonge vogels, want dit zal verenpikken in de hand werken. Zorg ook voor voldoende afleiding, hang op enkele plaatsen wat strengen trosgierst op; de vogels zullen er graag in pikken en bezig blijven. Dit voorkomt verveling en wederom verenpikken. Zorg uiteraard voor voldoende grit en dat de bodembedekking droog blijft. In het begin zullen de vogels niet alle zaden oppikken, maar na enkele weken zal dit zeker gebeuren. Geef dagelijks nieuw vers zaad en niet te veel, ongeveer 5 gram per vogel per dag. Blijf de eerste maand dagelijks eivoer geven en breng dit geleidelijk terug naar 2 à 3 keer per week.

Wat nooit mag worden vergeten:

Het is essentieel dat jonge en eigenlijk alle vogels twee keer per week badwater krijgen; dit mag nooit worden vergeten. Voeg ook wekelijks wat badzout toe aan het water, dit komt de bevedering ten goede en voorkomt vedermijten. Het is ook onmisbaar voor de ontwikkeling van het verenpak van de jonge vogel. Tijdens de rui van de vogels kunnen hier en daar zeker wel eens veren uit de staart en/of vleugels vallen. Normaal gesproken ruien de staart- en vleugelpennen niet, maar door gevechten of andere redenen verliezen vogels wel eens een pen. Het is aan te bevelen deze losse pennen uit de ruimte te verwijderen en niet te laten liggen, omdat vogels hier graag aan pikken (aminozuren) en dit kan leiden tot verenpikken. Ook vogels die om welke reden dan ook bloeden, moeten onmiddellijk worden verwijderd en niet blijven zitten, aangezien dit ook verenpikken kan veroorzaken. Het opvangen van pluimpjes en losse veertjes kan goed gebeuren door in

de achterkant van de ruimte in een hoek een schuin plankje te plaatsen; hieronder verzamelen zich al deze pluimen en ze zijn zo eenvoudig te verwijderen. Natuurlijk krijgen de jonge vogels af en toe een stukje appel, sinaasappel of iets anders, maar altijd in mate, zodat het binnen enkele uren wordt geconsumeerd, anders geef je te veel. Verder is het belangrijk om de eerste en tweede ronde jongen apart te houden en niet bij elkaar te plaatsen. Plaats ook geen oudere vogels bij hen, vooral geen overjarige vogels. Houd jonge en oude vogels gescheiden tijdens het ruien; plaats ze niet bij elkaar, want dat komt de ontwikkeling van de jonge vogel zeker niet ten goede.

Besluit:

Met al deze genoemde zaken zullen de jonge vogels zich goed ontwikkelen zonder problemen, een mooi en gezond verenpak krijgen, en wat ook belangrijk is, er zullen weinig vogels sterven of misvormde vleugel- en staartpennen krijgen. En daar doen we het uiteindelijk allemaal voor.

Succes.

Wout van Gils

Deel 6. Voorbereidig op de kweek – De rui van jonge en overjarige kanarievogels

badende-kanarie

De rui van jonge en overjarige kanarievogels – Deel 6

De rui is een cruciaal proces in het leven van vogels, en als kwekers moeten we tijdens deze periode zeer alert zijn en de vogels voorzien van alles wat ze nodig hebben om de rui succesvol te doorlopen. In de kweekperiode hebben vogels al optimale verzorging nodig, maar de rui vergt ook veel energie, vooral voor onze overjarige vogels. Het is essentieel om te weten dat jonge en oudere vogels verschillende vormen van rui ondergaan.

A – Jonge vogels ruien alleen hun donsveertjes volledig, maar niet hun slag- en vleugelpennen.

B – Overjarige en oudere vogels vervangen hun volledige bevedering tijdens de rui, inclusief staart- en vleugelpennen.

Aangezien de vogels uit een energie-intensieve kweekperiode komen en direct in de rui vallen, is het duidelijk dat deze vogels alle aandacht en voeding moeten krijgen die beschikbaar is. Niets mag over het hoofd worden gezien. In dit artikel wil ik kort bespreken wat kan worden gedaan om de rui van jonge en oudere vogels succesvol te laten verlopen.

De rui van jonge vogels:

Wanneer jonge vogels, rond de leeftijd van 28 dagen, de ouders verlaten, is het cruciaal dat ze naar een ruimte gaan waar ze vrij kunnen vliegen. Deze ruimte moet goed ontsmet zijn en behandeld met een product tegen bloedluizen, vedermijten en ander ongedierte. Het is van belang dat alleen jonge vogels zich in deze ruimte bevinden, en zeker geen oudere vogels, vooral niet tijdens de rui. Het is belangrijk dat de vogels wekelijks ongeveer 3 keer badwater krijgen met badzout, volgens de instructies op de verpakking. Zorg ook voor afleiding in de vorm van bijvoorbeeld touwen waar ze aan kunnen pluizen, en een bos trosgierst zorgt ook voor de nodige afleiding. Tijdens de rui wekelijks een halve ui geven kan verenpikken verminderen. Af en toe wat appel of wortel is ook toegestaan, maar nooit meer dan wat binnen een uur wordt gegeten. Een goede zaadmengeling met toevoeging van gepelde haver is essentieel, evenals de dagelijkse portie eivoer en wekelijkse vitamines in het drinkwater. Het is van groot belang om voldoende goede voeding en afleiding te bieden, evenals eivoer, maar zonder te veel vogels in een te kleine ruimte. Op deze manier zullen jonge vogels de rui succesvol doorlopen, en wekelijks zul je de veranderingen zien. Het is een kritieke tijd voor jonge vogels, maar ook een boeiende periode voor de kweker om te zien hoe de vogel zich ontwikkelt volgens de verwachtingen.

De rui van overjarige vogels:

Wat betreft verzorging loopt deze gelijk aan die van jonge vogels. Ook moeten deze vogels gescheiden worden van jonge vogels en voldoende vliegruimte hebben. Alle eerder genoemde zaken zijn van toepassing. Overjarige vogels kunnen wel wat extra hulp gebruiken, aangezien sommige moeite hebben met de rui, zowel bij het begin als het einde. Je kunt deze vogels helpen door een deel van hun staart af te knippen, ongeveer 10 tot 15 mm achter het leven van de staartpennen. Deze staartpennen zullen dan afsterven, waardoor de vogels ze gemakkelijker en sneller kunnen afstoten en minder energie hoeven te steken in dit proces. Deze energie kunnen ze dan weer gebruiken voor het verwisselen van de rest van hun verenpak. Het is belangrijk om tijdens de rui, zoals altijd, de vogels perfect te verzorgen. Na deze periode krijg je een vogel terug met een volledig glanzend verenkleed. Help de vogels hierbij en wens ze succes.

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils.

Rood opvoeren van kanaries

Roodschimmel het verschil

Rood opvoeren van kanaries.

Bij het opvoeren van kanarievogels is het belangrijk om dit doordacht aan te pakken. De laatste jaren moeten niet alleen de pennen in de vleugel maar ook de staartpennen volledig doorgekleurd zijn. Het opvoeren van vogels vereist daarom kennis en discipline. Een kleine fout of verandering in kracht of voedingspatroon kan resulteren in kleurafwijkingen, wat uiteraard niet de bedoeling is. Daarom wil ik hier kort iets over schrijven.

De kweek en het rood opvoeren van jonge vogels:

Veel mensen vroegen zich af of het echt nodig is om de vleugel- en staartpennen volledig door te kleuren. Ja, het is noodzakelijk, omdat de vogel veel mooier is dan wanneer de pennen niet volledig zijn doorgekleurd. Onze standaard vereist dit dus als je je vogels wilt tentoonstellen; ze moeten volledig doorgekleurd zijn. In het begin hadden veel liefhebbers hier moeite mee omdat ze dachten dat de vogels tijdens de rui de pennen niet kunnen doorgekleuren. Helaas is dit slechts gedeeltelijk waar, omdat er genoeg vogels waren die wel volledig doorgekleurde

 

vleugel- en staartpennen hadden. Hoe doen deze kwekers dat dan? Deze kwekers hebben vogels die al een volledige dieprode factor dragen, wat het eerste punt is waar rekening mee moet worden gehouden. Een andere aanpak is het geven van kleurstof aan de vogels in het eivoer, te beginnen op het moment dat de vogels beginnen met nestelen. Op deze manier wordt kleurstof meegegeven in de opbouw van het ei. Tijdens de broedperiode wordt het eivoer gestopt, maar dat weten de meesten van ons al. Op de dag van uitkomen wordt opnieuw eivoer gegeven met rode kleurstof. Vanaf dag 2 tot 3 geef ik de vogels ‘s avonds extra voeding met een stokje of een voederspuit, ongeveer een uur voor het donker wordt. Een bevriende kweker doet dit zelfs tweemaal daags, ‘s ochtends en ‘s avonds, bij een nest van 4 jongen. De reden hiervoor is dat als je alles zelf gaat voeren, de ouders kunnen stoppen met voeren, met alle gevolgen van dien. Je kunt ook roodstimulans aan het water toevoegen, maar dat wordt na verloop van tijd een vieze boel en je zult toch eivoer moeten bijmaken met roodstimulans om bij te voeren. Het is beter om het alleen in het eivoer te geven en altijd strikt dezelfde hoeveelheid aan te houden.

 

De kleurstof:

De gebruikte kleurstof is Intensief. Een pot van 500 gram wordt aangeschaft en daar meng je 80 tot 100 gram Cantaxatine onder. Bij het aanmaken van eivoer voeg je 12 tot 14 gram van dit mengsel toe aan een kilogram eivoer, afhankelijk van de roodfactor van je vogels. Als je het op deze manier doet en de hierboven beschreven methode volgt, zullen de vleugel- en staartpennen zeker volledig doorgekleurd zijn. Geef niet meer roodstimulans, want dat brengt alleen de gezondheid van de vogel in gevaar en de kleur zal naar een paarse tint neigen, wat zeker niet de bedoeling is.Houd dus vogels aan met een goede rode factor en begin op tijd met het opvoeren en bijvoeren, met ongeveer 12 tot 14 gram roodstimulans per kilogram eivoer, en de vogels zullen mooi en diep doorgekleurd worden. Succes.

 

 

Met vriendelijke groet,

Wout van Gils.

Kanarie met Rood en Zwart Oog

Kanarie (Albino) met Zwart en Rood Oog!!!!

Kweekresultaat Wout van Gils…

Halfzijder

Op 20 mei 2009 deed ik een nestcontrole. Van de vier eitjes waren er 2 uitgekomen. Wat me direct opviel, was de oogkleur van een van de jongen; een roodoog en een donker oog. Ik dacht direct aan zaadpellets of iets dergelijks dat op het oog geplakt zou zijn. Aangezien de jongen nog erg klein waren, besloot ik er nog niets aan te doen. Ik zou over enkele dagen wel weer eens zien, en als het droog is, kan het er misschien wel makkelijk afgehaald worden. Bij de volgende nestcontrole stelde ik vast dat het geen zaadpelletje was, maar duidelijk een zwart oog en een roodoog. Was het dan een albino met een rood en zwart oog? Op 25 mei 2009 heb ik de vogel geringd met AoB ring plo45-2009-200. De vogel heeft verder normale bevedering, en de verschillende oogkleur is nog steeds goed waarneembaar. Collega-kwekers die op bezoek kwamen, liet ik uiteraard direct dit wonder zien, en zij stelden ook direct de oogkleur vast. Bij verdere navraag bij collega-kwekers zou het gaan om Heterochromia iridis? – Gyandromorf? Zou u meer weten, laat het me dan weten aub. Meer hierover vindt u op Wikipedia en op de blog van collega-kweker Frans Begijn, die ik ook heb gevraagd om meer informatie over het fenomeen. Ik zou het erg op prijs stellen als u meer weet of denkt te weten, mij dit door te sturen. Bijgevoegd vindt u enkele foto’s van de jonge vogel. Als de vogel volledig in de veren zit, zal ik er nog enkele proberen te maken. Het jong komt uit een nest split albino met een geelwitte pop en uit mijn eigen stam witten. De vogel groeit perfect, en wat nu opvalt, is dat hij aan de ene zijde lichtgeel is en de andere zijde wit. Het is dus ook een halfzijder of gyandromorf (linker en rechter helft afzonderlijke kleuruitingen of afzonderlijke geslachten). Nog even wachten of dat bij dit exemplaar ook het geval kan zijn. Ofwel een speling van de natuur, maar zo ver ik kan vaststellen, is er geen enkele kleur van bontheid in bevedering of hoornstructuren vast te stellen. En voor mij is het een albino met zwart en roodoog. Ik hou u verder op de hoogte van de ontwikkelingen via deze site. Helaas is de vogel in 2011 gestorven; hij of zij heeft nooit gefloten, nest geprobeerd te maken of een eitje gelegd. Het is dus gebleven bij een mooi zeldzaam kweekproduct.

Groet,
Wout van Gils

Beste Johan & Wout, waarde vrienden kleurliefhebbers!!!

Enige tijd geleden, bij de eerste confrontatie met dit fenomeen, ging ook mijn idee uit naar een mogelijke halfzijder. (Een volwaardige halfzijder heeft namelijk méér dan slechts beide ogen geheel verschillend van kleur.) Met deze afbeelding denk ik eerder aan een soort van partieel melanisme (zoals ook partieel albinisme bestaat). Hou echter een flinke slag om de arm, want een frivole speling van de natuur is vaak meer dan alleen maar ondoorgrondelijk.

Groet allen!
Frans Begijn

Beste Wout,

Da’s wel de eerste keer dat ik dergelijke afwijking zie in de pigmentatie in de ogen. Graag zou ik willen weten of deze kanarie satinet of ino factor is. We kunnen over een halfzijder spreken; laten we vertrekken vanuit het idee dat de satinetfactor verantwoordelijk is voor het albinisme. Een albino vader aan een klassieke witte pop geeft alle mannen zwarte ogen en alle poppen rode ogen. Bij deze kanarie hebben we een zwart oog (man) en een roodoog (pop), en zouden we kunnen spreken van een halfzijder.

Johan van der Maelen.

De vogel is ongeveer een dikke 2 jaar geworden, heeft nooit gefloten, of een poging tot nest te maken. Kortom was het een hij of zij, ik weet het niet.

Met vriendelijke groet,
Wout van Gils

De Stamkweek

Voor de ervaren kweker van kanarievogels en/of mutaties zal dit zeker niets nieuws zijn. Dat er direct topvogels gekweekt gaan worden als men goed aan stamkweek doet, is ook wel wat overdreven, maar toch. DE STAMKWEEK IS DE KORTSTE WEG NAAR HET RESULTAAT TOE. Men is gauw geneigd te zeggen dat de topkwekers veel foefjes kennen enzovoort. Ik denk dat er tijdens het hele kweekproces van de vogels weinig foefjes zijn uit te halen. Goed koppelen met goede gezonde vogels met de kennis van de achtergrond van de kweekvogels (stam) zal het meeste resultaat geven. Met andere woorden, de kweker zal doordacht te werk gaan. Overwegen welke vogels men gaat kweken, de afstamming van de vogels goed kennen, hun erfelijke factoren. Kortom, zij kennen bijna alle eigenschappen van deze vogels. Hoe zij dat nu doen heel eenvoudig, zij doen al jaren aan STAMKWEEK. Het is hierover dat ik in dit artikel iets wil schrijven en u probeer te overtuigen van het nut van de stamkweek.

Kijk en vergelijk

Wat is nu een stam?

Dit is een aantal vogels afkomstig uit een populatie vogels die qua afstamming in meer of mindere mate verwantschap met elkaar hebben. Dus een streng geselecteerde groep vogels, die weinig of geen verschil laten zien in hun erfelijke overdrachten. Het zogenaamde verdringingskruisen heeft ertoe geleid dat de meeste ongewenste eigenschappen zijn verdwenen, en men heeft getracht de goede eigenschappen te behouden, en zelfs te verbeteren, van welke aard deze ook zijn. Dus een STAM is een collectie vogels met dezelfde kenmerken, zowel in pigment en vetstoffen, vorm, gedrag, houding, ja zelfs in de erfelijke eigenschappen. Dit is voor de verdere kweek erg belangrijk. Kortom, de stam moet een waar kleurbeeld vormen in kleurtekening, vorm, houding, bevedering; ook de rust in de vogels speelt hierbij een factor, enzovoort. Als men begint met een stamkweek, is men verplicht op alles te letten en goed vast te leggen in je kweekboek (zonder dit boek is stamkweek onmogelijk). Dit vanaf de koppeling tot dat de vogels zelfstandig zijn; alles vastleggen, onder andere:

  • De afstamming van de vogels
  • De erfelijke factoren (die men al moet weten)
  • Gedrag van de vogels (aantal eieren, nestbouw, voeren, enz.)
  • De groei van de vogels (kleur…)
  • Vorm, bevedering, houding, grootte, enz.
  • Het aantal en de kenmerken van bonte jongen
  • TT-resultaten vastleggen en bijhouden

Later gaat men beginnen alle slechte en minder goede eigenschappen uit te schakelen. De vogels met de gewenste eigenschappen, zoals wij die graag zien en zoals in de standaard is voorgeschreven, zullen we behouden voor onze verdere stamkweek.

Het opbouwen van een stam

Indien men al beschikt over een selectie vogels die het redelijk goed doen, zowel in de kweek als op de TT, en die dus de standaardeisen goed benaderen en waarvan men de erfelijke eigenschappen goed kent, is de basis al gelegd om aan stamkweek te beginnen. Met andere woorden, hiermee kun je verder een goede stam gaan opbouwen. Kweek dan in deze groep vogels nog geen nieuw bloed in. Heeft men deze gegevens niet, of wil men een andere kleur gaan kweken, dan is het natuurlijk wat anders. Wat men dan te doen staat? Ga naar een kweker toe na het kweekseizoen die jouw gewenste kleurslag heeft en waarvan je weet via TT-uitslagen dat zijn resultaten goed zijn met deze vogels, en dit niet met een of twee vogels maar met meerdere vogels van deze kleurslag en dit al over een langere periode. Dit geeft je een degelijke garantie dat hij over goede vogels (STAM) beschikt en dus zeker ook aan stamkweek zal doen. Ik hoor al eens zeggen: ja, maar die meneer verkoopt toch ook niet zijn beste vogels, dat is dan ook bijna wel zo, maar deze meneer kan ook niet al zijn vogels behouden. En als u bij hem een goede afspraak maakt, zult u zeker een goede keuze kunnen maken uit zijn verkoopvogels die ook uit zijn stam komen en dus voorzien zijn van deze goede erfelijke factoren. En waar u zeker mee kunt beginnen met stamkweek. Bij deze kweker gaat men kopen: 2 mannen en 4 poppen. De poppen mogen twee zusters zijn, de andere twee poppen mogen niet verwant zijn. Uiteraard zult u dat zelf controleren in het kweekboek van de verkoper; vraag hier naar, hij zal u dat zeker laten zien. Noteer eventuele aan- en opmerkingen indien deze erin vermeld staan. U controleert het volgende…:

  • Kleurslag van de vogels
  • Afstamming van de vogels
  • Erfelijke factoren van de vogels
  • De ringnummers
  • De grootte van het nest
  • Eventuele TT-uitslagen

De reden dat we twee verschillende poppen kopen, heeft als doel om zo lang mogelijk door te kweken met de nakomelingen. Als we onze twee mannen (broers) zouden koppelen aan de vier zusters (door wisselbroed), zitten we direct in regelrechte inteelt. Zeker als we onze jonge vogels naderhand nog eens onderling gaan koppelen (inteelt mag, maar wel tot een zekere hoogte en met goede, sterke uitgeselecteerde vogels).

De kweek

Als we met de hierboven beschreven vogels gaan kweken, krijgen we in het eerste jaar HALFBROER en HALFZUSTER van elkaar. Hieruit selecteren we na de kweek de beste vogels op basis van kleur, tekening, bevedering, grootte, vorm, enzovoort. Nadat we de vogels hebben uitgezocht, zowel van de man als van de pop, kunnen we weer een keuze maken voor het volgende jaar, bijvoorbeeld HALFBROER + HALFZUSTER of nog verder gaan, bijvoorbeeld VADER + DOCHTER of ZOON + MOEDER. Het is duidelijk dat bij deze laatste koppelingen de vogels goed moeten zijn in grootte en vorm, inclusief bevederingstructuur.

Indien na deze koppelingen en enkele kweekjaren later blijkt dat enkele jonge vogels niet aan de verwachtingen voldoen, bijvoorbeeld ze worden te klein of de bevederingstructuur wordt minder, dan is het verstandig om een vogel aan te kopen met de eigenschap die uw vogels minder hebben laten zien in hun uiterlijk. Het doel hiervan is om uit dat koppel met nieuw bloed jonge vogels in te zetten in uw bestaande stamvogels. Natuurlijk kunnen we ook nog een jonge vogel uit de tweede generatie terugkoppelen aan de grootvader en/of grootmoeder, ja zelfs aan overgrootvader/moeder.

We kunnen, indien we doordacht en zorgvuldig te werk gaan, ver gaan wat betreft de verwantschap van onze kweekvogels, zonder aan regelrechte inteelt te doen. Broer + zus is wel de kortste weg om alle goede en slechte eigenschappen uit te selecteren, maar weet wel dat dit alleen kan bij kerngezonde en sterke uitgeselecteerde kweekvogels. Het is om die reden dat deze methode niet direct wordt aanbevolen. Het zal nu ook wel duidelijk worden dat we een goede kweekadministratie nodig hebben en dus ook niet te snel een vreemde vogel in je stam moet gaan in kweken. Kortom, in de eerste jaren moet men als volgt gaan kweken:

A – Eerste jaar:

1. MAN + POP (Halfbroer en halfzusters)
2. POP + MAN (Halfzuster en halfbroer)

B – Tweede jaar (jongen of oudervogels van paring A):

1. VADER + DOCHTER.
2. MOEDER + ZOON.
3. NEEF + NICHT.
4. HALFBROER + HALFZUSTER.
5. OOM + NICHT.
6. TANTE + NEEF.

Ik begrijp dat deze termen misschien vreemd kunnen overkomen, maar voor beginnende kwekers leek het me de duidelijkste aanpak. Nu, in een meer traditionele formulering:

C – Derde jaar:

Jonge vogels, zoals genoemd in B, onderling koppelen.

D – Vierde jaar:

Dit is vooral voor ervaren kwekers. Als het nodig is, kunnen enkele oudere vogels gekoppeld worden aan enkele nieuw aangekochte vogels. Zorg er wel voor dat deze nauw verwant zijn maar toch drager zijn van nieuw bloed. Hierdoor kunnen ze het komende jaar weer worden ingezet in onze stam. Op deze manier kunnen we vele jaren doorgaan zonder in regelrechte inteelt te vervallen en zo kunnen we succesvol blijven meedraaien aan de top, wat uiteindelijk het doel is van stamkweek.

Een veelgebruikte methode, die ik graag met je deel en aanbeveel, is de volgende. Misschien is het een tip om beide methoden uit te proberen met twee lijnen.

Deze methode staat bekend als de patrokliene en/of matrokliene methode.

Patrokliene methode = vadergelijkend.

Matrokliene methode = moedergelijkend.

Deze methode lijkt sterk op de eerder beschreven methode A-B-C-D en kan als volgt worden toegepast.

De Patrokliene Methode (Vader Gelijkend):

Eerste jaar: Man van stamvader paren met 2 à 3 goede poppen.

Tweede jaar: De mooiste en beste dochters paren met de stamvader.

Derde jaar: De mooiste poppen uit het tweede jaar koppelen aan de stamvader.

Vierde jaar: De nakomelingen van het derde jaar onderling laten kweken.

De Matrokliene Methode (Moeder Gelijkend):

Deze methode kunnen we starten met vogels uit het tweede jaar van de patrokliene methode. Hierdoor krijgen we twee lijnen:

– EEN LIJN: Vadergelijkend (patrokliene methode)
– EEN LIJN: Moedergelijkend (matrokliene methode)

Hoe dit werkt:

Eerste jaar: Pop van stammoeder paren met een goede en betrouwbare man uit de patrokliene methode.

Tweede jaar: De mooiste zoon uit het derde jaar paren met de stammoeder.

Derde jaar: De beste zoon uit het derde jaar paren met de stammoeder of een dochter uit het tweede jaar.

Vierde jaar: Nu hebben we twee lijnen, beide gelijkend op de patrokliene methode. De jongen uit het vierde jaar kunnen onderling worden gekoppeld, waarna we opnieuw beginnen met het vormen van twee lijnen.

Met deze methoden is het mogelijk om binnen enkele jaren een goede stam op te bouwen en te behouden. Natuurlijk moet men gespaard blijven van ziekten en andere tegenslagen. Het is ook aan te raden om na enkele jaren een nieuwe lijn langs de bestaande lijn op te zetten. Blijf altijd alert op dominante factoren.

Besluit

De bedoeling van stamkweek zou nu duidelijk moeten zijn, veronderstel ik. We leggen een basis waaruit regelmatig goede vogels zouden moeten voortkomen, uiteraard met de nodige kennis en zonder tegenslagen zoals ziekten, enzovoort. Het is niet nodig om elk jaar nieuwe vogels aan te kopen; we zijn nu in staat om via stamkweek regelmatig succes te behalen op tentoonstellingen. Als we het goed hebben gedaan, beschikken we nu over goed uitgeselecteerde kweekvogels. Succes op lange termijn is verzekerd via stamkweek, zonder constant nieuwe vogels te moeten aanschaffen en opnieuw af te wachten wat hun nakomelingen zullen brengen.

Tips voor het opzetten van een stam:

1. Begin niet met te veel verschillende soorten vogels.
2. Focus op één of twee specialiteiten.
3. Pas een zeer strenge selectie toe.
4. Koop vogels bij iemand die maar enkele soorten heeft en hierin een specialiteit heeft ontwikkeld.
5. Noteer alles in een kweekboek en koop via een kweekboek.
6. Let op bevederingstructuur, grondkleur/tekening en/of schimmelfactor.
7. Weet wat je kweekt en lees de standaarden van die vogels.
8. Kweek niet te snel nieuw bloed in, tenzij noodzakelijk.
9. Blijf je vogels vergelijken op tentoonstellingen met andere toppers in deze soort.
10. Sluit jonge vogels met een levervlek in het nest altijd uit voor verdere kweek.

Beste kanariekwekers,

Ik hoop dat dit artikel de stamkweek voor u verduidelijkt. Het lijkt misschien wat ingewikkeld, maar ik weet zeker dat het de moeite waard zal zijn zodra u ermee begint. Hoe eerder u begint, des te sneller zult u goede vogels kweken met een sterke stam voor de komende jaren. Maak alvast een begin in het komende kweekseizoen, doe het in overleg en doordacht, weet wat u wilt (niet te veel soorten), en onthoud dat een strenge selectie en een goed kweekboek, samen met stamkweek, de kortste weg naar succes vormen.

Wout van Gils

Het houden van kanaries (deel 2)

Het houden van kanaries (deel 2)

13. Voeding

Bij het voeren van kanaries, die voornamelijk zaadeters zijn, bestaat het dieet uit een combinatie van zaadmengsel, eivoer, en mogelijk andere lekkernijen. Kanaries nemen ongeveer 18% eiwit op uit hun zaadmengsel. Eivoeders, algemeen bekend, worden tijdens de kweekperiode extra gegeven en in iets mindere mate tijdens de rustperiode. Het is essentieel om dit voedingspatroon te handhaven voor een gezond vogelbestand. Het is belangrijk om te beseffen dat eivoeders geen vervanging zijn voor de eiwitten uit zaden. Veel kwekers bereiden zelf eivoer, bijvoorbeeld door drie beschuiten met een hardgekookt ei ertussen te mengen. Dit mengsel bevat ongeveer 21% eiwitten, voornamelijk bestaande uit dierlijke eiwitten. Het resultaat is een uitgebalanceerd eivoer met de benodigde mineralen en vitaminen. Het is gebruikelijk om vogelkwekers te veel voer te geven, wat leidt tot kieskeurige vogels en een eenzijdig dieet met minder gunstige kweekresultaten. Tegenwoordig geven de meeste kwekers een gerantsoeneerd dieet, bestaande uit:

– Vier gram zaad (van goede kwaliteit)
– Een gram eivoer (+/- 21% eiwitten)
– Bakje met vogelgrit en mineralen (altijd standby)

Let op, deze hoeveelheid is voldoende voor één volwassen vogel. Toevoeging van eiwithoudende producten is mogelijk, maar overdosering is gevaarlijk en kan diarree veroorzaken.

14. Gekiemde zaden en zelfstandige jonge vogels

Het geven van gekiemde zaden is niet slecht, maar moet met mate gebeuren. Let erop dat dit niet het hoofdvoedsel wordt, vooral tijdens de kweek, vanwege het hoge vochtgehalte dat nadelige gevolgen kan hebben. Zorg ervoor dat het kiemzaad niet verzuurt of beschimmelt. Het is het beste om het te mengen met eivoer, maar opnieuw met mate. Bij het zelfstandig worden van jonge vogels, nadat ze van hun ouders zijn gescheiden, kan er een fout optreden bij het aanbieden van zaadmengeling. De snavel van de jonge vogel is nog te zacht om zaden te pellen, en onvoldoende eivoer kan leiden tot ondervoeding. Verminder daarom in de eerste weken de hoeveelheid zaadmengeling voor deze jonge vogels en voeg eivoer toe met wat gekiemde zaden ertussen. De ideale verhouding per jonge vogel is 3 gram zaad en 2 gram eivoer. Zorg ervoor dat de jonge vogels ook in de eerste dagen toegang hebben tot vers drinkwater.

14. Het broeden en zijn uitdagingen

Een te lage of te hoge relatieve luchtvochtigheid (normaal 60 á 70%) in onze broedruimten leidt tot een slecht uitkomstpercentage, bacteriële verontreiniging van de eieren en sterfte in het ei of ziekte bij de ouder vogels. Bij kanaries en veel andere soorten worden de eieren meestal geraapt en pas teruggelegd als het legsel compleet is. Het voordeel hiervan is dat alle eieren tegelijk uitkomen en er minder zwakke jongen zijn. Toch kan er een nadeel zijn als de eieren niet goed worden gelegd en regelmatig worden gekeerd; uitzakking van de hagelsnoeren of bacteriën die door de eischaal dringen, vooral bij een vochtige ondergrond, kan voorkomen. Tijdens het broeden krijgen de vogels alleen zaadmengsel. Op de dag van het uitkomen wordt eivoer beschikbaar gesteld. Er zijn verschillende meningen over wanneer eivoer moet worden gegeven. Sommige kwekers geven het al een dag voor het uitkomen, terwijl anderen beweren dat de jonge vogel in de eerste 24 uur moet teren op de dooierzakresten. Vroegtijdig eivoer geven kan leiden tot sterfte op de 6e dag. Elke kweker heeft zijn eigen mening; persoonlijk geef ik een dag voor het uitkomen eivoer en dit gaat goed. Ik heb wel eens jongen gehad die rond de 6 dagen stierven, maar of dat aan het eivoer ligt, ben ik nog niet zeker van. De temperatuur in de kweekruimte mag niet te hoog liggen; 18 á 19 graden is voldoende en vermindert de kans op bacteriële ontwikkeling. Let erop dat de pop niet alleen zaad aan de jongen geeft, omdat dit sterfte onder de jongen kan veroorzaken. Als dat het geval is, controleer dan het eivoer. Als dit goed is, verwijder dan het zaad voor een korte periode en geef kleine hoeveelheden zaad in de eerste dagen. Als de pop veel drinkt, kan dit wijzen op een tekort aan kropsappen; geef wat extra groenvoer of nog beter, wat kiemzaad of vogelmuur (met mate).

15. Nestmateriaal

Er valt zowel veel als weinig te zeggen over nestmateriaal. Er zijn voldoende goede materialen te koop, maak hier gebruik van. Zorg ervoor dat het materiaal niet te fijn is, zodat de pootjes er niet in verstrikt kunnen raken. Een waarschuwing voor wellicht beginnende liefhebbers: gebruik nooit touw dat wordt gebruikt voor het binden van strobalen. Dit touw is behandeld met pentachloorfenol, een gif om knagen door muizen tegen te gaan. Als je dit gebruikt, komt tijdens het broeden van de pop dit gif vrij en dringt het door de poriën van het ei met als gevolg het onmiddellijk afsterven van het embryo. Het is zeker niet de eerste en laatste keer dat dit is gebeurd. Koop dus nestmateriaal en zorg ervoor dat het nest aan de binnenzijde altijd glad is afgewerkt. Controleer na enkele dagen broeden of de nestbodem voldoende glad blijft en houd ook de man in de gaten; als deze door vervelling of drift aan het nest plukt, is het het beste om de man tijdelijk te verwijderen en de pop alleen te laten broeden.

16. Ontsmetten van het vogelverblijf

Er zijn al talloze pagina’s geschreven over het ontsmetten van vogelverblijven. Toch wil ik hier kort iets over zeggen. Voor mij staat één ding als een paal boven water: tegenwoordig hoeft niemand meer geplaagd te worden door luizen; ik vind dat als iemand hier last van heeft, het zijn eigen schuld is. Wat belangrijk is, is het volgende: voor aanvang van het kweekseizoen moet het vogelverblijf grondig worden ontsmet, oftewel goed worden gereinigd en alles moet goed worden afgewassen. Vervolgens moet het vogelverblijf gedurende langere perioden worden BEHANDELD met een geschikt product. Welke producten hiervoor moeten worden gebruikt, wil ik niet uitgebreid behandelen in dit artikel; iedereen heeft hier zijn eigen voorkeur voor. Eén ding staat vast: je moet ONTSMETTEN EN BEHANDELEN (lees mijn artikel hierover “LUIZEN, WEL ONTSMETTEN”). Welk product je gebruikt en op welke manier is meestal niet zo belangrijk, zolang het product maar krachtig genoeg is. En het belangrijkste is dat je het ook daadwerkelijk doet! ONTSMETTEN EN BEHANDELEN! Als je eenmaal luizen hebt, is het meestal te laat. De pop zal tijdens het broeden erg onrustig zijn door de aanwezigheid van deze luizen. ‘s Nachts zuigen ze bloed uit de al zwakke jongen, waardoor de jongen verzwakt raken en na enkele dagen niet meer in staat zijn om zichzelf te voeden. De slijmvliezen van de jongen, die normaal gesproken mooi rood zijn, worden bleek en na enkele dagen zullen de jongen één voor één sterven. Uiteindelijk zal ook de pop het nest verlaten. Bovendien zal de overdracht van infecties snel verergeren als er luizen of ander ongedierte aanwezig is.

17. Zweetziekte (Coccidiose)

Het is niet mijn bedoeling om aansluitend op dit artikel te gaan schrijven over alle ziekten die bij onze vogels kunnen ontstaan. Dit zou het artikel ontzettend lang en misschien ook wel saai maken. Daarbij is de variatie aan ziekten ook zo groot dat ik er het fijne niet van weet. Als afsluitend verhaal op mijn artikel wil ik toch een ongemak in ons kweekhok behandelen. Dit doe ik om de eenvoudige reden dat dit verhaal goed aansluit op al hetgeen hierboven beschreven staat. Als men hier ergens faalt, dan is de kans groot dat men hiermee geconfronteerd wordt, namelijk DE ZWEETZIEKTE.

Dit is een aandoening van jonge vogels, met name kanaries, die in het nest aan sterke bacteriële (huisvesting) blootgesteld zijn. Hierdoor treedt een sterke vermeerdering op van het aantal bacteriën in de darmen. Ook slecht kiemzaad, eivoer, zaadmengeling, vocht en/of tocht kunnen aanleiding geven tot verzwakte jongen, met als gevolg een te sterke kolonisatie (vermeerdering) van bacteriën in de darmen. De jonge vogels krijgen hierdoor diarree, waardoor hun ontlasting niet meer vast is en dus niet meer door de pop verwijderd kan worden. Het nest wordt hierdoor nat en de jonge vogels ook. Hierdoor lijkt het alsof de jongen zweten, vandaar ook de naam zweetziekte. Maar eigenlijk is dit een volledig verkeerde naam, en is deze gewoon gebaseerd op het nat liggen van de jongen in het nest. De zweetziekte is een foutieve naam, om de eenvoudige reden dat vogels geen zweetklieren hebben. Als men de dunne ontlasting waarneemt, is het eigenlijk al wat laat om in te grijpen, maar als men het tijdig ziet, is hulp nog mogelijk.

Men dient direct te beginnen met de hokken volledig te zuiveren. Ook moet men veel aandacht besteden aan het opfokvoer en tijdelijk het kiemzaad stoppen. Men maakt het eivoer iets rul door hier wat magere melk door te mengen. Verder zijn hiervoor ook medicamenten in de handel verkrijgbaar; als men deze geeft, dan niet langer dan 3 dagen. Maak ook regelmatig, om de dag, het nest schoon en voeg droog nestmateriaal toe. Zorg ook dagelijks voor vers drinkwater en meng wat wildzaad door uw normale zaadmengeling. Ik hoop dat u de komende kweek gespaard blijft van deze ziekte, dan denk ik dat dit toch wel lange artikel zijn dienst heeft bewezen. Ik ben er zeker van dat uw huisvesting en verzorging van de vogels goed zijn geweest.

Voor de meer ervaren liefhebber hoop ik dat het een goede opfrisser is geweest en dat het lezen van dit artikel ook zijn waarde heeft gehad. Als er nog vragen zijn, kunt u me altijd mailen; ik zal mijn best doen om te antwoorden. Verder wens ik u allen nog veel plezier met onze mooie vogels.

Wout van Gils

Kanarie kweek begint weer in augustus

koppel witte

Je vraagt je wellicht af waarom we nu al praten over de kweek voor het komende jaar, terwijl onze jonge vogels van het afgelopen broedseizoen nog niet allemaal volwassen zijn om zich voort te planten. Het kan wat vroeg lijken, maar vooruitkijken is cruciaal voor het succes van het volgende kweekseizoen. Door de ervaringen van dit jaar en voorgaande jaren hebben we veel geleerd. We weten nu al welke vogels ongeschikt zijn voor het volgende kweekseizoen, om diverse redenen zoals weinig of geen jongen grootbrengen, veren plukken, eieren breken, slecht voeren, ziekten, onbevruchte eieren, enzovoort. Daarnaast hebben sommige kweekvogels de leeftijdsgrens bereikt en worden ze meestal vervangen, bij voorkeur door jonge vogels uit onze eigen kweeklijn. Onze focus moet nu liggen op jongen die voldoen aan de juiste kleur, tekening, vorm, en grootte, en die zonder problemen zijn grootgebracht in ruime nesten. We moeten nu beginnen met sorteren en selecteren, zowel voor tentoonstellingen als voor de kweek van volgend jaar. Welke vogels gaan we wegdoen? Alles wat niet goed is of te veel hebben, zetten we zo snel mogelijk apart en verkopen we aan andere liefhebbers of opkopers, afhankelijk van de kwaliteit van de te verkopen vogels.

Kweekboek:

Het is essentieel om de informatie die hierboven is beschreven uit het kweekboek te halen. Hierin staat de informatie die je nodig hebt om je vogels voor te bereiden op het komende jaar. Let op de soorten die je wilt kweken en zorg voor voldoende mannen en poppen. Hoewel het nu misschien moeilijk is om te bepalen of een vogel een mannetje of vrouwtje is, kan de kleur je vaak helpen, evenals het kweekboek. In sommige gevallen kun je echter wel eens mis zijn. Het is daarom aan te bevelen altijd wat reserve materiaal te hebben. Vaak bieden de kleur en het kweekboek al een oplossing.

Vogels plaatsen:

De vogels die we willen behouden, plaatsen we in niet te kleine volières, zodat ze zich ruim kunnen laten rondvliegen. Dit komt hun ontwikkeling ten goede. Als er voldoende ruimte is, is het altijd aan te bevelen om jonge mannen en poppen te scheiden. Op die manier kun je later snel zien of er nog mannen tussen de poppen zitten. Het is ook van groot belang om de oudere vogels die je behoudt niet bij de jongere vogels te plaatsen, om verenpikken te voorkomen. Ook is het belangrijk dat vogels in de zwartreeks, als dit mogelijk is, veel zonlicht krijgen, in tegenstelling tot pastellen en isabellen. Vogels met rode ogen moeten ook niet in fel zonlicht of onder TL-verlichting worden geplaatst, omdat dit kan leiden tot oogontsteking. Natuurlijk moeten ook vogels die rode kleurstof krijgen, gescheiden worden gehouden van de gele kleuren. Je ziet dat je vogels nu al flink wat aandacht en kennis vragen.

Welke vogels voor de tentoonstellingen?

We vragen ons af welke vogels we klaar gaan maken voor de tentoonstelling, al zo vroeg in het jaar. Ook hier moet onze kennis en de bijbehorende standaard van de vogels ons helpen. Het raadplegen van een ervaren kweker of keurmeester kan vaak ook helpen bij het selecteren van deze vogels. Deze vogels kun je het beste apart houden om ervoor te zorgen dat ze zo min mogelijk geplukt of beschadigd worden. Ook is het belangrijk om ze te trainen voor de tentoonstellingen. Sommigen zullen denken dat we al vogels hebben geselecteerd voor de kweek, waarom nu alweer vogels uitzoeken? Het antwoord is ja. In deze categorie moeten we nu niet specifiek zoeken naar onze toekomstige kweekvog

els, want het gezegde “Een goede kweekvogel is nog geen goede tentoonstellingsvogel” blijft van kracht. Zo zijn schimmelvogels nodig in de kweek, maar deze zijn vaak geen geschikte tentoonstellingsvogels in verschillende kleurslagen. Let ook op de grootte, bouw, bevedering, kleur, tekening en erfelijke factoren. Kortom, weet wat je gaat kweken en wat je nodig hebt. Het is het beste om nu al een goed schema te maken: met hoeveel poppen ga ik volgend jaar kweken? Met welke kleuren? Vooraf weten wat je wilt, is erg belangrijk. Daarna kijk je welke overjarige kweekvogels het goed hebben gedaan en die je volgend jaar nog kunt gebruiken. Het tekort wordt aangevuld met eigen jongen van dit jaar. Let op de eerder genoemde criteria: wat de ene vogel te veel heeft, moet de andere wat te weinig hebben. Dit is een goede richtlijn bij het behouden van vogels. Pas daarna kun je bij collega-kwekers kijken en kopen wat je denkt nodig te hebben. Wacht daar ook niet te lang mee, want dan wordt de keuze minder goed. Sommige liefhebbers ruimen alle overjarige poppen of mannen op, zelfs als ze goed hebben gekweekt, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dit is een vergissing: blijf kweken met goed materiaal en zorg extra goed voor deze vogels. Het devies van elke kweker moet zijn: zoveel mogelijk doorgaan met eigen (stam)materiaal, zodat je een eigen stam kunt opbouwen. Koop alleen vogels om je te verbeteren of om het bloed te verversen. Onthoud dat je een winnend team niet verandert!

Aangekochte vogels observeren / verzorgen:

En onthoud: een vogel is zeer gevoelig voor stress. De meeste hebben tijd nodig om te wennen aan een andere omgeving en ander voedsel. Als je nieuw materiaal te laat aanschaft, kan het zijn dat de aanwinst niet tot kweken komt. Dit ligt niet aan de verkoper, maar vaak aan jezelf. Vanaf begin september zouden we moeten weten welke vogels niet weg mogen, omdat rond die tijd mogelijk geïnteresseerde kopers aankloppen. Het is lastig om iets te verkopen als je zelf niet weet welke vogels weg kunnen of niet. Dit is ook niet prettig voor de koper. Weet wat je verkoopt en verkoop zeker niet te veel, een fout die veel liefhebbers maken (zoals eerder vermeld, zorg ook voor wat reserve materiaal). Het gebeurt vaak dat een paar kweekvogels ziek worden, sterven of weigeren te kweken. Dan ben je blij als je deze vogels kunt vervangen uit je eigen materiaal. Het is geruststellend als je enkele reserves hebt. Dit is ook de tijd dat je op zoek gaat naar aanvullend materiaal. Zoek een betrouwbare liefhebber die heeft bewezen degelijk en betrouwbaar materiaal te hebben. Koop vooral gezond en medicijnvrij materiaal en koop bij kwekers die al jaren in stamverband kweken en al jaren goede resultaten behalen op tentoonstellingen. Vraag naar de leeftijd van de vogel, het voer, wat hij vererft of mogelijk kan vererven. Kijk of hij rustig ademt, niet hijgt en met de staart op en neer beweegt, geen vuile ontlasting heeft aan de aarsbevedering, glanzend is in de bevedering, goed gesloten is, en helder uit de ogen kijkt zonder piepend of krakend geluid. Wacht ook niet te lang met je aankopen, want dan zijn de beste vogels al weg. Houd de aangekochte vogels het beste een veertiental dagen apart om ze goed te observeren en te laten wennen aan de nieuwe omgeving en voeding voordat je deze vogels plaatst bij je eigen kweekvogels.

Kweken met tentoonstelling vogels?

Sommige kwekers kweken ook met hun tentoonstelling vogels, maar hier zijn enkele voorwaarden aan verbonden. De vogels mogen niet meer dan 4 à 5 wedstrijden hebben gespeeld, en na de laatste tentoonstelling moeten ze direct worden ingezet voor de kweek. Als je dat niet doet, is de kans groot dat de vogels in de rui gaan, wat het kweekseizoen natuurlijk beëindigt. Als je dit niet of te laat opmerkt, loop je het risico van onbevruchte eieren, enzovoort. Houd er rekening mee dat vogels die van oktober tot en met december wekelijks worden gespeeld, zoveel energie verspelen dat ze eigenlijk niet meer geschikt zijn voor de kweek. De energie die ze nodig hebben om jongen groot te brengen, is vrijwel op. Hoewel er uitzonderingen op deze regel kunnen zijn, is het logisch dat dit vaak te veel gevraagd is voor onze vogels. Als je dit weet, blijven teleurstellingen vaak uit. Houd hier rekening mee bij het bepalen van het aantal koppels dat je wilt behouden voor de kweek.

Besluit:

Tot slot zou ik willen adviseren om nu al te beginnen met selecteren en sorteren. Maak op tijd je kweekschema en weet met hoeveel koppels en soorten je van plan bent te kweken. Dit zal je zeker ten goede komen. Dus, in de kop van dit artikel zit toch weer veel waarheid en kennis. Een succesvolle selectie gewenst.

Wout van Gils. Keurmeester Aob / C.o.M.

Een prima eivoer voor kanaries

Een uitstekend eivoer voor onze kanarievogels:

Dit blijft een onderwerp waar de meesten nooit over uitgepraat raken. Iedereen heeft zijn eigen merk, ideeën en samenstelling. Kortom, het blijft levendig als het gaat om eivoer. Zonder eivoer zal het niet of nooit lukken. Dat is duidelijk. Een paar keer per week in de rustperiode, dagelijks tijdens de kweek, en een paar keer per week tijdens de rui, zoals de meesten wel weten. In onze kweekperiode loopt dit op tot ongeveer 5 à 6 gram per jonge vogel. Gelukkig zijn er tegenwoordig tal van eivoeders op de markt, allemaal van goede kwaliteit. Toch voegen veel kwekers iets toe, ondanks dat deze eivoeders goed zijn uitgebalanceerd.

Mijn eivoer bestaat uit: (dagelijks vers)

eivoer

– 250 gram Witte Molen eivoer (vochtig)
– Een soeplepel couscous (minstens een half uur geweekt in 2 delen water)
– 1 Soeplepel onkruidzaden
– Een dosis Megabactin volgens voorschrift van COMED-producten
– Een dosis Winmix (Bird) + Megabactol volgens voorschrift van COMED-producten (Cometavis in plaats van Winmix is ook prima)
– Twee keer per week voeg ik een hardgekookt ei toe
– Het geheel maak ik wat rul (nooit te nat maken, voelbaar rul is meer dan voldoende)
– Voeg twee keer per week wat Roni toe volgens voorschrift

Een uur voor het uitgaan van het licht, geef ik 4 à 5 ontdooide pinkies. Geen groenvoer, behalve broccoli, en tijdens de broedperiode geen eivoer geven. De dag voor het eivoer geef ik wel weer eivoer. Vanaf dag 4 is af en toe een stukje broccoli aan te bevelen.

Met deze voeding heb ik de laatste jaren succesvol gekweekt, waaronder diverse albinovogels en andere roodoogsoorten. Ik ben ervan overtuigd dat er nog veel meer eivoeders zijn, misschien is het aan u om die naar mij te sturen, dan zal ik deze op de website plaatsen onder de rubriek “Eivoer voor onze kanarievogels”. Er zijn vast liefhebbers die denken: “Alweer een mix, ons eivoeder dat we kopen is toch ook goed.” Dat beweer ik ook niet. Maar ik constateer dat door toevoeging van deze producten bij mij het net iets beter gaat. Een winnend elftal moet je niet zomaar veranderen.

Succes.

Wout van Gils.

Let op tijdens en na het ringen

Let op tijdens en na het ringen

Het ringen is altijd een mooie bezigheid; in deze fase zijn de jongen meestal de kritieke periode gepasseerd en beginnen ze al mooi in hun verenkleed te komen. Het ringen gebeurt met kleurringen van je federatie waarbij je bent aangesloten. Deze ringen zijn voorzien van je stamnummer, jaartal, doorloopnummer en de maat van de ring zelf.

Tijdens het ringen kunnen er echter nog wel wat zaken misgaan, zoals:

1. Te laat of te vroeg zijn met het ringen.poten
2. Beschadigingen tijdens het ringen.
3. Ouders gooien het jong met ring uit het nest.
4. Ring komt vast te zitten.

De meesten van ons kennen dit wel en weten ook hoe ze dit moeten voorkomen. Als men jonge vogels gaat ringen, is de beste periode wanneer je de eerste ontlasting op de rand van het nest ziet liggen. Dit geeft aan dat de pop het nest niet meer schoonmaakt en de kans dus erg klein is dat de ouders de ring voor mest aanzien. Als je de jongen ringt, is het ook aan te bevelen het pootje iets vochtig te maken zodat de ring er makkelijk overheen schuift zonder het pootje te kwetsen.

Het is ook raadzaam enkele malen te gaan controleren als het jong nog in het nest ligt, ondanks je goede zorgen. Beter een keer te veel controleren dan een vogel hierdoor te verliezen. Mocht er toch een jonge vogel uit het nest zijn gegooid, gooi het dan niet te snel weg. Hou het een tijdje in je handpalm en blaas er regelmatig over; vaak herstelt het jong nog.

TIP: Wat ik altijd doe als ik vogels heb geringd, is natuurlijk tijdig ringen en enkele malen controleren. Daarnaast doe ik nog het volgende: als de jongen zijn geringd, leg ik ze terug in het nest waarvan de bodem licht bedekt is met wat zaad. Daar leg ik de jongen op. De ouders zullen even proberen het nest schoon te maken, maar geven het snel op omdat dit te veel werk is. Op deze manier gooien de ouders zelden nog een jong met ring uit het nest. Probeer het maar eens.

Succes! – Wout van Gils.

Kanaries Ontleden

bookwormwht

Kanaries Ontleden.

1. Als je van plan bent om kanaries te kweken, is het essentieel om eerst de standaard te raadplegen, te lezen en te bestuderen. (JE MOET DIT KENNEN!) Koop bij een selectieve kweker (stam), vraag hem om te beginnen met 1 man en 2 poppen. Bouw zelf je volière met de volgende gegevens, wat voor iedereen haalbaar moet zijn.

2. OPBOUW VAN EEN VOGEL: (groene kanarie) door mutatie verdere ontwikkeling.

PIGMENT: Eumelanine (zwarte) staafjes, pheomelanine (bruin) korrels met hooguit 4 kleurbeïnvloedende factoren (mogelijk aangevuld met de ivoor factor).

VETSTOF: 4 kleuren mogelijk, namelijk Rec. Wit – Dom. Wit – Geel – Rood.

– Bij deze vogel hebben we ook de “KLEUR BEÏNVLOEDENDE FACTOR” zoals de Intensief factor, ivoorfactor, en mozaïek (exclusief de roodogen). Deze worden kort besproken voor een overzicht van de grondkleur, pigment en de beïnvloedende factoren.

3. PIGMENT: heeft 4 mogelijkheden:

ZWART PIGMENT: (eumelanine) bijvoorbeeld groene of bronzen kanarie. Herkenbaar aan zwarte poten en nagels.

AGAAT PIGMENT: of 1° reductiefactor. Dit is verdund zwart of gereduceerd zwart. Twijfel je, vraag dan of het bruin of zwart is; is het geen van beide, dan is het “agaat”.

BRUIN PIGMENT: de oudste mutatie, waarbij zwart eumelanine is omgezet in pheomelanine. Het verschil in bruin moet wel worden opgemerkt.

ISABEL PIGMENT: verdund bruin, ook wel beigebruin genoemd. De l° reductiefactor beïnvloedt sterk het uiterlijk van de Isabel.

GRONDKLEUR: (4 soorten) ook bekend als bijtint.

Dominant wit factor: herkenbaar aan de gele aanslag.

Rood factor

Geel factor

Recessief wit factor: herkenbaar aan blauwpaarse huidskleur.

PIGMENT BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: Ook hier zijn er 4 soorten die invloed hebben op het pigment en de grondkleur.

Pastel factor: of 2° reductiefactor, maakt isabel en bruine streeploos en verdunt agaatpigment naar lichtgrijs en zwartpigment naar grijs.

Opaal factor: verandert de ligging van het pigment van boven naar onder in de veer.

Ino factor: onderdrukt eumelanine, waardoor bijvoorbeeld een groene vogel met schubtekening ontstaat en rode ogen.

Satinet factor: onderdrukt pheomelanine, creëert vogels met rode ogen en een fijne bestreping op een bijna pigmentloze ondergrond.

Deze factoren zijn recentelijk uitgebreid met topaas en eumo, en de volgende, onyx, is in aantocht.

GRONDKLEUR BEÏNVLOEDENDE FACTOREN: Ook hier zijn 4 factoren die invloed hebben op de grondkleur en gedeeltelijk op het pigment.

Intensief factor: maakt de vogel helder en glanzend.

Blauwfactor: of citroenfactor (dubbele blauwfactor).

Ivoorfactor: maakt geel zachtgeel en rood roze.

Mozaïek factor.

Als je een vogel ziet, kun je deze het beste ontleden door je af te vragen:

– Wat is de grondkleur?
– Wat is het pigment?
– Wat beïnvloedt het pigment?
– Wat beïnvloedt de grondkleur?

Je zult altijd tot een conclusie komen. Je kunt je natuurlijk afvragen welke factoren ontbreken. Ik hoop dat ik je met deze eenvoudige uiteenzetting meer inzicht heb gegeven in de kleur en kleurbeïnvloedende factoren van onze vogels, en je een hulpmiddel hebt gegeven om je vogels gemakkelijker te ontleden.

De laatste jaren is de standaard wat betreft tekening aangepast, vooral in de zwart- en bruinreeks. Houd hier rekening mee.

Broedperiode? Blijf waakzaam.

Als er moeilijkheden zijn met onze vogels tijdens de kweek, in de rui-periode, of welke tijd dan ook, zijn we vaak geneigd onze vogels te vergelijken met andere vogel- en pluimveerassen. Ook de producten (medicamenten) die we gebruiken, zijn meestal bedoeld voor grotere pluimveesoorten en andere dieren. We moeten dan zelf uitzoeken hoeveel we onze vogels moeten geven. Gelukkig is er de laatste jaren een verandering gekomen, en nu zijn er ook medicamenten te koop die al zijn gedoseerd voor onze vogels. Bovendien zijn er steeds meer dierenartsen die gespecialiseerd zijn in onze vogelsoorten. Dit is een positieve ontwikkeling voor onze hobby, omdat we nu medicijnen kunnen verkrijgen met de juiste dosering voor onze vogels.

pop broed

Een van de problemen die veel kwekers momenteel ondervinden tijdens de broedperiode is het niet uitkomen en/of afsterven van de jonge vogels in het ei, vooral in de laatste dagen van het broedproces. Vaak geven kwekers dan de schuld aan het voer: er zouden niet genoeg mineralen en/of vitaminen in het voer zitten, het voer ruikt muf en/of is erg stoffig, of het eiwitgehalte was niet voldoende. Het is verbazingwekkend wat je soms hoort. Na een voerverandering constateren kwekers echter vaak dat het probleem blijft bestaan. Nadat ze hebben onderzocht of inteelt, parasieten of andere besmettelijke ziekten een rol spelen en deze hebben uitgesloten, grijpen ze vaak als laatste redmiddel naar laboratoriumonderzoeken van enkele vogels. Ik wil zeker niet ontkennen dat een van de genoemde punten niet de oorzaak kan zijn van het afsterven in het ei. Zeker kan dat, en ik heb daar al eerder over geschreven. Een te droog en/of te vochtig hok kan zeker een oorzaak zijn. Als de vochtigheid voldoende is, kunnen jongen toch afsterven in het ei, vooral als de temperatuur van de eieren te laag is, vooral in het kweekhok. En vocht is zeker helemaal niet goed te keuren.

eivoer

De meest voorkomende oorzaak van afsterven in het ei moet gezocht worden bij het onvoldoende aanwezig zijn van zuurstof. Dit is de meest voorkomende reden en wordt vaak over het hoofd gezien, waardoor de voederfabrikant onterecht de schuld krijgt dat het voer niet goed was. Kwekers beginnen onnodig medicijnen te geven en sturen vogels onnodig naar een lab voor onderzoek, terwijl de oorzaak eigenlijk in het kweekhok, dus bij de kweker, ligt en niet bij onze vogels. De embryo’s sterven in het ei vooral door een gebrek aan zuurstof; ze stikken gewoon!!! Vooral in de laatste twee dagen verbruiken de embryo’s veel zuurstof, die door de eierschaal moet gaan. Als er in verhouding te weinig zuurstof in de omgevingslucht is, zal er ook te weinig zuurstof door de schaal kunnen gaan, met alle gevolgen van dien.

Dus let op voldoende toevoer van frisse lucht, uiteraard zonder tocht. Geef de vogels regelmatig badwater en houd de vochtigheid in de gaten. Controleer bovendien regelmatig of de eitjes niet vastzitten. Op deze manier geef je minder snel de schuld aan andere factoren en grijp je minder snel naar medicijnen. Het is ook niet nodig om vogels naar het lab te sturen voor onderzoek als er eigenlijk niets aan de hand is met je vogels, maar je zelf niet alles onder controle had, met alle bekende gevolgen van dien.

Sommigen onder jullie zullen denken: alweer een artikel over het ei. Wel, dit is zeker geen hobby van mij, om artikelen te schrijven over het ei. Maar als je weet hoeveel brieven, telefoontjes en e-mails ik ontvang over het afsterven van vogels in het ei, dan denk ik dat er niet genoeg over geschreven kan en mag worden. Veel jongen worden helaas niet geboren om deze reden.

DUS BLIJF WAAKZAAM TIJDENS DE BROEDPERIODE.

Dit is een erg goed middel, aangevuld met een goede koppeling van de ouders, een goede zaadmengeling en natuurlijke vitaminen, samen met de juiste lucht- en vochtigheidsgraad. Dan worden de eerste jongen zeker geboren. Veel succes.

Wout van Gils

Herkennen man of pop.

Bij verschillende kleuren van onze kanaries is het al goed vast te stellen of het een mannetje of een vrouwtje is, zelfs al bij het uitkomen van de jonge kanaries. In veel gevallen is de kweker echter nog niet helemaal zeker. Men sorteert dan vaak op basis van het fluitgedrag. Maar wanneer we de kanaries gaan voorbereiden op de kweek, moet op een gegeven moment het geslacht duidelijk te zien zijn, zelfs voor een minder ervaren kweker. Als er dan nog twijfel is, betekent dit dat de vogel nog niet helemaal in broedconditie is. Hierbij zijn twee foto’s gevoegd, één van een mannetje en één van een vrouwtje. Bekijk deze goed, en het onderscheid tussen man en vrouwtje wordt veel duidelijker. Dit is van groot belang, vooral als men van plan is om te gaan kweken. De eerste foto toont een mannetje, en de tweede foto toont een vrouwtje.

Succes!

Wout van Gils

Man
Man

pop
Pop

broedrijpe pop
broedrijpe pop

 

                                                                                                         

Gaat het nu al mis?

Gaat het nu al mis? Wout van Gils

Dit artikel schrijf ik op 22-02-2003 naar aanleiding van e-mails van kanariekwekers die nu al problemen ondervinden. Het valt me op dat dezelfde problemen zich elk jaar voordoen rond deze tijd. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat deze liefhebbers het nog steeds niet begrijpen. Er is al veel geschreven over het in broedconditie brengen van onze vogels, dus waar gaat het fout? Zijn we dan zo hardleers? Of zijn het allemaal beginners? Hoewel er zeker beginners tussen zullen zitten, geloof ik niet dat dit voor iedereen geldt. Hoe is het toch mogelijk dat er nu al problemen zijn? Ik denk dat 80% van deze liefhebbers het bij zichzelf moet zoeken en niet bij hun vogels.

Wat gaat er dan mis:

Natuurlijk kan een vogel ziek worden en daardoor een broedsel verliezen, maar dat is niet wat er nu gebeurt. Er zijn diverse andere problemen, waaronder:

1. De pop stopt met broeden.
2. De pop maakt een nest en breekt dit weer af.
3. De pop legt maar enkele eitjes.
4. De eieren zijn onbevrucht.
5. De pop wil overal een nest maken behalve in het nestbakje.
6. De mannen zijn niet goed voorbereid op de kweek.

Dit zijn slechts enkele oorzaken waarvan de liefhebber denkt dat het aan de vogels ligt. Daar ben ik het niet mee eens. Daarom ben ik nogmaals in de pen gekropen om te verduidelijken dat de oorzaak niet bij de vogels ligt, maar puur aan de voorbereiding, en die voorbereiding doen wij. Wij moeten zorgen voor goede voeding, een juist aantal lichturen, goede gezondheid en de juiste leeftijd van de vogels.

pop broed

Wat is dan de oorzaak:

Bovenstaand zijn al enkele oorzaken genoemd, maar de belangrijkste is de leeftijd van onze vogels. De vogels zijn te jong, misschien amper 9 maanden oud, en dat is de reden dat de vogels wat wispelturig zijn, met als gevolg de genoemde problemen. Als men dan ook nog niet goed omgaat met de lichturen, dan is het helemaal compleet: onbevruchte eieren of het in de steek laten van het nest is een feit. Ook l